Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dukdalf - (zware paal in het water om schepen aan vast te leggen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dukdalf zn. ‘zware paal in het water om schepen aan vast te leggen’
Vnnl. Duckdalf: Een hooft van zware palen in 't water geslagen, daer men schepen aen belegt, en vast maekt, 't geen zijn naem behout van den Hertogh van Alva ..., die insgelijcks hart en onverzettelijk was, als dit paelwerk [1671; WNT]. Hetzelfde woord komt ook voor als aanduiding voor de hertog van Alva en in de betekenis ‘wreed tiran’: die my voor een tyran, voor een beul, voor een Ducdalf uitschelden [1731-35; WNT].
Over het algemeen wordt aangenomen dat het woord (zoals ook in het citaat uit 1671 wordt gesuggereerd) teruggaat op Frans duc d'Albe ‘hertog van Alva’ (met duc < Latijn dux ‘aanvoerder’, leider, afleiding van het werkwoord dūcere ‘leiden, voeren’ → conducteur). Het woord moet dan na 1567 (de benoeming van de hertog tot landvoogd) in het koningsgetrouwe Amsterdam zijn ontstaan, maar in elk geval voor 1581, het jaartal van een vindplaats mnd. dükdalben (nhd. Duckdalbe) in Emden, waar de Watergeuzen een basis hadden. De uitgang -f moet in dat geval zijn ontstaan n.a.v. de Nederlandse uitspraak Alv(a). Als alternatief zou men voor het eerste lid een verband met het werkwoord → duiken kunnen aannemen en voor het tweede lid dol in de betekenis ‘paal’ (Kluge), waarbij de -f echter onverklaard blijft.
Lit.: Sanders 1993, 73-74

EWN: dukdalf zn. 'zware paal in het water om schepen aan vast te leggen' (1671)
ANTEDATERING: binnen de DucDalven [1634; iWNT razeil]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dukdalf [zware meerpaal] {1671} volgens de gebruikelijke etymologie is het een verbastering van Duc d'Albe [Hertog van Alva], een benaming die zou zijn opgekomen in het koningsgetrouwe Amsterdam; maar in Oost-Friesland komt al in 1581 dukdalle voor, ook dukdalfe, met de meervoudsvorm dückdalben, fries dukdalve (mv.). Het accent pleit ervoor, dat het woord volksetymologisch is vervormd uit een ander woord, waarvan het eerste lid zou kunnen zijn middelnederlands docke, doc [klos, blok, scheepsdok] (of mogelijk dik?), en het tweede delfijn, dolfijn [meerpaal], vgl. engels dolphin [één van beide handvatten, ogen, op oude kanonnen], zo genoemd naar een gelijkenis met het zeezoogdier.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dukdalf znw. m., eerst na Kiliaen, oostfri. dūkdalle, zelden dūkdalfe, fri. dūkdalve. — > nhd. duckdalbe.

Volgens L. Darmstädter, Handb. zur Gesch. der Technik 1908, 91 zou in het jaar 1568, nadat de hertog van Alva in de Nederlanden aangekomen was, in het koningsgetrouwe Amsterdam de naam duc Dalba in gebruik zijn gekomen voor palengroepen, die voor het meren van schepen in de haven ingeheid werden. Het is dan wel opmerkelijk, dat reeds in 1581 dükdalben in Emden voorkomt (naar A. Lasch bij v. Haeringen, Suppl. 41). — Mogelijk is een reïnterpretatie van een ouder woord, maar daarvoor zijn geen aanwijzingen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dukdalf znw., nog niet bij Kil. = oostfri. dûkdalle, zelden dukdalfe, mecklenb. dükdalben mv., fri. dûkdálve mv. “dukdalf, -ven.” Wsch. uit duc d’Alba, duc d’Alve ontstaan (of hiernaar volksetymologisch vervormd?). Daarop wijst ook ’t accent.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dukdalf. Reeds 1581 (meded. Prof. Ag. Lasch) komt dükdalben (ü̂?) te Emden voor.
Indien het woord niet uit duc dʼAlba, duc dʼAlve ontstaan, maar daarnaar vervormd is, kan het ospr. een samenst. zijn geweest met de stam van duiken als 1e lid.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dukdalf m., + Ndd. dükdalben: het woord is, blijkens de Oostfri. vormen dikdolle en dukdalle, wellicht een volksetym. vervorming van een samenst. met dijk of duiken en dol 2 dat nog in ’t Skand. bet. boom.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

dijkdalf, dikdalf, diekdalf zn.: stootpaal bij brug of steiger, dukdalf. Door volksetymologische associatie met dijk < dukdalf, vgl. dijkdelve ‘dijksloot’ (WNT). Ook D. Duckdalbe, dat gewoonlijk verklaard wordt uit Fr. duc d’Albe ‘hertog van Alva’. Maar nooit is een semantisch verband tussen de hertog van Alva en die palen aangetoond. Vermoedelijk is de vorm volksetymologisch. Kluge-Seebold verklaart het woord uit dallen ‘palen’ en ducken ‘bukken, duiken’, dus ‘in de rivierbodem ingedoken palen’.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

dukdalf (Frans duc d’Alve?)

E. Sanders (1993), Eponiemenwoordenboek: Woorden die teruggaan op historische personen, Amsterdam

dukdalf, zware meerpaal, wreed tiran
De herkomst van het woord dukdalf houdt taalkundigen al eeuwen bezig.Grofweg zijn er twee groepen te onderscheiden: zij die menen dat het woord is afgeleid van de eigennaam Duc d’Albe, de hertog van Alva, en zij die menen dat dit niet zo is. Om de zaken te vereenvoudigen: binnen de verschillende stromingen is bijna niemand het met een ander eens.
De onduidelijkheid gaat heel ver terug. Ferdinand Alvarez de Toledo, de hertog van Alva, leefde van 1507 tot 1582. Honderd jaar later, in 1681, schreef Wigardus Winschooten: ‘Dukdalf, een gebroken woord, dog seer bekend in deese Nederlanden, als hebbende de naam van dien wreeden bloedhond Duc de Alba, Gouveneur van deese Landen.’
Het probleem had hiermee in één keer opgelost kunnen zijn, maar Winschooten voegde eraan toe : ‘Of de Amsterdamse dukdalven [...] haar naam daar van hebben, zoude ik niet derven voor vast iemand toezeggen, immers, dat is zeeker, dat de Schepen die zig daar aan koomen te stooten, groot ongemak koomen te lijden, en meenigmaal in de grond geboord sijn ; niet anders als die Luiden, die zig tegen den Duc de Alba eertijds gekant hebben.’
Aanhangers van de theorie dat de dukdalf zo is genoemd naar de hertog zijn het oneens over het waarom.
Er zijn in de loop der tijd de volgende verklaringen gegeven: 1. de hertog was even hard en onverzettelijk als de dukdalf; 2. de meerpaal werd door de hertog uitgevonden of ingevoerd; 3. de scheepstrossen worden zo strak om de dukdalf aangesnoerd dat men er graag de hals van de IJzeren Hertog zelf in zag; 4. door de beweging van het water lijkt de paal voortdurend te duiken en ook Alva ontliep de strijd wel eens; en 5. de meerpaal werd naar Alva genoemd om hem te vernederen. Immers, op een afstand gezien hebben de palen ‘eenigzins de gedaante van een mager menschenhoofd, dat uit een Spaanschen mantel steekt, terwijl de Ducdalven ondertusschen voorwerpen zijn, die met geene achting behandeld en geheel niet ontzien worden.’
De tegenstanders, en daartoe behoren de meeste moderne etymologen, wijzen erop dat het woord dukdalle of dukdalfe al sinds 1581 in Oost-Friesland voorkomt. Dus lang voordat voor het eerst werd beweerd dat Amsterdammers de meerpaal, om welke reden dan ook, naar de hertog noemden. Nee, het woord zou zijn vervormd uit docke (scheepsdok) en delfijn (meerpaal). Maar zoals gezegd, ook over deze uitleg bestaat onenigheid.
Het is daarom een troost dat dukdalf vroeger nog een andere betekenis had, onomstreden afgeleid van de naam van de hertog. Het kon ook ‘wreed tiran’ betekenen. Zo schreef Justus van Effen in 1731 door’een party wyven’ te zijn uitgemaakt ‘voor een tyran, voor een beul, voor een Ducdalf’.
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dukdalf ‘zware meerpaal’ -> Duits Duckdalbe, Dalbe ‘ingeheide groep palen voor het vastmaken van schepen in havens’; Deens † duc d'albe ‘ingeheide groep palen voor het vastmaken van schepen in havens’; Zweeds dykdalb ‘zware meerpaal’; Frans duc-d'Albe ‘zware meerpaal’; Pools dalba ‘zware meerpaal’ ; Esperanto dukdalbo ‘zware meerpaal’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dukdalf zware meerpaal 1671 [Toll.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal