Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

duizend - (1000)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

duizend telw. ‘1000’
Onl. *thūsundi in o.a. Actoetus chunde (lees Actoe tuschunde) ‘achtduizend’ [8e eeuw; LS], thusint ‘duizend’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. dusent [1240; Bern.].
Os. (afleiding) thūsundig ‘duizend’; ohd. dūsunt (nhd. tausend); ofri. thūsend (nfri. tûzen); oe. þūsend (ne. thousand); on. þúsund; got. þūsundi; < pgm. *þūsundi- ‘duizend’.
Verwanten verschijnen alleen in de Baltische en Slavische talen, zoals Oudpruisisch tusimtons (accusatief mv.); Oudlitouws tustanti (Litouws túkstantis; Lets tūkstotis, tukstoš); Oudkerkslavisch tysęšti, tysǫsti (Russisch tysjača). De wortel pgm. *þūsundi- kan ontstaan zijn uit *þūs-hundi-, wat iets als ‘groot honderd’ zou moeten betekenen en dan moeten behoren bij een onduidelijke wortel *tus- ‘groot’ en de wortel voor → honderd. Een andere mogelijkheid is dat *þūsundi- een afleiding met pie. *-nt bij diezelfde wortel *tus- vormt. In beide gevallen bestaan er klankwettige moeilijkheden. Daarom dient men wrsch. uit te gaan van pie. *tut-snt-ih2 ‘wat een grote hoeveelheid vormt’ > pgm. *þu(t)sundi-. Dit is een afleiding met de nultrap van de wortel *(e)s- ‘zijn’ (vgl. bijv. Latijn ab-s-entia) samen met pie. *teuH- ‘groot, sterk’. In het pgm. is dan -ts- tot -ss- geassimileerd, waarna -ss- werd gereduceerd na een lange klinker.
Lit.: W.J.J. Pijnenburg (1988) ‘De etymologie van elf en van duizend’, in: Mededelingenblad van de vereniging van Oudgermanisten 1988/2, 20-21. W. Pijnenburg (1989) ‘Eine germanisch-baltoslawische Isoglosse’, in: Hist. Sprachf. 102, 99-106

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

duizend* [10 maal 100] {oudnederlands thusint 901-1000, middelnederlands dusent} oudsaksisch thusundig, oudhoogduits thusunt, dusunt, oudfries thusend, oudengels ðusend, oudnoors þúsund, gotisch þusundi; het woord is samengesteld uit een eerste lid, dat we tegenkomen in oudindisch tavas- [krachtig] en latijn tumēre [zwellen], en een tweede lid honderd; de betekenis is dus: grote honderd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

duizend telw., mnl. dûsent, os. thūsind, thūsundig, ohd. dūsunt (mhd. tūsent, nhd. tausend), ofri. thūsend, oe. ðūsend, on. þūsund, got. þūsundi. Germ. grondvorm *þūs-hundi, waarvan het 2de deel honderd (vgl. on. þūs-hundra en salisch-frank. þūs-chunde ‘1200’). Het 1ste lid þūs is te vergelijken met oi. tavas ‘sterk’, dat tot de groep van dij behoort; het woord betekent dus ‘groot-honderd’.

Dezelfde formatie ook in balto-slavisch: osl. tysęšta, lit. túkstantis, lett. tũkstuots (IEW 1083, niet met FW 142 als aan het Germ. ontleend te beschouwen). Het woord is een nieuwe formatie in het Germ.-Balto-Slavisch tegenover het oude oi. sa-hasra, gr. ion. cheílioi, att. chī́lioi, lat. mille (* < smī-ĝheslī ‘duizendtal’), vgl. IEW 902. — Een taalkaart over dit woord geeft J. van Ginneken, Taaltuin 2, 1933-4, 380-2, waaruit blijkt, dat de vorm met ui speciaal Hollands is; elders steeds vormen met uu en oe. Verzwakking van de uitgang -end > -et leidde tot brab. duzet en vlaams duust.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

duizend telw., mnl. dûsent(d). = onfr. thûsint, ohd. thûsunt, dûsunt (nhd. tausend), os. thûsundig (-ig naar twêntig “20” enz.), ofri. thûsend, ags. ðûsend (eng. thousand), on. þûsund (znw. v.), got. þûsundi (znw. v.), “duizend”, ospr. een v. znw. *þûsunðiô-. De idg. stam *ĝheslo- “1000”, in lat. mille (*smî ĝzhlî), ion. kheílioi, (att. khī́lioi), lak. khḗlioi, lesb. khéllioi, oi. sa-hásra-, is uit het Germ. niet bekend. *þûsunðiô- is een jongere formatie, misschien een afl. van *þûs + *χunða-. Over *χunða- zie honderd, *þûs- heeft men wel bij oi. tavás- “sterk” gebracht, dat van de bij dij besproken basis komt; onzeker. Obg. tysęšta, tysąšta, lit. túkstantis, opr. tûsimtons “1000” zijn eer ontleend uit het Germ. dan oerverwant. In beide gevallen levert de vergelijking moeilijkheden op.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

duizend bijv., Mnl. dusent, Onfra. thûsint, Os. thûsind + Ohd. dûsunt (Mhd. tûsent, Nhd. tausend), Ags. đusend (Eng. thousand), Ofri. thúsend, On. þúsund (Zw. tusen[de], De. tusen), Go. þûsundi + Osl. tysasta (Ru. tysjača, Po. tysionc), Lit. túkstantis, Lett. tūhkstōts. Het 2e lid is hond van honderd (z.d.w.); het 1e *tus + Skr. tavas = krachtig; dus het geheel = het groote honderd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

doezend (telw.) duizend; Aajdnederlands thusundi <701-800>.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

duizend. Het telwoord duizend in vloeken kan een verbastering zijn van duivel. De naam van de heerser der hel sprak men niet graag uit. In de bastaardvloek wat of bij gans duizend! zie ik een verbastering van bij Gods duivel! Andere bastaardvloeken met duizend zijn o.a.: gans duisendt duickers, gans duizend pepernoot, gans duizend popelency, gans duizend sakrament, gans duizend schanden, gans duizend suikers, o duizend stuivers, pots duizend pocken. Het is evident dat duizend hier lang niet altijd een substituut hoeft te zijn voor duivel. Het kan ook ‘heel veel’, ‘talloos’ betekenen. Vaak fungeert het telwoord ook als niets meer dan een blasfemische verhaspelaar die een oorspronkelijk taboewoord onherkenbaar maakt. Bij S. van Rusting [1712] komt de bastaardvloek bij gants duizend papen wijven voor. Dat wij hier uit moeten gaan van een letterlijke betekenis ‘bij God en bij duizend vrouwen van parochiegeestelijken’ lijkt mij twijfelachtig. De verbinding doet veeleer dienst als een uitroep en drukt niets anders uit dan een ‘lekker bekkende’ emotie, bijvoorbeeld van verbazing, verwondering, ongeloof enz. Dezelfde functie heeft het telwoord in bij honderd duizend tonnen vol nikkers!, een bastaardvloek die voorkomt in De Onberaaden Minnaar [1713] van H. van Halmael. In de bastaardvloek bij hondert duizend krenten zie ik een verbastering van sacrament. Het telwoord legt hier weer een mistgordijn om het taboe. Overwogen kan ook worden dat hondert duizend een substituut is voor vijf. Vgl. bij gans vijf menten ‘bij Gods vijf sacramenten’. In duizend galgen vervangt duizend waarschijnlijk weer duivels. Hetzelfde mag wellicht gezegd worden van wat duizend françoysen.
Mogelijk gaat dat ook op voor duizend suikererwten; duizend luifels, duysend schanden en duysend pocken. Het telwoord duizend wordt regelmatig versterkt door honderd. Zo in honderd duizend schanden; honderd duizend duytsche duikers; honderd duizend françoysen. Ook in bastaardvloeken waarin de namen van munten voorkomen, treft men duizend veel aan: wat duizend daalderen; wat duizend fransche blanken. Als duizend echt als telwoord gebruikt wordt in vloeken, maakt het ook kenbaar hoe vaak de vloek geldt. Telwoorden geven de toegevoegde waarde aan. → boze, derde maat, droelie, droes, droeskop, drommel, drommelskop, drumpel, duiker, duin, duivekater, duivel, duiventer, Heintjeman, Heintje Pik, Joost, nikker, pestilentie, pikken, stuiver, vijand, wil.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

duizend ‘telwoord’ -> Negerhollands dusend, dysent ‘telwoord’; Berbice-Nederlands dwesu ‘telwoord’; Sranantongo dusun; duizend ‘telwoord’; Saramakkaans dúsu ‘telwoord’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

duizend* telwoord 0701-800 [Lex Salica]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

duizend bloemen moeten (laten) bloeien, verschillende (politieke) meningen moeten aan bod kunnen komen. Oorspronkelijk een maoïstische doctrine.

Kijk, ik zeg; zorg dat binnen het onderwijs duizend bloemen bloeien. Dat er een grote verscheidenheid en vrijheid is. Maar je komt wel eens op het punt, waarop je zegt: die duizend bloemen moeten natuurlijk wel blóeien. Dat zijn onze kwaliteitseisen. (Opzij, september 1992)
Kok heeft als uitgangspunt dat ‘duizend bloemen moeten bloeien’ en dat je lekker ‘chaotisch’ campagne dient te voeren. (Elsevier, 25/10/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

45. Acht is meer dan duizend.

Een schertsende woordspeling met het telwoord acht, in de beteekenis van zorgvuldige behartiging zijner zaken, b.v. goed acht slaan op zijn zaken is veel waard; Harreb. I, 9. Ook in het Nederduitsch komt deze zegswijze voor; zie Eckart, 4: Acht is mehr as Dûsend, Acht geben ist besser als Tausende besitzen; Ten Doornk. Koolm. I, 5 b; Taalgids IV, 241; Volgens Seiler, 177 beteekent het hd. Acht ist mehr als Tausend ‘Achtung bei den Menschen ist mehr wert als Geld’; in het Friesch zegt men: acht is mear as njuggen (negen); in Groningen: acht is meer as doezend (Molema, 81 a).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

tēu-, tǝu-, teu̯ǝ-, tu̯ō-, tū̆- ‘schwellen’, erweitert mit bh, g, k, l, m, n, r, s, t, teutā- ‘Menge Volkes’; t(e)uko- ‘Fett’, tū̆bhā ‘Erhöhung’, tū̆lo- ‘Wulst’, tumo- ‘dick’, tū̆ro- ‘stark, geschwollen’; tuskā- ‘Geschwulst’

Ai. tavīti ‘ist stark, hat Macht’, Perf. tūtāva; dazu tavás- ‘stark, kraftig’, als Subst. Akk. tavásam, Instr. tavásā ‘Kraft, Stärke’; távyas- távīyas- ‘stärker’, távasvant- ‘kräftig’, táviṣmant- ‘stark, mächtig’, taviṣá- ‘stark’, táviṣī f. ‘Kraft, Macht’; ablaut. tuvi- inKompositis ‘sehr, mächtig’, tuviṣṭama- ‘der stärkste’: tūya- ‘stark, geschwind’;
av. tav- ‘vermögen’, tavah- n. ‘Macht, Kraft’, tǝvīšī f. ‘Körperkraft’; ap. atāvayam ‘ich vermochte’, tunuvant- ‘mächtig’, tauvīyah- ‘stärker’ (: ai. távīyas-), tauman- n. ‘Vermögen, Kraft, Macht’;
arm. tiv ‘Zahl’; unsicher tup’ (*tū̆-pho-) ‘Dickicht, Gebüsch’;
gr. Τιτυός der Name des geilen Frevlers wider die Leto; ταΰς· μέγας, πολύς Hes. (*tǝu̯-ú-s), ταΰσας· μεγαλύνας, πλεονάσας Hes.; σάος (kypr. Σαϝοκλέϝης), Kompar. σαώτερος, kontrahiert ion. att. σῶς, σῶος ‘heil, unversehrt; sicher’ (aus *tu̯ǝ-u̯o-s); vgl. M. Leumann Gedenkschrift Kretschmer II 8 f.; dazu hom. σα(ϝ)όω, hom. att. σῴζω (*σωΐζω), Fut. σώσω ‘retten, erhalten’, σωτήρ ‘Retter’ usw.; (‘voll an Körper = gesund’); σῶμα n. ‘Leib’ (*tu̯ō-mṇ ‘Gedrungenes’), σωματόω ‘fest machen, verdichten’; σώ-φρων (*σαό-φρων) ‘gesund an Geist, vernünftig’; mit derselben Wurzelstufe noch σωρός, S. 1083;
lat. *toveō, -ēre ‘vollstopfen’ als Grundlage von tōmentum ‘Polsterung’ (*tou̯ementom) und tōtus ‘ganz’ (*tou̯etos ‘vollgestopft, kompakt’);
russ.-ksl. tyju, tyti ‘fett werden’, ablaut. serb. tȏv m. ‘Fettigkeit’.
1. bh-Erweiterung:
Lat. tūber, -eris n. ‘Höcker, Beule, Geschwulst, Knorren’; vgl. osk.-umbr. gloss. tūfera und ital. tar-tufo, -tufolo ‘terrae tuber’;
gr. τύφη ‘zum Ausstopfen von Polstern und Betten verwendete Pflanze’ (wohl ῡ);
vielleicht air. tūaimm ‘Hügel’ (*teubh-mṇ), mir. tom m. ‘Hügel, Busch’, cymr. tom f. ‘Hügel, Düngerhaufen’ (*tubh-mo-, -mā); cymr. tumon ‘la croupe’; auch ystum ‘Biegung’ aus *eks-teubh-mo-, anders oben S. 1034;
aisl. þūfa ‘Erhöhung in der Erde, Hügelchen’, obd. düppel ‘Beule, Geschwulst’.
Mit der Bed. ‘Büschel’: ags. ðūf m. ‘Laubbüschel, ein aus Federbüschen zusammengesetztes Banner’, geðūf ‘blätterreich, üppig’, ðūft ‘ein Platz voll von Büschen’, ðȳfel ‘Busch, Dickicht, blattreiche Pflanze’, ðūfian ‘sich belauben’; aus der Sprache germ. Soldaten stammt lat. tūfa ‘eine Art Helmbüschel’ (Vegetius).
2. g-Erweiterung:
Aisl. þoka ‘Nebel’, mnd. dak(e) (aus *doke) ds., aschwed. thukna ds., ags. ðuxian ‘dunkel machen’, as. thiustri, mnd. dǖster (daraus nhd. düster), ags. ðīestre ‘dunkel’ (*þeuχstria-).
3. k-Егweiterung: ‘schwellen; Fett’ (wie aksl. ty-ti ‘fett werden’):
Lat. tuccētum ‘eine Art Bauernwurst’, tucca ‘κατάλυμα ζωμοῦ’, umbr. toco ‘tuccas’ (gall. Lw.); aksl. tukъ ‘Fett’; ahd. dioh, ags. ðēoh ‘Schenkel’, aisl. þjō ‘der dicke Oberteil des Schenkels, Arschbacke’; engl. thigh; mir. tōn m., cymr. tin f. ‘podex’ (*tuknā?); lit. taukaĩ ‘Fett’, táukas ‘Fettstückchen’ und ‘uterus’, tunkù, tùkti ‘fett werden’, lett. tūkt ds., tūks ‘Geschwulst’, tàuks ‘fett, feist’, tàuki Pl. ‘Fett, Talg’, apr. taukis ‘Schmalz’; vgl. S. 1085 teuk- ‘Keim’ und den gr. PN Tεῦκρος.
4. l-Bildungen, z. T. als wurzelhaftes *tu̯-el- erscheinend:
Ai. tūlam ‘Rispe, Wedel, Büschel, Baumwolle’, tūlī̆- f. ‘Pinsel’, pāli tūla- n. ‘Grasbüschel’ usw.? vgl. Mayrhofer 1, 520;
gr. τύλη f., τύλος m. ‘Wulst, Schwiele, Buckel’, und ‘Pflock, Nagel, penis’; alb. tul’ m. ‘Fleischstück ohne Knochen, Wade’;
lat. tullius ‘Schwall, Guß’ (*tul-no- oder -so-); vielleicht auch Tullus, Tullius ursprüngl. Name für dicke, gedunsene Personen, falls nicht etruskisch;
ags. geðyll ‘Luftzug’ (?), aisl. fimbul-þul ‘ein mythischer Fluß’; aisl. þollr (*tul-no- oder -so-) ‘Baum, Pflock’, schwed. tull ‘Baumwipfel’, ags. ðoll m. ‘Ruderpflock’, mnd. dolle, dulle ds., nhd. Dolle ds. und ‘Krone eines Baumes, Blumenbüschel, Quaste, Helmbusch’, obd. Dollfuß ‘angeschwollener Fuß, Klumpfuß’, tirol. doll ‘dick’, mnd. westfäl. dülle ‘Beule’; vielleicht der germ. Inselname Θούλη;
apr. tūlan Adv. ‘viel’, lit. túlas ‘mancher’;
ksl. tylъ ‘Nacken’; auch aksl. *tlъstъ, russ. tólstyj usw. ‘dick’ (Nachahmung des Ausganges von slav. gǫstъ ‘dicht, dick’).
Eine Erweiterung mit balt. ž (idg. oder g̑h) ist lit. pa-tulžęs ‘aufgeschwollen’, lett. tulzums ‘Geschwulst’, tulzne ‘Brandblase, Blase’; lit. tulžìs ‘Galle’;
redupl. vielleicht lat. tutulus ‘hohe kegelförmige Haartracht, Toupet’; der pilleus lanātus der Flamines und Pontifices und lett. tuntulēt (auch tunturēt) ‘sich in viele Kleidungsstücke einhüllen’.
tu̯el-, tu̯el-: gr. allenfalls in σάλος n. ‘Wogenschwall, unruhige Bewegung (des Meeres)’, σαλεῖσθαι ‘hüpfen’, σαλεύω ‘schüttle, erschüttere; schwanke’, κονίσ-σαλος m. ‘Staubwirbel’; mir. tel und t(a)ul ‘Schildbuckel’, air. mir. telach, t(a)ulach ‘Hügel’, redupl. tuthle (*tu-tu̯el-) ‘Geschwulst’ (die u-Formen durch eine ähnliche Nachwirkung des Anlauts *tu̯- wie air. cruth aus *kr̥tu-); cymr. twlch ‘runde Masse, Hügel, Brustwarze’.
5. m-Ableitungen:
Ai. tū-tumá- ‘wirkungsvoll’, túmra- ‘kräftig, dick’, tumala-, tumula- ‘geräuschvoll, lärmend’, tumala-m ‘Lärm’ (‘*Schwall, das lärmende Durcheinander einer zusammengedrängten Menge’); av. *tuma- in Tumāspana- ‘von Tumāspa- (d. h. einem, dessen Rosse feist sind) stammend’; gr. korkyr. τῡμος “τύμβος”;
gr. τύμβος ‘Grabhügel, Erdhügel’ = mir. tomm m. ‘Hügel, Busch’, cymr. tom f. ‘Erdhügel, Düngerhaufen’, falls diese nicht aber aus *tubh-mo-, -mā- (oben S. 1080);
lat. tumeō, -ēre ‘geschwollen sein’, tumidus ‘geschwollen’, tumor ‘Geschwulst’, tumulus ‘Erdhaufen, Erdhügel’, tumultus ‘lärmende Unruhe, Getöse’;
cymr. twf ‘Kraft, Stärke’, tyfu ‘zunehmen, wachsen’ (*tŭm-), mbret. tiñva (*tūm-) ‘zusammenwachsen (von einer Wunde); gedeihen’;
aschwed. þumi m. ‘Daumen’, þum ‘Zoll’, aisl. þumall ‘Daumen’; ahd. dūmo, ags. ðūma ‘Daumen’, ðȳmel ‘Fingerhut’, mnd. dūmelinc, nhd. Däumling; mhd. doum ‘Zapfen, Pfropf’ (Bed. wie gr. τύλος);
lit. tumė́ti ‘dick werden, gerinnen’, tùm(s)tas ‘Haufe, Menge’, tùmulas m. ‘Stück’;
toch. В tumane, tmāne, A tmāṃ ‘10.000’.
6. n-Bildungen, z. Т. als wurzelhaftes *tu̯-en- erscheinend:
Frühnhd. tünne ‘Woge’, nd. düning, dünung ‘Wellen gegen die Windrichtung’; aber air. tonn, bret. usw. ton ‘Welle’ aus *tus-nā (S. 1084) oder *to-snā (S. 971 f.); nd. dūnen ‘schwellen’, mnd. dūn(e) ‘geschwollen, dicht’;
lit. tvį́stu, tvinaũ, tvìnti ‘anschwellen (vom Wasser)’, Kaus. tvìndau, -yti ‘anschwellen machen’ (mit Ablautentgleisung tvainýtis ‘buhlen’, wenn eig. ‘schwellen’), tvãnas ‘Flut’, tvanùs ‘leicht schwellend (vom Fluß)’, lett. tvans, tvana ‘Dampf, Dunst’.
Mit -nk-Erw.: lit. tviñkti ‘anschwellen, schwären’ = lett. tvīkt ‘Schwüle fühlen, vor Hitze schmachten’; lett. tvīcināt ‘schwül machen, durstig machen’, lit. tvìnkščioti ‘fühlbar schlagen (vom Puls)’, lit. tveñkti ‘schwellen machen’, tvañkas ‘Schwüle’, tvankùs ‘schwül’ (Ablautentgleisung in lett. tveicināt = tvīcināt und tvàiks ‘Dampf, Dunst, Schwüle’); mit t:lit. tùntas ‘Haufen, Menge’ = tùmtas, wozu vielleicht gr. τύντλος ‘Kot, Schlamm’ (als Rückstand einer Überschwemmung)?
Auf einem *tu̯-ēn : *tu̯en-ós, *tu̯n̥- “φαλλός” beruht gr. σάθη ‘penis’ (Bildung wie πόσ-θη : πεός), σαίνω ‘schwänzeln, schmeicheln’, σαῖνα, σάννιον “αἰδοῖον” Hes. (-νν- hypokoristische Doppelung); dazu σάννας “μωρός”, σαννίων ‘du Tor, du Narr’; auch wohl σανίς ‘Pfahl, Balken, Brett’.
7. r-Bildungen:
Ai. turá- in der Bed. ‘stark, reich’ (wozu tuvi- als Kompositionsform wie z. B. κῡδ-ρό-ς : κῡδι-άνειρα); aisl. þora ‘wagen’, þoran ‘Mut, Tüchtigkeit’, þori ‘Menge, Masse’;
gr. τί:-τυρος ‘Bock, Satyr’;
av. tūiri- n. ‘käsig gewordene Milch, Molke’; gr. σωρός ‘Haufen’ (*tu̯ō-ró-s), dazu ablaut. *tū-ro- in gr. τῡρός ‘Käse’, βού-τῡρον ‘Butter’; Zugehörigkeit auch von abg. tvarogъ ‘lac coagulatum’ als einer Hochstufenform ist gut möglich; vgl. tvorь ‘opus, Schöpfung’ unter tu̯er-2;
gr. Τῡρώ, eine Heroine, wohl eig. ‘die Strotzende, Schwellende’; auch illyr. PN Turo, Turus; ven. PN Turus, gall. VN Turones ‘Tours’, ON Turīcum ‘Zürich’; mir. PN Torna (*turoni̯os);
lat. *tūro-s, -m ‘geschwollen; Klumpen’ wird vorausgesetzt durch ob-, re-tūrō ‘verstopfe’; turgeō, -ēre ‘aufgeschwollen sein, strotzen’ vielleicht Ableitung von einem *tūr-igos ‘Schwellung treibend’, intrans. Gegenstück zur Klasse faktitiver Verba auf -(i)gāre; spätlat. turiō, turgiō (-gi- wohl nicht ursprüngl., sondern Ausdruck fur , oder Anlehnung an turgēre) ‘junger Zweig, Trieb, Sproß’;
7.a: das Wort für Stier: gr. ταῦρος, alb. tarok, lat. taurus, osk. ταυρομ, umbr. turuf, toru ‘tauros’, apr. tauris ‘Bison’, lit. taũras ds., aksl. turъ ‘Auerochs’ (Trautmann 315, Vasmer 3, 154), entweder aus idg. *tǝuro-s (vgl. ai. túm-ra- ‘strotzend’ als Beiname des Stieres), oder wegen des orientalischen Stierkultes mit ursemit. *tauru (arab. twr) zusammenhängend; gall. tarvos (mir. tarb, cymr. tarw), venet. ON Tarvisium, wohl nach kelt. carvos ‘Hirsch’ umgestaltet; aisl. þjōrr, ndl. dial. deur usw., sind nach aisl. stjōrr, ahd. stior umvokalisiert, deren Bedeutung wiederum von unserem Worte beeinflußt ist (s. oben idg. *steu-ro- S. 1010);
unsicher ags. ðēor ‘Entzündung’ (*tēu-ro- ‘*Geschwulst’?).
8. s-Bildungen, zusammenhängend mit dem es-St. ai. tavás-, av. tavah- usw.:
Das germ. und bsl. Wort für ‘tausend’: got. þūsundi f., ahd. thūsunt, dūsunt f. u. n., lex Salica thūschunde; as. thūsundig, thūsind, ags. ðūsend f. n., aisl. þūsund f., þūshund, þūshundraþ (germ. *þūs-hundi ‘vielhundert’, idg. *tūs-k̑m̥tī);
lit. túkstantis m., lett. tũkstuots, apr. tūsimtons (Akk. Pl.); daneben lit. *tū́kstas in tūkstàsis und túkstinis ‘tausendster’;
aksl. tysęšta, ablaut. tysǫšta f., russ. tysjača, skr. tȉsuća usw. (*tūsenti̯ā, *tūsonti̯ā);
mit der Bedeutung ‘Schwall, anschwellende Bewegung (auch seelisch), Auflauf, Tumult’ u. dgl.: aisl. þausk n., þausn f. ‘Lärm, Tumult’, þeysa, þysja ‘vorwärtsstürmen’, þys-s m. ‘Getümmel’, ahd. dōsōn ‘brausen, rauschen, lärmen’, nhd. tosen, aisl. þjōstr ‘Heftigkeit’, þȳstr ‘Zorn, Windstoß’, nisl. þusur f. Pl. ‘Heftigkeit, Unbeherrschtheit’, þusumaður ‘heftiger Mensch’, ags. ðyssa m. ‘Toser’, mægen-ðysse ‘violence, force’;
mit der Bedeutung ‘Schwellung eines Blütenstandes; Büschel; Haufen, Hügel’ usw.: gall. tuðos, tuððos ‘Schichte’? (*tus-to-, Loth RC 43, 165; anders - Lw. aus vlat. tōstus - Whatmough JC St. 1, 7 ff.), cymr. tusw m. ‘Bündel’ (*teus-t-u̯o-), bret. tossen, Vannes tosten ‘Hügel’ (*tus-tā), bret. tuchen ds. (*toust-i̯en); ob air. tūaimm ‘Hügel’ aus *teus-mṇ? anders oben 1.; ahd. dosto, tosto ‘Büschel, Troddel’ und ‘Origanum vulgare’ (nhd. Dost, Dosten), nhd. dostig ‘ausgebreitet, aufgedunsen’; ostfries. dūst ‘Troddel’, norw. tūst ‘Büschel, Haarzotte, Quaste’, tūsta ‘Büschel, Knoten, Bündel, Baum mit buschiger Krone’, isl. þūsta ‘Haufen, Masse’;
eventuell hierher ai. tūṣa- m. ‘Saum eines Gewandes’, falls ursprüngl. ‘Quasten’;
lett. tūska ‘Geschwulst’, tūsḱis ‘Wassersucht’; tušḱis ‘Wisch, kleines Bündel’ (könnten auchsk-Ableitungen neben lett. tûkt ‘schwellen’ sein); nhd. Dosche ‘Busch, Dolde, Krauthaupt, Blumenstrauß, Quaste’;
ein *tu̯os-ti- oder *tu̯ǝs-ti- vielleicht in got. ga-þwastjan ‘stark, fest, sicher machen’, þwastiþa ‘Sicherheit’, isl. þvest, þvesti n. ‘die festen Teile des Fleisches’.
9. t-Ableitung teutā ‘(Menge) Volk, Land’; teutono-s ‘Landesherr’:
Illyr. PN Τέυτα, Teutana, Teuticus, Τεύταρος; messap. PN θeotoria, Gen. θeotorras; thrak. PN Tauto-medes; osk. τωτο, touto, umbr. Akk. totam ‘civitas’; gall. GN Teutates (*teuto-tatis ‘Landesvater’ zu tata, oben S. 1056), jünger Toutates, Tōtates, Tūtates, PN Teutiō, Toutius, Tūtius, Toutonos;
air. tūath ‘Volk, Stamm, Land’, cymr. tūd ‘Land’, corn. tus, mbret. tut, nbret. tud ‘die Leute’;
got. þiuda, ahd. diot(a) ‘Volk’, as. thiod(a), ags. ðéod, aisl. þjōð ‘Volk, Leute’, wovon ahd. diutisc, nhd. deutsch (ursprünglich ‘zum eigenem Stamm oder Volk gehörig’, Weissgerber Deutsch als Volksname 1953, 261) und ahd. diuten ‘verständlich machen (gleichsam verdeutschen), erklären, deuten’, ags. geþīedan ‘übersetzen’, aisl. þȳða ‘ausdeuten, bedeuten’; germ. VN *Theu-danōz, keltisiert Teutonī, Toutonī, zum dän. ON Thyte-sysæl; got. þiudans ‘König’ (*teutonos), aisl. þjōðann, ags. ðéoden, as. thiodan ds. (illyr. PN Teutana, gall. Toutonos);
lett. tàuta ‘Volk’, apr. tauto ‘Land’, lit. Tautà ‘Oberland, Deutschland’, altlit. (Daukša) tautà ‘Volk’;
hitt. tuzzi- ‘Herr, Heerlager’ (*tut-ti-?).

WP. I 706 ff., WH. II 650 ff., 712 f., 714, 715 f., 718 f., 721, Trautmann 314 f., 331 f., Vasmer 3, 149, 154, 160 f., 161 f.; Krahe Sprache u. Vorzeit 65 ff., Mayrhofer 1, 490, 513 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal