Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dwars - (scheef)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dwars bn. ‘scheef’
Mnl. (bw.) dwers ouer banderside ‘schuin aan de overzijde’ [1265-70; CG II, Lut.K]; nnl. dwers, ‘scheef’ [1622; WNT], dwars ‘id.’ [1697; WNT].
Mnd. dwers; mhd. twerhes; ofri. thwer(e)s; oe. þweores (ne. (a)thwart); on. þvers (nzw. tvärs). Vormen zonder -s zijn os. thwerh ‘dwars’; ohd. dwerah (nhd. quer); oe. þweorh ‘krom’; on. þverr ‘dwars, nors’ (nzw. tvär); got. þwairhs ‘opvliegend’; < pgm. *þwerha- ‘dwars’.
De bijbehorende wortel *tuerḱ- heeft verder geen verwanten en zal dus wel een substraatwoord zijn. Mogelijk is het een afleiding bij pie. *tuer- ‘draaien’ (IEW 1100), zie → draaien, of *terh2- ‘draaiend wrijven’ (IEW 1071).
In de meeste dialecten werd -er- voor velair of dentaal -ar-. De vorm dwars heeft het pleit gewonnen sinds het einde van de 17e eeuw.
De vormen op -s zijn oorspr. bijwoorden met het achtervoegsel → -s. Het bn. is in het Nederlands van deze vorm afgeleid.
Lit.: Schönfeld 1970, par. 57

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dwars* [scheef, weerbarstig] {dwers(ch), dwaers 1265-1270} middelnederduits dwers, middelhoogduits twerhes, oudfries thwer(e)s, oudengels ðweores, gotisch þwairhs [boos], met het bijwoordelijk achtervoegsel s uit het bn. oudsaksisch thwerh, oudhoogduits dwerh; de oorspr. betekenis is ‘draaien’, vgl. de verwanten latijn torquēre [draaien], grieks atraktos [spil (bij het spinnen)], oudrussisch torokŭ [zadelriem], oudindisch tarku- [spil].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dwars bnw., mnl. dwers, dweers, dwars, oorspr. een bijwoordelijke 2de nv. evenals mnd. dwers, mhd. twerhes, ofri. thweres, thwers, oe. ðweores, on. þvers van het adj. germ. *þwerha- vgl. os. thwerh, ohd. dwerh (nhd. quer naast zwerchfell), oe. ðweorh (maar ne. thwart < on. þvert) ‘dwars’, got. þwairhs ‘boos’; vgl. nog mnl. dwerree, dwarree ‘dwarsgreppel’. — Idg. grondvorm *tu̯erk ‘draaien, winden’, vgl. oi. tarkú ‘spil, klos’, lat. torqueo ‘draaien’, osl. trakŭ ‘band, gordel’ (IEW 1077). Hoger op is afl. uit *ter draaiend wrijven’ aannemelijk; zie daarvoor: draaien.

De dialectische vormen van dwars zijn aangegeven op de kaart van J. Daan, Taalatlas afl. 4, 15. — > nnd., nhd. dwars (zo ook dwarsdryver ‘schipper die zijn schip niet goed bestuurt’, dan ook ‘iemand die tegenwerkt’).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dwars bnw., bijw., mnl. dwers, dweers, dwars, gew. bijw., minder vaak bnw. of voorz. (“dwars over, dwars in, dwars door”). Oorspr. een bijw., formeel evenals de bijww. mhd. twërhes, mnd. dwërs (dwars) (ook bnw.), ofri. thwër(e)s, ags. ðwêores, on. þvërs “dwars” (en afgeleide bett.) de genitief van germ. *þwerχa-, got. þwaírhs “boos”, on. þvërr, ohd. dwërh (nhd. quer; zwerchfell o. “middenrif”), os. thwërh, ags. ðweorh (eng. thwart uit het Noorsch; vgl. on. þvërt, adverbiaal neutrum) “dwars” (en afgeleide bett.), mnl. (1370) in dwerree, dwarree “dwarssloot”. Van een basis twereq-, die men gew. (onzeker!) in verband brengt met idg. tereq- “draaien, winden”, ohd drâhsil m. “kunstdraaier” (nhd. drechseln ww.), lat. torquês “ketting”, torqueo “ik draai, wind” (ier. torc “keten” wsch. uit ʼt Lat), gr. átraktos “klos om te spinnen”, oserv. trakŭ “band, riem”, opr. tarkue “riem om te binden”, alb. tjer̄ “ik spin”, oi. tarkú-* “spil, klos”. Tereq- zal wel een afl. zijn van den bij draaien besproken wortel. Hiernaast zou twereq- onder invloed van twer- “roeren, dooreen warren” (zie dwarrelen) ontstaan kunnen zijn: dan zou het echter zeer opvallend wezen, dat de bet. van twereq- in de eenige taalgroep, waar het voorkomt, het Germ., zich in een geheel andere richting ontwikkeld heeft.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dwars. Het bnw. germ. *þwerχa- eenmaal in mnl. dworch bijw.: Verdam Tschr. 38, 245 vlg. Voor de o vgl. mnl. dworch naast dwerch ‘dwerg’, voor de bewaarde -ch mnl. dorch naast dōre, dȫre ‘door’. — Zie ook nog dwarrelen Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dwars bijv., Nnl. dwers, adverbiale genit. van*dwerr, geassimil. uit *dwerch, Os. thwerh + Ohd. dwerh (Nhd. quer en zwerch), Ags. đweorh, On. þverr, Go. þwairhs (= toornig) + Skr. tarkuṣ = spil, Gr. átraktos = klos, Lat. torquere = draaien, Oserv. trakŭ, Opr. tarkue = riem: Idg. wrt. tu̯erq: z. draaien en door 3.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

dweers (bn.) dwars; Middelnederlands dwers <1265-1270>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

dwars bn., (ook:) scheef. Het schoonmakerszaakje van Laila, met de vensters dwars hangend in hun kozijn (Cairo 1978b: 182).
— : dwars voor/in het gezicht bw. uitdr., recht in het gezicht, onverbloemd (woorden). Kijk, je mag natuurlijk antipathieën hebben, maar weet dan toch hoe je ze uit. Hij zegt alles dwars in het gezicht (WS 3-7-1982).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

dwars: “reghoekig t.o.v. bep. rigting; transversaal; weerspannig”; Ndl. dwars (Mnl. dwars/dwe(e)rs), Hd. quer (naas zwerchfell), Germ. verw. verderaf, bv. in Eng. thwart (uit On.) en Idg. in Lat. torquere, “draai”; .v. ook wars.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dwars ‘scheef, weerbarstig’ -> Frans dialect à doueire ‘verkeerd, niet zoals het moet’; Negerhollands dwars ‘scheef, weerbarstig’; Papiaments duars (ouder: dwars), duash (Ar.) ‘scheef’; Sranantongo dwarsi ‘scheef, weerbarstig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dwars* scheef, weerbarstig 1265-1270 [CG Lut.K]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

525. Iemand dwarsboomen,

d.w.z. iemand tegenwerken, hem den voet dwars zetten; 17de eeuw ook iemand dwars vallen of iemand (den weg) draaiboomen, iemand den voet overdwars zetten, iemand overdwarsen; thans dial. dwars zijn of iemand dwars zitten (Draaijer, 9 b); dweers in den weg zijn; dweers(ch) op zijn (De Bo, 284; Waasch Idiot. 198 a). Eig. een boom dwars over den weg leggen om den doorgang te verhinderen, dus den weg versperren (afgel. van spar, balk). Zie Halma, 130: Dwarsboom, traverse, poutre mise de travers pour fermer un passage; Iemands plannen dwarsboomen, s'opposer aux desseins de quelqu'un; Sewel, 202. Syn. was iemand slagboomen (Winschooten, 31); iemand dwarspalen (Esopet, Toverlantaaren, 7; Pers, 623 a: dwerspael, dwarsdrijver). In het fri.: dwersbongelje, dwersbommelje; Molema, 50: dwarsbungeln; Bergsma, 97: dwarsbongeln, tegenspreken, niet willen begrijpen.

1451. Maag.

In verschillende zegswijzen komt de maag voor. Zooals in dat ligt me hard in de maag, dat kan ik niet verkroppen, verduwen (Tuinman I, 110; C. Wildsch. II, 213); dat zit me dwars in de maag, daar ben ik mee verlegen (o.a. S.M. 108; Villiers, 75); dat ligt me dwars in de maag (of 17de eeuw in den zin), dat bezwaart me, daar zie ik tegen op (Ndl. Wdb. III, 3718; VIII, 2158); fri. it leit my dwers yn 'e mage, ik ben ongerust over die zaak; met iets of iemand in zijn (of de) maag zitten, er geen weg mee wetenHet Volk, 15 Dec. 1913, p. 1 k. 1; De Arbeid, 8 Nov. 1913, p. 3 k. 3,; dat zal hem koud (of zwaar) op zijn maag vallen, dat zal hem onaangenaam zijn te vernemen (Antw. Idiot. 785); hd. das liegt mir im Magen, das ärgert oder bekümmert mich; einen auf dem (oder im) Magen haben, wenn uns jemand sehr widerwärtig ist, wenn man sich über ihn ärgert (Wander III, 333; 334); eng. to stick in one's gizzard; zie no. 1113; 1289.

2444. Iemand den voet (dwars)zetten,

d.i. iemand tegenwerken; eig. den voet dwars voor iemands voeten zetten om hem het voortgaan te beletten; lat. alicui pedem opponere; Sedert de 17de eeuw vrij gewoon; vgl. Vondel, Virg. II, 3: Dees heeft alleen, mijn hart en zinnen bewogen, en mijn opzet aan 't slibberen, den voet gezet; bl. 42: Indien dezelve Fortuin my oock den voet niet dwers had gezet; Winschooten, 340: Iemand de voet dwars setten, teegen iemand dwars drijven! en hem soo veel hinderlijk sijn, als moogelijk is; Hooft, Ned. Hist. 150; Brieven, 75: Overmits d'animeusheidt die men te Naarden schijnt genoomen te hebben, om my den voet dwers te zetten; Antonides I, 105: Zoo dra Astrates moet lijden, datmen haer de voeten dwars durf zetten; Paffenr. 6: Eer dat hy ons dan komt de voet ter dwars te setten; Zeeus, Ged. 397: Die Justus, die voorheen Hans Pekbroek wou beletten in zyn geluk en dus den voet hem dwars ging zetten; Van Effen, Spect. IV, 116; Br. v. Abr. Bl. I, 186; Tuinman I, 293; Halma, 737: Iemand den voet dwars zetten, iemand in zyn voorneemen wederstreeven, traverser quelqu'un, traverser ses desseins; Sewel, 202; 902; V. Janus III, 213; Harreb. II, 398 a; fri. immen de foet dwers sette.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut