Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

durven - (wagen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

durven ww. ‘wagen’
Mnl. dorven, durven ‘hoeven’, bijna altijd in combinatie met ‘niet’: den si og nit clagen ne dorfte ‘want ze hoefde (had) niet te klagen’ [1200; CG II, Servas], ganse ne darftu níít vermiden ‘je moet dat helemaal niet vermijden’ [1253; CG II, Gez.reg.], ook als onpersoonlijk werkwoord in om hen ne darf v niewent roken ‘om hen hoeft u zich niet te bekommeren, aan hen hoeft u zich niets gelegen te laten liggen’ [1260-80; CG II, Wr.Rag.]; nnl. durven (naast: dorven) ‘nodig hebben, behoeven’ en ‘durven’ [begin 16e eeuw; WNT]. Daarnaast bestond een onregelmatig werkwoord dorren, durren ‘durven’: onl. (3e pers. mv.) durren [1100; Will.].
In durven zijn twee Middelnederlandse woorden samengekomen: durven/dorven ‘nodig hebben’ en durren/dorren ‘wagen’, zie Van Loey I, par. 65 resp. 64. Deze konden met elkaar verward worden omdat beide dezelfde verleden-tijd-vorm hadden: dorven had dorfte en dorste (deze labiaalloze vorm is wrsch. beïnloed door analoge vormen bij enkele andere preterito-presentia, bijv. moeste, wiste enz.); dorren had dorste. Het resultaat in het Nederlands is de vorm van het eerste woord met de betekenis van het tweede, al komt dorst ‘durfde’ nog steeds voor.
Met dorven, durven corresponderen os. thurvan ‘nodig hebben’; ohd. durfan ‘nodig hebben’ (nhd. bedürfen); ofri. thur(v)a, thora ‘nodig hebben’; oe. þurfan ‘nodig hebben’; got. þaurban ‘nodig hebben’. Geen van deze infinitieven is oorspr.; ze zijn na het pgm. gevormd. In het pgm. was dit een preterito-presens, ofwel een werkwoord waarvan de verleden-tijdsvormen *þarf (ev.) en *þurb- (mv.) dienden als tegenwoordige tijd: ‘ik heb nodig, wij hebben nodig’. De nieuwe infinitief gebruikt de klinker van het meervoud. Ook dorren, durren is een preterito-presens: op basis van pgm. *dars, *durz- (vgl. got. (ga)dars ‘ik durf’, (ga)daursum ‘wij durven’) werd een gelijkaardige nieuwe infinitief gemaakt, vgl. os. (gi)durran; ohd. (gi)turren; oe. durran ‘durven’ (ne. dare).
De eerste vorm is misschien verwant met Grieks térpō ‘ik verzadig’; Sanskrit trpyati, tarpati (vroeger: trpnóti) ‘wordt bevredigd’, Tochaars A, Tochaars B tsarw- ‘zich verheugen’; Litouws tarpà ‘voorspoed’, Oudpruisisch enterpo ‘baat’ < pie. *terp- (IEW 1077). De exacte ontwikkeling van de betekenis van ‘zich verzadigen, genieten’ naar ‘nodig hebben’ is echter niet duidelijk. De vorm dorren moet behoren bij een wortel pie. *dhers- ‘durven, dapper zijn’ (IEW 259), waarbij bijv. Grieks thársos ‘durf’.
De oorspr. betekenis van dorven komt nog voor tot in de 17e eeuw [WNT], zoals in Daerom dorft ghy U niet verwonderen ‘daarom hoeft u zich niet te verwonderen’. Het enige spoor in het hedendaagse Nederlands is het woord → nooddruft. De bovengenoemde verwarring in het Middelnederlands tussen dorven en dorren kan geïllustreerd worden met een zin uit de ‘Rose’ [ca. 1300]. In twee verschillende handschriften bestaan de varianten Hine darf u getrauwen niet en hine dar u betrauwen niet ‘Hij durft u niet te vertrouwen’. De gelijkluidende verleden tijd en het geringe klankverschil in de andere vormen hebben ertoe geleid dat beide werkwoorden zijn samengevallen in betekenis, waarna dorren, durren uit de standaardtaal is verdwenen.
durf zn. ‘eigenschap iets te wagen’. Nnl. durf [1806-07; WNT kinderachtig]. Recente afleiding bij durven.. ♦ durfal zn. ‘vermetel persoon’. Nnl. durfal ‘die alles durft ondernemen’ [1872; Dale]. Afleiding van durven.
Lit.: H.A. Jongeboer (1985) Im Irrgarten der Modalität. Ein Kapitel aus der deutschen Grammatik. Groningen

EWN: durven ww. 'wagen' (1200)
ANTEDATERING: onl. thurvan 'mogen' in: Ir ne thurfent is ug niêt ge menden 'jullie mogen je er niet over verheugen' [1150-1200; ONW]
EWN: ♦ durfal zn. 'vermetel persoon' (1872)
ANTEDATERING: durfal "die alles durft ondernemen" [1801; Weiland]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

durven* [wagen] {dorven, durven [oorspr. behoeven, nodig hebben] 1200} middelnederduits dorven, derven, middelhoogduits durfen, dürfen (hoogduits dürfen [behoeven], dürftig [behoeftig]), gotisch þaurban; doordat de oude vorm van de verl. tijd dorste luidde, gelijk aan die van dorren [durven], nam het ww. de betekenis van dorren over, vgl. grieks tharsos [moed], oudindisch dhṛṣnóti [hij durft].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dorren ww., vooral verdorren, mnl. dorren, os. thorron, ohd. dorrēn, ode. torre is afgeleid van dor, evenals on. þorna, got. gaþaursnan, waarnaast abl. gaþairsan. — oi. tarsáyati ‘hij laat dorst lijden’, lat. torreō ‘droog maken, roosteren’, gr. térsomai ‘droog worden’.

durven ww. ‘nodig hebben, moeten’, later ook ‘durven, wagen’. Hier zijn twee ww. samengevallen en wel 1. mnl. dorven ‘nodig hebben, moeten’, waarvoor zie: derven en 2. mnl. dorren; de reden der vermenging is gelegen in de gelijke vorm dorste van de verl. t. — Het ww. dorren is bovendien ook een praeterito-praesens: mnl. dar, os. gi-dar, ohd. gi-tar, oe. dear, dearr, got. ga-dars (vgl. ook fri. dur, dor) ‘ik waag, durf’. De got. vorm wijst op grondvormen *dars : darz < *idg. *dhers. — oi. dhṛṣṇoti ‘waagt’, dhṛṣṭa ‘stout, vermetel’, gr. thérsos ‘moed’, lat. infestus ‘vijandig’, lit. dręsù ‘waag’, drąsùs, lett. drùošs (< *dhrons) ‘moedig’, misschien ook toch. A tsär ‘ruw’, tsraṣi ‘sterk’, Β tsirauñe ‘kracht’ (IEW 259).

Naast dorren vinden wij mnl. dōren, dueren, mnd. doren ‘wagen, durven’, waarvan in de dial. nog verschillende reflexen zijn te vinden: stadfri. deure (Woudstreken) doare, doarre, (Hindelopen) dūəre, (Groningen, Drente) ‘duren’. — Het is opmerkelijk, dat dit ww. in het Noordgerm. ontbreekt, waar een sterk gelijkend woord þora voorkomt, waarvan de etymologie niet zeker is (AEW 617).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

durven ww. Mnl. dorven beteekent “noodig hebben, moeten”, in den loop van de M.E. ook reeds “durven, wagen”. Over dorven “noodig hebben, moeten”, praes. ic darf vgl. derven. De bet. “durven” kwam ospr. aan mnl. dorren toe, dat in den verleden tijd met dorven samenviel (dorste) en geleidelijk hierdoor verdrongen werd. Dit dorren is ook een praeteritopraesens: (ic) dar = ohd. gi-tar, os. gi-dar, (ofri. dûr, dôr), ags. dear(r), got. ga-dars, “ik waag, durf”. Oorspr. had dit ww. gramm. wechsel: rs : rz, uit rz wgerm. rr. Vgl. buiten het Germ.: gr. thrasús “vermetel”, thársos, thrásos, thérsos “moed”, oi. dhṛṣṇóti “hij is vermetel, waagt’, genasaleerd: lit. dręsù, drį̃sti “wagen”, drąsùs “moedig, vermetel”. Ook obg. drŭzŭ, “vermetel”, drŭzati “vermetel zijn” behoorden ospr. hierbij, maar zijn (onder invloed van andere woorden?) van hun klankwettigen vorm afgeweken; zeer onzeker is een voor deze e. a. woorden aangenomen klankwet, volgens welke slav. z uit s onder zekere klank- en accentcondities ontstaan zou zijn. Mnl. dōren, dueren, ndl. dial. deuren (o.a. stadfri. deure; daarnaast fri. oost. Woudstreken doare, doarre, Hindel. ere; vgl. de ofri. vormen), mnd. dōren “wagen, durven” mag van mnl. dorren niet gescheiden worden; ʼt heeft met on. þora “durven” niets te maken.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

durven. Bij de dial. vormen, aan het eind van het art. genoemd, verdient nog vermelding de vorm duren (Gron. Veenkol., Dr., Eemsl.), die moeilijker te verklaren is dan deuren, maar evenmin als dit laatste van mnl. dorren enz. gescheiden kan worden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dorren o.w. (wagen), Mnl. dorren, Os. durran + Ohd. turran (Mhd. türren, Nhd. durren), Ags. dyrran (Eng. to dare), Go. daursan + Skr. wrt. dharṣati = durven, Gr. tharseĩn = stout zijn, Lat. fortis = sterk, Lit. drĩsti: Idg. wrt. dhers. Niet hierbij Ofri. thura, On. þora.

durven o.w., Mnl. dorven, Os. thurƀan + Ohd. durfan (Mhd. en Nhd. dürfen), Ags. đurfan, Ofri. thurva, On. þurfa, Go. þaurban, is praeteritopraes. van derven (z.d.w.). De bet. zijn: 1. ontberen, 2. noodig hebben, 3. moeten, 4. wagen. Nevens imp. dorfte ontstond dor(f)ste dat samenviel met imp. dorste van dorren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

dörve (ww.) durven; Vreugmiddelnederlands dorven <1200>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

durven ‘wagen’ -> Javindo durref ‘wagen’; Negerhollands derv, dėfo ‘wagen’; Papiaments dùrf ‘wagen’; Sranantongo dorfu, dùrf ‘wagen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

durven* wagen 1568 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut