Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dutten - (suffen; kort slapen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dutten ww. ‘suffen; kort slapen’
Vnnl. dutten ‘kort slapen’ in dat ick hier vin een hutte, ... daer mach ick gaen sitten dutten [ca. 1599; WNT], ‘suffen, soezen’ in Ick gae hier alleen droomen en dutten als een verlaten Wees-kint [1634; WNT].
Over het algemeen wordt nnl. dutten identiek gesteld aan mnl. dutten ‘razen’. De betekenisontwikkeling zou dan zijn gegaan van ‘razen’ > ‘buiten zinnen zijn’ > ‘bewusteloos zijn’ > ‘suffen’. De vraag is of het wel om hetzelfde werkwoord gaat, want het bn. duttich ‘slaperig’ en het zn. duttinge ‘het versuffen’ komen al voor in 1469 [MNW]. Een tweede werkwoord dutten is evenwel helemaal niet te verklaren.
Als dit woord identiek is met mnl. dutten ‘razen’, dan zijn verwant ohd. dozōn ‘tekeergaan’, diozan ‘luid klinken’; oe. þēotan, þutan ‘brullen’; on. þjóta ‘huilen, razen’; < pgm. *þeutan- ‘razen’.
De verdere verwantschap van de Germaanse wortel *þeutan- is onduidelijk. Misschien stamt zij van de klanknabootsende wortel pie. *tu-, *tutu- (IEW 1097) die ook verschijnt in Grieks toutis ‘merel’, tuto ‘uil’ en Litouws tūtúoti ‘schreeuwen; blazen (op blaasinstrument)’. Anderen denken aan de wortel *teu- ‘aanzwellen’ (IEW 1080) of aan verwantschap met Latijn tundere; Sanskrit tudami ‘stoten’.
Het genoemde mnl. dutten ‘razen’ komt voor in Hi wart van sinnen ende verwoet, dat hi so raesde ende dutte ‘Hij raakte van zinnen en door het dolle heen, zodat hij raasde en tierde’ [1450-1500; MNW] en in By den doot, hoe begost hy daer te dutten! ‘... wat begon hij me daar te tieren’ [voor 1596; WNT]; dit werkwoord is verwant met mnl. dieten ‘ruisen, loeien, brullen’ [1370; MNW], doten ‘razen’ [ca. 1370; MNW].
dut(je) ‘korte slaap’. Vnnl. dut ‘korte slaap’ [1613; WNT]; nnl. dutje ‘slaapje’ [1827; WNT]. Afleiding van het werkwoord dutten.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dutten* [suffen, soezen] {1460 in de betekenis ‘razen, krankzinnig zijn, ijlhoofdig zijn’; de betekenis ‘suffen’ 1642; de betekenis ‘soezen’ 1726} middelnederduits vordutten [buiten bezinning raken], middelhoogduits vertutzen [bedwelmd worden] (hoogduits verdutzt), middelengels dotie [seniel zijn]; buiten dit beperkte gebied zijn geen verwanten aan te wijzen. De etymologie is onbekend, al mag men aannemen dat er verband bestaat met duizelen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dutten ww., mnl. dutten ‘razen, woeden’, ook Kiliaen dutten, doten ‘delirare’. De nnl. betekenis wijkt daarvan sterk af, maar er zijn wel overgangen aan te wijzen zoals mnd. vordutten ‘in verwarring, buiten bezinning geraken of brengen’, mhd. vertutzen ‘bedwelmd worden’, me. doten, ne. dote ‘suffen’, nijsl. dotta ‘van vermoeienis sluimeren’. — Daarnaast staan vormen als: mnl. dodderen, fries dodsje ‘dutten’, drents dodden ‘soezen’, oostfri. duddern, dudden ‘bedwelmd, doezelig zijn’ (vgl. ofri. dudslek ‘slag waarvan men duizelt’), ne. dial. dother ‘schudden, beven’, dudder ‘verwarren’, dodder ‘sidderen, wankelen’, ne. dodder ‘trilgras’ en oe. dyderian ‘bedriegen’ (zie: bedotten). — Het is bezwaarlijk voor dit zo beperkt voorkomende ww. hogerop aanknopingen te vinden; het is althans ten nauwste met duizelen verbonden, maar de idg. wt. *dheu̯es laat zich toch niet verder analyseren (IEW 268). Men zal hier in belangrijke mate moeten aannemen, dat binnen het westgerm. talrijke nieuwe formaties ontstaan zijn mogelijk aansluitend aan reeds bestaande woorden van het type duizelen; daarop wijst ook de wisseling van tt : dd, die van affectieve aard zal zijn.

Daarom is het niet aan te bevelen, met W. de Vries, Ts. 34, 1915, 7 de vormen met -d- met het woord dood 1 te verbinden (zo ook v. Haeringen, Suppl. 41).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dutten ww. Mnl. dutten = “razen, doen als een waanzinnige”, evenzoo Kil. dutten, doten “delirare”. De nnl. bet., wellicht van ouds fri.-holl., herinnert aan die van mnd. vordutten “in verwarring, buiten bezinning geraken of brengen”, mhd. vertutzen “bedwelmd worden”, meng. doten, eng. to dote “suffen”, nijsl. dotta “knikkebollen”; vgl. verder oostfri. dudde(r)n “bedwelmd, doezelig zijn”, ofri. dudslêk m. “slag waarvan men duizelt, ronddraait”, ags. dyd(e)rian “bedriegen’’ (vgl. bedotten), eng. dial. to dodder “wankelen, trillen”, to dudder “rillen, trillen”. Voor de bett. vgl. duizelen, waarmee deze woorden hoogerop verwant zijn: idg. wortel dhū̆-. De verhouding tusschen de t- en d- vormen is niet volkomen klaar. Germ. tt kan uit idg. tn, dhn zijn ontstaan, maar daarmee zijn de vormen met enkele t niet verklaard; trouwens bij een woordfamilie van een dergel. vorm en bet. moeten wij een voortdurende beïnvloeding van de vormen onderling en van beteekenisverwante woorden veronderstellen. Vgl. in dat opzicht de klankverwante groep van dot.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dutten. W. de Vries Tschr. 34, 7 acht mogelijk dat de vormen met -d- (vgl. behalve de genoemde nog fri. dod(de) ‘dut’, dodsje ‘dutten, dommelen’, dr. dodden ‘soezen’) bij de groep van dood I behooren. Het is evenwel beter ze van dutten niet te scheiden: wisseling van -tt- en -dd- is in een woordgroep als deze niet verwonderlijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dut m., verbaalabstr. van dutten, Mnl. id. + Eng. to dote, IJsl. dotta, Mhd. tuzen: z. bedotten en dot.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dutten* suffen, soezen 1642 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1190. De klop is (of staat) er op,

d.w.z. zij is acht en twintig jaar, waarvoor ook gezegd wordt de dut is er op (Draaijer, 9; V. Schothorst, 122) of zij is gedut; zij komt op de klompenmarkt zitten (Harreb. I, 417). Vroeger, tot op het midden der 19de eeuw (1846), bestond een zilveren munt, ter waarde van ƒ1.40, een achtentwintiger of goudgulden, zilveren florijn of zilveren gulden genoemd. Tot waarmerk was hier een stempel, een klop of een dut, op geslagen, die de goede van de te lichte (26 stuivers) onderscheidde.Ook de schellingen moesten sedert 1693 van een stempel (een pijl- bundel) voorzien zijn, en werden dan klopschellingen genoemd. In Friesland luidt de zegswijze ook de klop stiet er op; in Groningen eveneens de klop is t'er op, waarvoor men ook wel zegt 't is een oude achtentwintig (Sewel 43; Molema, 207). Zie Harrebomée III, LXXXIX; Onze Volkstaal III, 93; De Cock2, 145; Volkskunde XVI, 109. Vgl. ook hij is boven den tik, boven de vijftig jaren, ontleend aan 't jassen-forceeën, waar men bij 't halen van 50 oogen, een tik geeft (Harreb. III, CXXXII).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut