Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dwarsbomen - (moeilijkheden in de weg leggen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dwarsbomen* [moeilijkheden in de weg leggen] {1926-1950} de uitdrukking iemand dwarsbomen [tegenwerken] betekent eig. ‘een balk, boom dwars over de weg leggen om de doorgang te verhinderen’.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

dwarsbomen

Iemand dwarsbomen dat wil zeggen: iemand belemmeren in zijn werk, iemand beletten zijn plannen ten uitvoer te brengen, betekent letterlijk: iemand de weg versperren door er een boom dwars over te leggen. Precies hetzelfde vinden wij in het woord versperren, dat eigenlijk is: met een spar afsluiten. Niet alleen landwegen, maar ook waterwegen werden vroeger op die wijze ontoegankelijk gemaakt. Na zonsondergang werden natuurlijk de stadspoorten gesloten. Dan sloot men tevens de waterwegen die toegang gaven tot de stad af met een zware boomstam die op het water dreef en aan beide oevers met een ketting vastlag. ‘Aan voor boomsluiten thuis te zijn was geen denken’, schrijft Hildebrand in de Camera Obscura, als door Pieter Stastoks onfortuinlijke onderdompeling in het Spaarne de deelnemers aan het roeitochtje zich verlaat hebben. Dat gebruik is verdwenen en daarmede de letterlijke betekenis van dwarsbomen, dat zich echter in figuurlijke zin heeft gehandhaafd.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dwarsboomen, drarsdrijven ww., nog niet bij Kil. Vgl. oost fri. dwa(r)sbomen, fri. dwêrsbommelje, -bongelje, dwêrsdriuwe.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dwarsbomen ‘moeilijkheden in de weg leggen’ -> Fries dwersboomje ‘moeilijkheden in de weg leggen’; Duits dialect dwasboomen ‘moeilijkheden in de weg leggen, zich verzetten’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

krieltje [kleine, nieuwe aardappel] (1874). Krieltje was een van de nieuw beschreven woorden in het in 1874 gepubliceerde Nieuw Woordenboek der Nederlandsche Taal van J.H. van Dale (1828-1872) – het woordenboek dat later later de Grote Van Dale genoemd zou worden. Het werd na de dood van Van Dale door zijn assistent Jan Manhave voltooid. Het Nieuw Woordenboek der Nederlandsche Taal was een bewerking van een ouder woordenboek, uit 1864, van de neven I. M. Calisch en N. S. Calisch, en geldt dan ook tegenwoordig formeel als de tweede druk van Van Dale. In dit woordenboek werden vele Nederlandse woorden voor het eerst lexicografisch beschreven, zelfs heel gewone woorden, zoals krieltje. Andere woorden die in 1872 voor het eerst werden opgenomen, waren: bullen (‘spullen’), dwarsbomen, gegeven (‘grootheid, bekend geval’), kantje (‘haringvaatje’), keihard , moeren (‘kapot maken’), muisjes (‘gesuikerde anijszaadjes’), nippertje, snuiter (‘kwant’) en uitentreuren.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dwarsbomen* moeilijkheden in de weg leggen 1872 [GVD]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

525. Iemand dwarsboomen,

d.w.z. iemand tegenwerken, hem den voet dwars zetten; 17de eeuw ook iemand dwars vallen of iemand (den weg) draaiboomen, iemand den voet overdwars zetten, iemand overdwarsen; thans dial. dwars zijn of iemand dwars zitten (Draaijer, 9 b); dweers in den weg zijn; dweers(ch) op zijn (De Bo, 284; Waasch Idiot. 198 a). Eig. een boom dwars over den weg leggen om den doorgang te verhinderen, dus den weg versperren (afgel. van spar, balk). Zie Halma, 130: Dwarsboom, traverse, poutre mise de travers pour fermer un passage; Iemands plannen dwarsboomen, s'opposer aux desseins de quelqu'un; Sewel, 202. Syn. was iemand slagboomen (Winschooten, 31); iemand dwarspalen (Esopet, Toverlantaaren, 7; Pers, 623 a: dwerspael, dwarsdrijver). In het fri.: dwersbongelje, dwersbommelje; Molema, 50: dwarsbungeln; Bergsma, 97: dwarsbongeln, tegenspreken, niet willen begrijpen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut