Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

durk - (hoosgat)

Etymologische (standaard)werken

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

durk znw. m. ‘hoosgat’, naast dork, oudste vermelding duerck 1532, maar in Theutonista 1477 dorrick (v. d. Meulen, Ts. 73, 1955, 96), fri. durk ‘sentina’, dithm. durk ‘deuk’, staat in abl. met got. þairko ‘gat’. Men verbindt het woord met door.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

door voorz. en bijw., dial. dōr(ə), dȫr(ə), mnl. dōre, dȫre. = onfr. thuro, ohd. dur(u)h (nhd. durch), os. thuru(h), ofri. thruch, ags. ðurh (eng. through “door”, thorough “geheel en al”), met ablaut got. þaírh “door”. Resp. idg. *ter-qe (*tṛ-qe) en *ter-qe, vgl. vooral oi. tiraccâ bijw. voorz. “dwars, schuin, dwars door” uit *teros-qê, tiráḥ “door” = ier. tar “trans”. Een ander voorz. van deze basis is lat. trans “over, naar den anderen kant,” wsch. uit *trā̆nts deelw. nom. enk. van -trâre. Al deze woorden bij een idg. wortel ter- “door of over iets heen gaan”, vgl. vooral oi. tárati, tiráti, titarti, tîryati, tarute “hij steekt over, maakt door, overwint” en zie verder bij draaien en darm. Andere germ. afll. van deze basis met χ-formans zijn ohd. durchil, ags. ðȳ̆rel “doorboord, met gaten”, ags. ðȳ̆rel znw. o. “gat”, ohd. dërh “doorboord”. Got. þaírko v. “gat” en het daarmee ablautende ndl. durk ”pompzode, hoosgat, vergaderplaats van vuil in een schip” (Kil.: durck, dorck’ “sentina”), Teuth. dorrick, mnd. dork, fri. durk “sentina”, dithm. durk “deuk (in een hoed, metalen pan enz.)”, mnl. durken, dorken “wegkruipen, zich verschuilen” kunnen hoogerop verwant zijn en formantisch met gr. trōg- in trṓgō “ik knaag”, trṓglē “holte” vergeleken worden (onzekere combinatie).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

durk m. (hoosgat), Teuth. dorrick + Ndd. dork, Fri. durk, Zw. durk, De. dork, Go. met abl. þairho = hol + Gr. trṓglē = holte: een afl. met gutt. van den wortel van door.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dork, durk ‘(verouderd) deel van het schip waar zich het kielwater verzamelt’ -> Deens dørk ‘bodem van schip’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors dørk ‘bodem van schip’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds durk ‘bodem van schip, het ruim’ (uit Nederlands of Nederduits).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut