Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dweilen - (met een natte doek afnemen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dweil zn. ‘doek om vocht of vuil op te nemen’
Vnnl. Vodde, dweyle, wisch, kladder ‘vod, dweil, wisser, wislap’ [1567; WNT kladder], dweyl “schotel-doeck, opneem-doeck” [1599; Kil.], dweil ‘straatslijper’ [17e eeuw; WNT]; nnl. dweil ‘vrouw van slordige leefwijze’ [1919; WNT zwabber I], ‘iemand zonder fut’, zoals in: as 'n oue dweil, as 'n natte zoutzak [1920; WNT zoutzak].
Afleiding met het Proto-Germaanse achtervoegsel *-ila, dat diende om instrumenten aan te duiden (zie → beitel) van mnl. dwaen ‘wassen’.
Mnd. dwele, dweile ‘doek’; ohd. dwahila, dwehila ‘doekje, linnen doek’; < pgm. *þwah(i)la-, met grammatische wisseling uit *þwagila- ‘doek om mee te wassen’. Os. thwahan, ohd. dwahan, oe þwēan; on. þvá (nzw. två); got. þwahan ‘wassen’; < pgm. *þwahan- ‘wassen’.
Pgm. *þwahan- ‘wassen’ moet teruggaan op een wortel *tuak-, maar is gezien de -a- waarschijnlijk niet Indo-Europees. Er is maar één verwant, Oudpruisisch twaxtan ‘wassen’. Gezien de geringe verspreiding en het betekenisveld moet dit een substraatwoord zijn.
De -ei- in het Nederlands is een samentrekking van ouder -agi- of -egi-, zoals ook in → peil uit → pegel en → teil uit → tegel. Naast dweil staat de vorm zonder umlaut, zie → dwaal.
De Germaanse wortel is via Oudfrans toaille, touaille ‘doek’ [13e eeuw; FEW] in Engels towel ‘handdoek’ terechtgekomen.
De betekenis ‘straatslijper’ moet ontstaan zijn n.a.v. dweilen ‘langs de grond of straat slepen’.
dweilen ww. ‘met een natte doek afvegen’. Vnnl. dweilen ‘met een doek wissen’ [1599; Kil.], dweilen ‘langs de grond of de straat slepen’ [17e eeuw; WNT], op den dweil zijn ‘langs de straat slieren of slenteren’ [1873; de Bo]. Afleiding van dweil.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

dweil [+]: s.nw. en ww., “vloerlap; opvryf v. vloer”, beter bek. is feillap en opfeil (v. feil II); Ndl. dweilen hou verb. m. Mnl. dwaen, “was”, en m. Eng. (via Fr.) towel en Hd. zwehle – ooreenkoms in Ndl. tussen dweil(en) en feil(en) is opvallend, maar verw. moeilik bewysbaar.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dweilen ‘schoonmaken met een natte dweil’ -> Duits dialect dweilen ‘het dek schoonmaken met een natte dweil’; Kupang-Maleis pel ‘schoonmaken met een natte dweil’; Papiaments dweila, dweilu ‘schoonmaken met een natte dweil’; Sranantongo dweiri ‘schoonmaken met een natte dweil’.

Dateringen of neologismen

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

dweilen met de kraan open, werk verrichten zonder enig uitzicht op succes of voltooiing. Sinds eind jaren zeventig.

En wij als politie dweilen met de kraan open om de criminaliteit te bestrijden. (Frans Kwantes en Fred Hollinga: Géén paniek. Het hart in het blauwe pak, 1983)
Gegeven het menselijk leed waarom het gaat, is de uitdrukking wat hard maar ze is niettemin treffend juist: asielbeleid is dweilen met de kraan open. (HP/De Tijd, 22/08/97)
Het heeft ons nooit belet om hardnekkig aan de weg te blijven timmeren, maar toch blijft het zeer ondankbaar. Het leek een beetje op dweilen met de kraan open. (De Morgen, 20/12/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1307. Een kwast,

d.i. een zonderling, een zot, een fat, ook een kwastelorum of een kwasteldorom genoemd (Draaijer, 23 b; Molema, 232; Rutten, 127). Misschien moet men er eigenlijk onder verstaan, iemand die allerlei kwasten en strikjes draagtWinschooten, 200: Hij draagt quasten (dat een soort van strikken zijn) aan zijn beenen; Brederoo, Sp. Brab. vs. 58.; vgl. een hoed, een pruik, een haneveer; een kruk (zie no. 1298); barg. kruif (eig. haarkrul), kwast, verwaande kerelNdl. Wdb. VIII, 402; Köster Henke, 37.; bij De Bo, 723 a: een dwaze mutse (= vrouw); doch mogelijk is evenzeer, dat wij moeten denken aan kwast, ook een harde kwast, eig. een knoest in het hout, in de 17de eeuw in overdrachtelijken zin een lastig, koppig, grillig mensch, iemand met allerlei kuren. Zie Hooft, Uitlegk. Wdb. III, 198; Coster, 29, vs. 592; 40, vs. 908; 541, vs. 1450; Langendijk, Vad. Koopl. 12 (Panthéon-ed.); Spaan, 130: een houtig kwasje, een lastig heer; 169: een netelig kwasje; C. Wildsch. III, 353; Halma, 524: Quastig, koppig, hoofdig; een quastige vent, un bourru, un fantasque, un capricieux ou bizarre; quast, un bourru, un sot; dat is eene quast van een vent, een koppig of wonderzinnig mensch, c'est un bourru, un capricieux, un bizarre, un têtu; Sewel, 330: Kwast (quibus, halve gek), fob, fool, boohy; fri. in kwast, een geurmaker. In den zin van lastig wezen wordt kwast gebruikt bij Van Effen, Spect. VIII, 205: De naam van gryzen knorrepot, van viezen kwast, van ouden zot. In dien van zot komt het voor in de Gew. Weeuw. I, 17; in Zuid-Nederland beteekent het vroolijke snaak, spotvogel, losbol, verkwister, kwieskwas (Teirl. II, 194); zie Waasch Idiot. 381 a; De Bo, 593 a; Antw. Idiot. 733; Teirl. II, 193; Schuermans, 313. Het is mogelijk, dat we kwast in dezen zin in verband moeten brengen met het ww. kwasten, drinken, lichtmissen (De Bo, 593; Schuermans, 313), dat wellicht hetzelfde is als het door Kiliaen vermelde quasten, quisten, cum impetu effundere, profundere. Het daarnaast voorkomend synonieme kwispel (De Bo, 597 b; Rutten, 127) of kwispelaar en het ww. kwispelen (zwieren, boemelen; Tuerlinckx, 355) doet eerder denken aan kwast, kwispel in den zin van staart en vandaar kwasten, kwispelen, als een staart heen en weer gaan, slingeren, doordraaien, leegloopen, dweilenZie Ndl. Wdb. III, 3734; VIII, 726; 818.. Ook in het Nd. spreekt men van en dulle quast, en fine quast (Eckart, 420 b; Grimm VII, 2330) en in de 16de eeuw komt de naam Hans Quast voor als zot, dwaas, gekZie Bolte und Seelmann, Niederd. Schauspiele älterer Zeit, 157; Reuter, 89.; in het Westphaalsch: 'n kwast van 'n kerel, 'n wunderliken kwast, 'n hanskwast (Woeste, 435 a).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut