Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

duizelen - (draaierig worden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

duizelen ww. ‘draaierig worden’
Mnl. duselen, tuselen ‘tuimelen’ in De gone viel neder in dat sant; hi tuselde so [1350; MNW], Hi was verduselt so sere,... dat hi op sine bene niet en konde staen ‘hij was zo duizelig dat hij niet op zijn benen kon staan’ [1420; MNW]; vnnl. duselen ‘duizelen’; nnl. Hy tuimelde op dien slag reets duislende uit den zadel [1710; WNT], duizelende waanzinnigheid [1826; WNT].
Wrsch. een frequentatief bij duizen ‘duizelig zijn’ [1628; WNT]; hierbij horen ook → beduusd, → dizzy, → does 2.
Nhd. duseln ‘dromen, suffen’. Daarnaast niet-frequentatieve afleidingen bij dezelfde wortel, zoals mnl. dosich ‘duizelig’ (zie → does 2); mnd. dūsich ‘duizelig’; ohd. tusig ‘dom’; ofri. dusia ‘duizelig zijn’; oe. dȳsig ‘dwaas’ (ne. dizzy, zie → dizzy); on. dúsa ‘suffen’; < pgm. *dūs- ‘duizelen’.
De vormen zouden behoren bij pie. *dheus-, *dhus- ‘stuiven, wervelen’ (IEW 261, 268), een uitbreiding met -s van de wortel pie. *dheu- ‘stuiven, wervelen’ (IEW 261).
De betekenisverschuiving van ‘tuimelen’ naar ‘duizelen’ komt ook voor bij Duits taumeln, dat beide betekenissen heeft. Vanaf de 19e eeuw wordt duizelen ook onpersoonlijk gebruikt: het duizelt me.
duizelig bn. ‘draaierig in het hoofd’. Mnl. doesich ‘duizelig’ [1265-70; CG II, Lut.K]. Afleiding met het achtervoegsel → -ig van duizelen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

duizelen* [draaierig worden] {duselen [duizelen, tuimelen] 1301-1400} een iteratiefvorm van een niet in het middelnl. overgeleverd woord, vgl. oostfries dusen [draaien, duizelen], oudnoors dúsa [zich kalm houden], middelnederduits dusich [duizelig], engels to doze (< scandinavisch). Afleidingen zijn middelnederlands dosich [bedwelmd], duizelig, beduusd; verwant met doezelen, dwaas.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

duizelen ww., mnl. dûselen, duyselen ‘duizelen, tuimelen’, iteratief bij *dūsen, vgl. oostfri. dūsen ‘draaien, duizelen’, on. dūsa ‘uitrusten, zich kalm houden’ (nnoorw. dial. dūsa, ‘sluimeren, doezelen’) en daarvan afgeleid nl. duysich (Kiliaen) ‘bedwelmd’, mnd. dūsich ‘duizelig, bedwelmd’ en nl. beduusd, oostfri., gron. bedūsd ‘bedwelmd, van streek’. Daarnaast abl. mnl. dōsich, dȫsich ‘bedwelmd, duizelig’, mnd. dōsich ‘waanzinnig’, oe. dysig (ne. dizzy) ‘dwaas’. — Zie: dwaas en doezelen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

duizelen, duizelig ww., bnw. Kil. duyselen, duysigh, mnl. dûselen, waarvan verdûselt “verdoofd, bedwelmd”. Vgl. ndl. (ook dial., o.a. noordholl., en geld.) beduusd, oostfri. gron. bedûsd “bedwelmd, van streek”, oostfri. dusen “draaien, duizelen”, dus(s)elig “duizelig, slaperig, bedwelmd”, mnd. dûsich “bedwelmd, duizelig”, on. dûsa “zich kalm houden”, zw. dial. dûsa “sluimeren”. Met. ospr. ŭ: mnl. dōsich (dȫsich) “bedwelmd, duizelig” (zoowel de vorm met ö als met ȫ komen dial. nog voor), ohd. tusîg “dom”, mnd. dōsich “waanzinnig”, ags. dysig “dwaas” (eng. dizzy), ofri. dusia “duizelig zijn”. [Met oorspr. au brengt men hierbij mhd. tôre (nhd. tor), mnl. mnd. dôr(e) m. “dwaas”; wellicht echter heeft dit niet r < z, maar oude r: vgl. on. dûra “slapen”: ðū̆r- en ðū̆s- zijn hoogerop verwant.] Aan al deze woorden ligt de grondbet. van bedwelming ten grondslag. Een andere beteekenis vertoonen: mhd. tûsen “lawaai maken”, ouder de. duse “fuiven”. Al deze woorden komen van den bij dier besproken wortel dhewes, dhū̆s- “hijgen, blazen, ademen”, zie ook dwaas en doezelig.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

duizelen ono.w., Mnl. duselen + Hgd. duseln, verder Ohd. tusig, Ags. dysig (Eng. dizzy): voor de verhouding tot dwaas, z. dol 1 en door 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

duzele (ww.) duizelen; Middelnederlands duselen <1350>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Duizelen, van den Germ. wt. dus, Idg. dhus, dhwes = versuft zijn, verdoofd van geest. Verwant zijn: dwaas en bedeesd. Vgl. de volkstaal: beduusd.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

duizelen* draaierig worden 1301-1400 [HWS]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut