Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

duwen - (voortschuiven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

duwen ww. ‘voortschuiven’
Onl. in bethuuuendero (teg.deelw., genitief mv., -uuu- = -uw-) ‘van de onderdrukkenden’, letterlijk ‘de beduwenden, de doorduwenden’ en bethudon (pret.) ‘zij verborgen’, letterlijk ‘zij duwden verder’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. gheduet (verl.deelw.) ‘geduwd, geknepen’ [1285; CG II, Rijmb.], leuerne sonder terden en duwen ‘leveren zonder stampen en duwen (dus zonder dralen)’ [1288; CG I,1333].
Mnd. duwen, douen ‘drukken’; ohd. dūhen ‘persen, drukken’, diuwen ‘kapotbreken’; oe. þēowan, þȳwan ‘persen, drukken; berispen’. Vermoedelijk zijn hier een aantal gelijkluidende en mogelijk verwante vormen door elkaar gaan lopen. Blankenstein vermoedt dat het ging om een sterk werkwoord van de tweede klasse: pgm. *þeuhw-, *þauhw-, *þugw-, dat grammatische wisseling van de medeklinkers -hw- en -gw- vertoonde. Bij deze wortel kunnen dan door het verdwijnen van de -g- of van de -w- allerlei afleidingen zijn ontstaan zoals *þuhan-, *þuwian- of *þuwan- ‘persen’.
Het pgm. woord zou in dit geval kunnen behoren bij pie. *teukw- ‘persen’ bij *(s)teu- ‘id.’ (IEW 1032), maar elders bestaan geen aanwijzingen voor een labiovelaar. Misschien is er verband met pie. *tuengh- (IEW 1099), zie → dwingen.
De van oorsprong Vlaamse vorm met -u- heeft de Hollandse vorm douwen uit de standaardtaal verdrongen, hoewel deze in de spreektaal in het noorden vaak voorkomt (met name het zn. douw in iemand een douw geven). In het Middelnederlands komen ook sterke vormen voor: duwen / dau / dauwen / gedouwen.
Lit.: M. van Blankenstein (1907) ‘Duwen’, in: TNTL 26, 70-73

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

duwen* [door drukking voortbewegen] {1285} een dial. (westvlaams) nevenvorm van douwen {1350}, die in de literaire taal opgenomen, zich van daaruit heeft verbreid. De w is een overgangsklank, vgl. oudhoogduits duhen, oudengels deondouwen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

duwen ww., eig. westvlaams, dat in de schrijftaal de vorm douwen verdrong; mnl. duwen, douwen ‘duwen, drukken, dringen’ (met secundaire sterke vervoeging). In oudnl. duwen is de w een overgangsklank blijkens ohd. dūhen (dial. deuken, dauhen), oe. ðyn, ðeon ‘duwen, drukken’. — > nhd. duven ‘wegstoten, wegduwen’ (sedert 18de eeuw, vgl. Kluge, Seemannssprache 1911, 202).

Het is hoogst twijfelachtig, of men voor dit woord aan idg. herkomst denken mag; FW 14 noemt o.a. gr. túkos ‘beitel’ en osl. -tuknạti, -tykati ‘stoten’, maar onder de idg. wt. *(s)teuk vermeldt IEW 1032 de groep van duwen niet (vgl. echter M. van Blankenstein Ts. 26, 1907, 70-3).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

duwen, douwen ww., mnl. dûwen, douwen “duwen, drukken, dringen”. De mnl., nog vla. sterke vervoeging is secundair. Alle vormen, dûwen, douwen en limb. (Maastr.) döije kunnen uit wgerm. *þûhjan ontstaan zijn, = ohd. dûhen (nhd. dial. deuhen, dauhen), os. thûhian (?), ags. ðŷn, ðêon “duwen, drukken”, en daarom is ʼt gewaagd voor onfr. be-thûwen “deprimere” een anderen grondvorm aan te nemen. Vgl. buiten het Germ. ier. toll “hol” (*tuq-slo-) gr. tukos “beitel”, obg. -tŭknąti, -tykati “stooten” en zie nog dweil. Het Ags. levert moeilijke vormen op, die gewoonlijk hiermee gecombineerd worden: ðŷwan, als simplex speciaal “berispen, bestraffen”, deelw. mv. geðêwde “gekweld”, praet. âþêwde “hij verjoeg”. Als deze vormen werkelijk met duwen verwant zijn, moeten wij gramm. wechsel χ(w) : (ʒ)w aannemen en dus van idg. tū̆q- uitgaan. Onfr. bethûwen zou dan desnoods ook germ. (ʒ)w kunnen hebben. Vgl. duig.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

duwen o.w., Mnl. id., Onfra. thûwen, Os. thûhian + Ohd. dûhen, Ags. đéon: voor de verhouding tot dwingen, z. dol 1; geen verband met verduwen.

duwen o.w., Mnl. id., Onfra. thûwen, Os. thûhian + Ohd. dûhen, Ags. đéon: voor de verhouding tot dwingen, z. dol 1; geen verband met verduwen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

duie (ww.) duwen, knuffelen; Middelnederlands duwen <1288> < Aokens deuen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

duwen ‘door drukking voortbewegen’ -> Fries dowe ‘een duw geven’; Engels † dow ‘drukken, knijpen, wringen’; Negerhollands dou ‘drukken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

duwen* door drukking voortbewegen 1285 [CG Rijmb.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1719. (Op)dokken,

d.w.z. betalen, geld geven; vgl. ook afdokken, dat eveneens betalen, afschuiven beteekent (Ndl. Wdb. I, 909; Jord. 260), waarnaast eertijds ook uitdokken en overdokken voorkwam. Het wkw. dokken vermeldt Kiliaen met de beteekenis dare, cito dare, promere (voor den dag halen) naast opdocken, dare, promere; de eigenlijke beteekenis is die van slaan, kloppen, duwen, stooten (in dezen zin in Zuid-Nederland nog zeer gewoon), syn. van het Zuidndl. botten, doppen en het eng. to stump (up), to stump the pewter, dat ook in den zin van betalen voorkomt, zoodat geld dokken eigenlijk zal beteekenen geld van zich afstooten (vgl. Kil. cito dare), afschuiven, geven. In de 17de eeuw is (op)dokken reeds vrij gewoon; zie o.a. Kluchtspel III, 19; Winschooten, 45; Sewel, 595; Halma, 456; Harreb. III, 52 a; Ndl. Wdb. XI, 451; III, 2752; Villiers, 92. In Zuid-Nederland is (af)dokken in den zin van betalen nog bekend (Waasch Idiot. 180 a; Teirl. 335; Antw. Idiot. 127; 335) naast doppen, botten (Waasch Idiot. 140 a; Teirl. 360) en opbotteren (Waasch Idiot. 816), die alle drie eveneens eig. slaan, duwen, stooten beteekenen. Zie Tijdschr. XXXVI, 61 vlgg.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut