Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dupliceren - (kopiëren; wederantwoorden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dupliceren ww. ‘afschrijven; op een repliek antwoorden’
Mnl. duplickierde (pret.) ‘antwoordde in tweede instantie’ [1436; MNW vorestelle]; vnnl. dupliceren ‘van dupliek dienen’: omme by geschrifte te repliceren ende te dupliceren ‘om schriftelijk te antwoorden en van dupliek te dienen’ [1545; WNT], dupliceren “dubbelen” [1577; Werve], dupliceren “dubbelen, tweevout maken” [1650; WNT].
Gevormd op basis van Frans dupliquier ‘een dupliek maken’ [1289; TLF] (zoals → domesticeren van Frans domestiquer) < Latijn duplicāre ‘verdubbelen’, een afleiding van het bn. duplex ‘dubbel, tweevoudig’, zelf weer een afleiding van duplus ‘dubbel’, zie → dubbel.
Frans dupliquier krijgt pas in 1968 (Robert) de betekenis ‘een kopie van een document maken’, een betekenis die het Nieuwnederlands veel eerder ontwikkelde.
duplicaat zn. ‘dubbel exemplaar’. Vnnl. duplicaet ‘afschrift van een stuk’ [1657; WNT]; nnl. Duplicaat “het dubbeld” [1777; Meijer], mogelijk via Frans duplicata ‘tweede exemplaar van een oorkonde’ [1511; Rey] of direct uit Latijn duplicata (littera) ‘verdubbelde brief, oorkonde’, het verl.deelw. van duplicāre ‘verdubbelen’. ♦ dupliek zn. ‘antwoord op repliek’. Mnl. duplike ‘antwoord op repliek’ [1411; MNHWS]; vnnl. duplijcke “een tweevoudighmakinghe” [1577; Werve], duplijcke ‘tweede repliek’ [1625; WNT]. Ontleend aan Frans duplique ‘id.’ [1525; TLF], afleiding van het werkwoord dupliquer.

EWN: dupliceren ww. 'afschrijven; op een repliek antwoorden' (1436)
ANTEDATERING: doet haer dupliceren 'doet haar verdubbelen' [1351; MNW-P, Liber Magistri Avicenne]
EWN: ♦ duplicaat zn. 'dubbel exemplaar' (1657)
ANTEDATERING: duplicaeten vande voors. brieven [1594; Duyck 1, 504]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dupliceren [wederantwoorden, herhalen] {duplice(e)ren [afschrijven, kopiëren, van dupliek dienen] 1451-1454} < latijn duplicare [verdubbelen], van duplex (2e nv. duplicis) [tweevoudig].

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

dupliceren (Latijn duplicare)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dupliceren ‘een duplicaat maken’ -> Indonesisch (men)duplisir ‘verdubbelen’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal