Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

duivel - (Satan, boze geest)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

duivel zn. ‘Satan, boze geest’
Onl. diobol, diabol ‘Satan’ [eind 8e eeuw; CG II, Utrechtse Doopbelofte]; mnl. duuel ‘Satan’ [1220-40: CG II, Aiol], diuel ‘id.’ [1265-70; CG II, Lut.K], duvele (mv.) ‘duivels, monsters’ [1276-1300; CG II, Nat.Bl.M], dievel ‘Lucifer, Satan’ [1285; CG II, Rijmb.], duyvel ‘id.’ [1415-35; MNW-R]; vnnl. vrou Venus die duyvelinne ‘vrouwe Venus de duivelin’ [1544; MNW-R].
Ontleend aan Latijn diabolus < Grieks diábolos ‘belasteraar, duivel’, van het werkwoord diabállein ‘omgooien, (be)lasteren’, gevormd uit → dia- ‘uiteen, dwars’ en bállein ‘werpen’, zie → ballistiek; Grieks diábolos is een leenvertaling van Hebreeuws sātān, letterlijk ‘lasteraar, aanklager’. Het woord is een van de eerste christelijke ontleningen in het Germaans. Zie ook → diabolo.
Os. diuval (mnd. düvel), ohd. tiuval, tioval (nhd. Teufel); ofri. diovel (nfri. duvel, divel), oe. dēofol, dīofol (ne. devil, Schots-Engels deil), on. djöfull (nzw. djävul); got. (rechtstreeks ontleend aan het Grieks) diabaulus, diabulus.
In de sterk Oudengels gekleurde Utrechtse Doopbelofte (eind 8e eeuw), die teruggaat op een Northumbrische tekst, komen de vormen diobol- ‘duivels-’ dioboles ‘van de duivel’, diobolae (mv.) ‘duivels’ en diabolae (mv.) ‘duivels’ voor. De -ia-spelling is Latijnse invloed. De vormen beantwoorden aan oe. (Northumbrisch) dīofol, dīafol (ook met -b- gespeld), naast gewoon oe. dēofol. Oudfries heeft eveneens -io-; een vorm met -io- moet ook Westnederlands zijn geweest, getuige mnl. (Vlaams) diefel. Oostelijker vormen vertonen veelal -iu-, denkelijk door invloed van het suffix -il, dat in de plaats kwam van -ol naar analogie van angil ‘engel’. Een oostelijke vorm is de algemene vorm in het Nederlands geworden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

duivel [het kwaad als persoon] {duvel, dievel 1220-1240} oudsaksisch diuƀel, oudhoogduits tiuval, oudfries diovel, oudengels diofol < (chr.) latijn diabolus < grieks diabolos [belasteraar], van het ww. diaballein [lasteren, belasteren]; de duivel was oorspronkelijk een lid van de hemelraad met de taak de wereld te doorkruisen en het kwaad van de mensen aan te geven; vgl. voor de betekenis Satan.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

duivel znw. m., mnl. dūvel, dievel, os. diuƀal, ohd. tiuval, tioval (nhd. teufel), ofri. diovel, oe. diofol, deofol, on. djǫfull. — Het woord is een ontlening aan lat. diabulus < gr. diábolos ‘lasteraar’ en is nog voor de duitse klankverschuiving door de ariaanse Gotenmissie naar Zuid-Duitsland gebracht. Hier werd nu het woord vervormd tot *diuvulus (Frings, Donum natalicium Schrijnen 1929, 486-7 meent onder invloed van tiuf ‘diep’) en zo ontstond de vorm, die zich vandaar over het gehele Germaanse taalgebied verbreidde.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

duivel znw., mnl. dûvel, dievel m. (vgl. duitsch : dietsch), welke laatste vorm ook bij Kil. voorkomt. = ohd. tiuval, tioval (nhd. teufel, mhd. ook tievel), os. diuƀal, ofri. diôvel m., ags. dîofol, dêofol m. o. (eng. devil), wgerm. *deuƀala-, *diuƀala-. Een vroege ontleening uit gr.-lat. diabolus “duivel” (vgl. engel). Het vocalisme, vooral de iu, is opvallend en niet voldoende verklaard. Misschien mag de ndd.-ndl. iu door ontl. uit het Opperdu. verklaard worden. Er is geen voldoende grond om ʼt opperdu. woord weer uit ʼt Got. af te leiden; evenmin bij engel. Begrijpelijker vormen zijn got. diabaúlus, on. djǫfull m. “duivel”. Een oud germ. woord voor “booze geest, duivel” was got. unhulþa m., unhulþo v., ohd. unholda v., os. unholdo, ags. unholda m., een gesubstantiveerd bnw.: “de onvriendelijke, boos gezinde”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

duivel. De ohd. iu is wel aan invloed van ohd. tiuf ‘diep’ toegeschreven (bijgedachte aan de hel): Frings Donum Schrijnen 486 vlg. Van het opperdu. gebied uit kan zich dan deze diphthong, zoals in het art. verondersteld, over het ndd. ndl. gebied hebben verbreid.
De als mhd. vermelde vorm tievel is al ohd., evenals jonger tief naast tiuf.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

duivel m., Mnl. duvel, Os. diuƀal, gelijk Ohd. tiuval (Mhd. tiufel, Nhd. teufel), Ags. déofol (Eng. devil), Ofri. dióvel, On. djǫfull (Zw. djäfvul, De. djævel), Go. diabaulus, en de Rom. woorden, uit Gr.-Lat. diabolum (-us) = lasteraar, van Gr. diabállein = tusschenwerpen, beschuldigen, lasteren, gevormd met diá = tusschen en bállein = werpen. Ndl. en Hgd. moesten ie vertoonen, zooals Mnl. dievel, Mhd. tievel ook hebben; de oude ia, waaruit de te verwachten ie werd iu (modern. ui) door labialisatie door de volgende v.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

duvel (zn.) duivel; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) duvel, Aajdnederlands diobol <776-800>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

duiwel: – (wsk. eufem.) duwel – , vgl. ook derduiwel/derduwel; Ndl. duivel (Mnl. duvel/dievel, by Kil dievel/duyvel/duvel), Hd. teufel, Eng. devil berus almal op vroeë ontln. aan Lat. diabolus, Gr. diabolos, “lasteraar; duiwel” (deur kerstening en kerkt. in Germ. opgeneem).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Duiwel snw. Segsw.: ’n Duiwel om te werk, loop, ry, ens. , d.w.s. uitmunt in ’n bepaalde ding. Vgl. Malherbe 100: Anglisisme? – Teirlinck I, 381: “Duvel..., iemand die uitmunt door slechte of goede hoedanigheden. ’t Es nen duvel om te werken.” met verwysing na De Bo, Corn. en Vervl., en Joos.
Segsw.: As jy dink jy het ’n engel by die kop, dan het jy ’n duiwel aan die stert, jy kan jou maklik in ’n ander (vernaamlik ’n vrou) bedrieg. – Uit Nederland ken ek die spreekwyse in verskillende vorme: Tuinman I, 179: “Menig meent dat hy onsen lieven Heer by ’t hoofd heeft, en hy heeft den Duivel by de voeten.”Harreb. I, 162: Als ge meent, den engel bij de voeten te hebben, houdt ge den duivel bij den kop. Joos, Schatten 87: Hij meende ons Heer bij de teenen (of ’nen engel bij de hand) te hebben, en had ’nen duivel bij den kop.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

duivel: verachtelijk persoon. Vooral in de vorm lelijke duivel. Reeds opgetekend bij Bredero: ‘Gy leelijcke duyvel, wel wat sal jou ghebreecken? Fy gy bulle-back!’

Luister eens, jij jonge duivel. Hoe heb je de kapitein zo gek gekregen, dat-ie ons met zijn motorsloep laat vertrekken? (Willy van der Heide, Een speurtocht door Noord-Afrika, 1952)
‘Jij was een duivel toen, Theodor,’ zegt Saskia nu. (Theodor Holman, Een lekker leven, 1986)

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

duivel (Latijn diabolus)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Duivel, kwade geest; (fig.) het kwaad; (fig.) slecht, verdorven persoon.

Duivel is een vroege ontlening, via het Latijn, uit Grieks diabolos 'lasteraar, aanklager'. In de bijbel komt het gepersonifieerde kwaad vrijwel alleen in het Nieuwe Testament onder deze naam voor; enkele van de vele andere benamingen zijn de antichrist, Beëlzebul, de boze, onreine geest, de satan. De duivel als universeel symbool van het kwaad heeft in het volksgeloof een belangrijke plaats ingenomen, wat zich uit in de vele samenstellingen en uitdrukkingen met duivel, die niet in rechtstreeks verband met een bijbeltekst staan. Ook in verwensingen en scheldnamen speelt het woord een rol. Daarin is niet zelden de oude vorm duvel bewaard. Dievel, eveneens een oude klankvariant die we nog bij Maerlant vinden is geheel uit het algemene Nederlands verdwenen.
Een van de bekendste bijbelverhalen waarin de duivel figureert is dat waarin hij Jezus in de woestijn probeert te verleiden. Jezus heeft zich veertig dagen en nachten in de woestijn teruggetrokken om te vasten, als de duivel verschijnt. 'Vervolgens nam de duivel hem mee naar de heilige stad en zette hem op het hoogste punt van de tempel. Hij zei tegen hem: "Als u de Zoon van God bent, spring dan naar beneden" (Matteüs 4:5-6, NBV).

Rijmbijbel (1271), v. 22212-16. .xl. nachte. ende .xl. daghe. / Vasti dans ghene saghe. / Dar naer ghinc hem hongher an. / Die duuel ward gheware dan. / Om hem te proeuene quam hi bet naer. (Veertig nachten en veertig dagen vastte hij, werkelijk waar. Daarna werd hij door honger bevangen. De duivel merkte dit. Om hem op de proef te stellen kwam hij naderbij.)
De Falklandeilanden. 'Dit zijn miserabele eilanden, iedere dag storm, zelfs de duivel zou er niet willen wonen.' Een gemiddelde notitie in een logboek. (Waterkampioen, 1992, nr. 24)

Van of door de duivel bezeten, krankzinnig; verdorven, slecht.

De evangeliën vertellen ook van genezingen van mensen die krankzinnig zijn omdat de duivel bezit van hen heeft genomen. Waar de Statenvertaling nog van de duivel bezeten (persoon) schrijft, heet zo'n patiënt in de jongere vertalingen bezeten: 'Terwijl ze het huis weer verlieten, bracht men iemand bij hem die bezeten was en niet kon spreken. Nadat de demon was uitgedreven, begon de stomme te spreken' (Matteüs 9:32-33, NBV). Zie ook Beëlzebul en Bezeten(e). Het door de duivel bezeten zijn is al een oud begrip dat ook buiten de bijbel gvormd kan zijn.

Rijmbijbel (1271), v. 22888-92. Ende doe hi ouer quam te hant. / Jn der sarrasinen land. / [...] / Quamen ieghen hem si tve. / Die metten dieuel waren beseten. (En toen hij [Jezus] vervolgens aan de overkant kwam, in het land der Saracenen, [...] kwamen hem twee mensen tegemoet die door de duivel waren bezeten.
Als politieman was hij steeds bij nacht en duisternis op de baan, steeds in kontakt met door de duivel bezeten schurken, anarchisten, bandieten ... hoeren en jonge hete wijven. (De Tijd, 19-11-1976)
Hij fietste als door de duivel bezeten en hoopte in de Staatsbossen een veilig heenkomen te vinden. Zijn vrouw was lid van de NSB en hij sympatiseerde er mee. (Meppeler Courant, apr. 1995)

Duivelskunstenaar, tovenaar, beoefenaar van de zwarte kunst; (fig.) uiterst handig persoon, iemand die het schijnbaar onmogelijke voor elkaar krijgt.

De oudtestamentische duivelskunstenaar hoort tot de minder betrouwbare categorie van waarzeggers, tovenaars en andere figuren die met ondoorzichtige vaardigheden hun brood verdienen. In de vorige eeuw was deze betekenis nog gewoon; nu verstaan wij onder duivelskunstenaar iemand die alles klaarspeelt, weliswaar op een even onbegrijpelijke, maar toch niet onsympathieke manier.

Statenvertaling (1637), Jesaja 8:19. Vraeht de waerseggers, ende duyvelsconstenaers, die daer piepen, ende binnen 'smonts mompelen.
Maar hij [de president van Polen, Walesa] heeft ook zijn sterke momenten: de duivelskunstenaar bereikte een akkoord met zijn oude achterban, de vakbond Solidariteit. (De Standaard, nov. 1995)
Na weer een reorganisatie op het Stadskantoor kreeg Voogd de verantwoordelijkheid over een afdeling die veel meer doet dan alleen het beheer van het groen. Hij kreeg te maken met riolering, wegen en water, parkeren, havenfaciliteiten, openbare verlichting. 'Je moet een duivelskunstenaar zijn om daarmee allemaal om te gaan.' (Meppeler Courant, okt. 1995)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

duivel. Het Nederlandse woord duivel is ontstaan uit het Griekse diabolos, dat ‘lasteraar’ betekent. In de Middeleeuwen was viant ‘vijand’ vaak de naam voor duivel. Daarnaast komen voor satan ‘vijand’ en Lucifer, de opperduivel. In vroeger eeuwen, toen engelen, vagevuur, hemel en hel nog een vitale rol speelden in het dagelijkse leven van de mensen, is de verwensing wat duivel, loop naar de duivel! van een hoog vernietigingsgehalte. In de 17de eeuw komen de volgende twee verwensingen voor: iemand voor de duivel op Marken wenschen! en dat die de duvel haal en voer die op een kar na Bremen! De betekenis van beide is ‘hoepel op’. Vgl. Stoett (1943: nr. 1431). De verwensing de duivel hale mij! of de duvels mogen mij halen! of oppakken! zijn zelfverwensingen; men moet ze aanvullen met als niet ... Zij komen in het zuiden van het taalgebied nog steeds voor. Hedendaags zijn ook de duivel zij vervloekt, de duivel zij gedankt! Tegenwoordig betekent de vloek niet veel meer dan ‘maak dat je wegkomt’. Overigens kwam in het oudere Nederlands in dezelfde betekenis ook loop voor de duivel! voor.
Terloops wijs ik er hier op dat vooral in het wat oudere Nederlands werkwoorden voorkomen als boggeren en diabelen, die letterlijk betekenen ‘telkens verduiveld, donders zeggen’. De herkomst uit het Frans is duidelijk (bougre en diable). Beide wijzen op het gebruik als platte vloeken.
In het Middelnederlands komen de volgende verwensingen met duivel voor: die duivel hebst deel ‘de duivel zij vervloekt’; dies moet die duvel hebben deel ‘hiervoor moet de duivel vervloekt zijn’; dies hebbe die duvel deel; de duvel wouts; die duvel moets wouden; des moeste die duvel wouden; des moeste die duvel wouden ‘moge de duivel dit willen’; de duivel zij gedankt, vervloekt, verduiveld; Ic woudse de duvel moeste halen ‘ik zou willen dat de duivel hen haalde’; de duvel haal de pry ‘dat de duivel dat kreng hale’; de duvel haalje; die duvel moet di henen dragen ‘moge de duivel je wegvoeren’; die duvel moet U geleiden; hi ga daerne di duivel gheleet ‘laat hij daarheen gaan waarheen de duivel hem leidt’; nu vaer in der duyvelen hant ‘kom nu maar in de macht van de duivel’; de duvel schende U ‘laat de duivel je maar in het verderf storten’ en die helse duvel moet U den hals breken ‘de duivel uit de hel moge je hals breken’.
In de tweede helft van de Middeleeuwen appelleert de kerk steeds meer aan de persoonlijke emoties van de mensen. Steeds meer ruimte werd er geboden aan persoonlijke geloofsbeleving en verbeelding. Die persoonlijke devotie draaide om de zorg voor het zielenheil, om de hoop op verlossing na de dood en om de afweer tegen het kwaad, d.w.z. de duivel. Het gebed was de eenvoudigste vorm van devotie en had een magische, bezwerende kracht. Bidden hielp als middel tegen het kwaad, het hielp in angstige situaties, bij onweer of bij de dreiging van geweld. Het was van belang om uit de klauwen van het kwaad en in de invloedssfeer van het goede te blijven. Maar hoe deed je dat bij een duivel die zich in vele gedaanten kon vermommen? Hij kon afzichtelijk zijn, maar hij kon ook een menselijke gedaante kiezen, zoals de eenogige Moenen die Mariken, een meisje uit Nijmegen, verleidde. Er was een gemoedelijker type, de kleine ondergeschikte duivel, wiens zorg het was kleine zonden te verzamelen. De duivel kon zelfs de gedaante aannemen van de Moeder Gods om mensen in verwarring te brengen (Nijsten 1994: 21-33).
De duivel, Satan, is in de bijbel de tegenwerker van Gods heilsplan, maar ook de vijand van de mens. Sinds Satan door God vanwege zijn hoogmoed uit de hemel gestoten werd, hebben de duivels zich voortdurend ingespannen om de mensen, die hun plaatsen in de hemel konden gaan innemen, tot zonden te bewegen (Resoort 1980: 7).
Ook op het gebruik van het woord duivel rustte een taboe. Niet alleen omdat het gebruik ervan de toehoorders kon beledigen, maar vooral ook omdat het volksgeloof ervan uitging dat de duivel bij aanroepen ook daadwerkelijk kwam. Dat neemt niet weg dat als mensen aan een soort zelfreiniging willen doen, als zij zich emotioneel willen ontladen, zij moeten kiezen uit twee mogelijkheden. Mogelijkheid één is ervoor te kiezen om maatschappelijk niet al te zeer te choqueren; men respecteert de normen van de samenleving, men gebruikt eufemismen of substituties voor het taboewoord en men ontlaadt zich dus minder heftig. Mogelijkheid twee is, maling hebben aan die samenleving en het taboe volledig doorbreken, dysfemismen gebruiken, choqueren, zichzelf volledig ontladen en sancties op de koop toenemen.
Roep je de duivel aan, dan loop je zeer grote risico’s. Zo’n aanroep kon leiden tot een verbond met die duivel. Toen de godsdienst nog niet het kerkhof van de wetenschap was, was er de gelovige mens veel aan gelegen om de duivel buiten de deur te houden. Nam de mens bij exclamaties toch zijn toevlucht tot het gebruik van dat woord, dan zien wij vooral verbasteringen en substituties. Volgens de Grote van Dale (1999) komen in het hedendaags Nederlands ook nog de volgende vloeken en verwensingen voor: loop naar de duivel, de duivel hale je, naar de duivel, kom hier voor de duivel, wat duivel!, wie duivel zou daar komen? Verschueren (1996) kent ook nog de verwensing wel alle duivels! en wat te duivel is me dat nou! Beide drukken ergernis en woede uit. In het West-Brabants komt nu nog voor bij den duvel en zijn ouwe moer! Hedendaags is in Vlaanderen, maar ook in Zeeland, in het Twentse Deurningen, in Beverwijk, Leiden, Noordwijkerhout, Sittard, in Leeuwarden en in Grouw krijg de duivel voor je nieuwejaar! Ik vat nieuwejaar hier op als ‘nieuwjaarsgeschenk, nieuwjaarsfooi’. De emotionele betekenis van die vloek drukt niets anders als verachting uit. Dat geldt ook voor loop naar de duivel en loop geen heilige omver! en loop naar de duivel om een kruisje!, twee verwensingen die alleen in Vlaanderen voorkomen. Vgl. Mullebrouck (1984). Ook noteerde ik het archaïsche de duivel vaart u in ’t harte! Voor mijn taalgevoel komt in het actieve taalgebruik alleen nog loop naar de duivel! frequent voor. Ook het tussenvoegsel duivels! is nog zeer productief om boosheid, ergernis e.d. uit te drukken. De Baere (1940: 137-143) heeft kunnen vaststellen dat de uitroep duyvel (met als varianten duivel en duvel) reeds in de 14de eeuw voorkwam, maar vooral daarna niet zeldzaam was. → boze, Bremen, derde maat, droelie, droes, droeskop, drommel, drommelskop, drumpel, duiker, duin, duivekater, duiventer, duizend, halen, flikker, Heintjeman, Heintje Pik, Joost, lopen, Marken, nikker, ontploffen, opeten, pestilentie, pikken, pokken, popelsie, sterven, stikken, vijand.

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Duivel, mnl. duvel; uit het lat. diabolus reeds zeer vroeg in het germ, overgenomen, zooals blijkt uit onze d naast hgd. t (Teufel). De ui in plaats van ie kan ontstaan zijn door den invloed van den germ. wortel dub, duf = duiken, verwant met ons diep (hgd. tief), daar de volksetymologie in den naam kon zien: hellegeest of de in de diepte (der hel) wonende.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Duivel is door invloed der Goten (nadat ze Christenen waren geworden) gevormd uit het Lat. diabolus, den naam van Satan (Got. diabaulus).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

duivel ‘het kwaad als persoon’ -> Zuid-Afrikaans-Engels duiwel ‘het kwaad als persoon’ ; Negerhollands duvel, dibǝl, dievel ‘het kwaad als persoon’; Berbice-Nederlands diflu ‘het kwaad als persoon’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

duivel het kwaad als persoon 0776-800 [CG II1 Utr. doopbelofte] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

442. Te dom (of te stom) om voor den duivel te dansen,

d.w.z. zeer dom zijn; vgl. Harreb. I, 142: Hij is te dom om voor den duivel te dansen; in Kmz. 335; 356 en Nest. 24: Te stom om voor den duivel te dansen; Het Volk, 8 Dec. 1913, p. 1 k. 2: De parvenu, zelf vaak te dom om voor den duivel te dansen, moet in al zijn uitingen het bewijs leveren dat hij een nietsnut is; Molema, 83; fri. to dom om foar de divel to dounsjen. Evenzoo in Zuid-Nederland; zie o.a. Antw. Idiot. 362.

518. Den duivel inhebben,

d.w.z. zeer boos zijn, het land hebben, syn.: de hel, de pest, den kanker, den smoor inhebben. Vollediger geven Harrebomée I, 165 a en Joos, 127 op: hij heeft den duivel in 't lijf, d.i. hij is door den duivel bezeten, hij wordt gedreven door den duivel. In de 16de eeuw komt de uitdr. voor bij Spieghel, Hertsp. 102: Hy revelkald' als ik: hy had den duyvel inne; zie verder Veelderh. Geneuchl. Dichten (ed. Letterk.), 27: Raest ghy oft hebt ghy den duyvel in?; in de Klucht v.d. Pasquil-maecker, 20: Men mach wel seggen, dat goeje luy de duivel in hebben alsse quaet worden; Smetius, 132: den duycker in hebben; bij Van Effen, Spectator IV, 226: 't Is ummers of de vrouwluiden de duivel in hebben, dat ze nooit vernoegt kunnen wezen; Sjof. 270: Soms gingen ze 'm van zijn huis halen, maar dan had-ie de duvel in, en mochten ze nog langer wachten; Ndl. Wdb. VI, 1679; Volkskunde XXVI, 32. Zie Rutten, 59: den duivel inhebben, zeer lastig zijn; Teirl. II, 78; en vgl. de uitdr. er den beer in krijgen (t.w. in het lijf), beginnen te brommen, kwaad worden (Ndl. Wdb. II, 1321); eng.: to have the (or a) dog in one's belly; to have the black dog; hd. den Teufel im Nacken haben; in het Fransch: avoir le diable au corps d.i. agir avec passion, waarmede te vergelijken is Antw. Idiot. 388: van den duvel bezeten zijn om, fel geneigd zijn om; Waasch Idiot. 196: van den duvel inhebben, zeer genegen zijn tot; in anderen zin bij De Bo, 459: hij heeft van het kwaad in, hij heeft (van) den duivel in, van de duivels in, hij is er van bezeten, hij heeft er den aard van; fri.: de divel ynha. Syn. was in de 18de eeuw de pokken inhebbenIn de 17de eeuw beteekent den duivel inhebben ook: zoo slim zijn als de duivel (zie o.a. Huygens, Trijntje Cornelis, editie Eymael, vs. 401)..

519. Bij den duivel te biecht gaan,

d.w.z. aan een vijand of iemand, die niet te vertrouwen is, zijne geheimen toevertrouwen. Ook vindt men bij den beul, den hangdief, den drommel of den droes, bij Bacchus te biecht gaan; zie Harrebomée III, 126; Antw. Idiot. 388; Waasch Idiot. 196 a; Jongeneel, 88; Joos, 105; Rutten, 59 a; Schuermans, Bijv. 74 b; Tuerlinckx, 166; Ndl. Wdb. II, 2533. Bij Zegerus (± 1550) komt de spreekwijze het eerst in hare tegenwoordige gedaante voor. Vgl. Doedyns, Merc. 431; ook Halma, 72: Bij den duivel te biegt gaan, se confesser au renard; dire ses secrets à un homme plus fin que soi, ou suspect, et intéressé, et qui en tirera en avantage; Wander IV, 1106: beim Teufel zur Beichte kommen, d.i. übel anlaufen; Eckart, 518: bi dem Düwel tor Bigt kommen; in het Friesch: hy komt by de divel to bycht.

1347. Ledigheid is des duivels oorkussen,

d.w.z. ledigheid leidt tot allerlei kwaad, is de oorzaak van veel slechtheid; vgl. Jesus Sirach XXXIII, 27: multam enim malitiam docuit otiositas, want de ledicheyt leert veel quaets; en het lat. nihil agendo homines male agere discunt (Otto, 9). Dezelfde gedachte vindt men ook uitgedrukt in Lsp. III, 3, 177 vlgg.; Proza Sp. d.S. 62 a; in Con. Somme, bl. 253: Saertsheit of dertenheit van herten, dat is des duvels coets. Oorspronkelijk zeide men in onze taal: een leegh mensch is een duyvels oorkussen (= hoofdkussen)’, dat wil zeggen: een luiaard is een plaats, waarin de duivel zich gemakkelijk neervlijt; daar ligt hij als in een bed op een oorkussen ter ruste en broedt dan allerlei kwaad; vgl. Cats 2, 287 a: In een ledig hert, daar wascht ongure lust, en 't is de rechte peul, daer op de duyvel rust. In de 16de eeuw lezen we: een ledich mensch is een pluemkussen des viants (Tijdschrift XXI, 203); bij Coornhert I, 387 d: Ende want de slaperighe Ledigheydt een ghemackelijck oorkussen is alder zonden, ja alder Duyvelen zelve, so moet elck vermijden haer gheselschap. Zie Ndl. Wdb. XI, 119; VIII, 1227; XII, 1436; Taal en Letteren III, 263 vlgg.; De Dekker I, 146: De Droes maeckt (zoo men zegt) zyn' hoofdpeul van den leugen; De Brune, 491: Een le'egh mensch is een duyvels kussen; Van Effen, Spect. IX, 110; C. Wildsch. II, 175; Sewel, 440; Harreb. I, 164; Villiers, 72; Wander III, 791-792: Müssiggang ist des Teufels Ruhebank (oder aller Laster Anfang); Eckart, 319: Leddiggang is des leidigen Düvels Howetküssen.

1552. Steek (of stik) de moord,

of je mag me de moord steken, ook stik de moord wil zeggen: loop naar den duivel, je kunt me de bout hachelen (zie no. 333), stik, krijg een ongeluk, of eene dergelijke ruwe verwensching. Het ww. steken heeft hier de bet. van slaan, treffen, waarmede het in vroegere geschriften afwisselt; 16de eeuw de moort die de perde slaet naast de tale (eene ziekte) die de verkene stect. De uitdr. wil dus eig. zeggen: de moord, de dood moge je treffen, slaan. In het mnl. komt van de moort gesteken reeds voor (zie Mnl. Wdb. VII, 2053); in de 16de eeuw als verwensching dat u de moort steken moet (moge); ook in 't passief ic wilde hij ware de moort gesteken (Everaert, 270). Door eene onjuiste opvatting van ‘iemand’ als onderwerp in de uitdr. iemand steke de moord kreeg de moord steken den zin van sterven. Dit geschiedde in de 16de eeuw blijkens Corn. Everaert, 537: Hy zoude my liever de moort steken waert myn man, eer ict verdrougheZie meer voorbeelden in Ndl. Wdb. IX, 1108.; vgl. verder Tuinman I, 319: Dus is 't een godlooze vloek: Dat u de moord steke, te weten de schielijke dood met zijnen pyl. Men zegt, Hij is de moord gesteken. Dat is kromtaal. In dezen zin is de zegsw. blijven voortleven in de ruwe volkstaal; zie Köster Henke, 46: de moord steken, om 't leven komen; steek de moord, krijg een ongeluk; O.K. 56: De moord zal jelui steken, misselijke jakhalzen; M. de Br. 209: Laat ze de moord steken; Landl. 123: Verrek jij, val dood, stik de moord; Diamst. 318: Steek de moord en lek me de maarsch (vgl. no. 604); Menschenw. 393; Jord. II, 128; Peet, 172; Nachtkr. 7; Grond. 335: O, daar hei je haar ook, dat akelig dier zal ook de moord steken; Slop, 89: Hij kon voor zijn part de moord stikke, die menheer!; Jord. 59: Stiek jei nau gauw de maurd! schreeuwde de koffiepikster terug; bl. 86: Met een giftig.... steik de maurd!.... liep ze 't winkeltje uit; V.d. Water, 109: steek de moord, loop naar de hel, naast steek de marinemoord. Afrik. Hy het die moord gesteek. Ook in Zuid-Nederland is bekend: ik wenschte dat hij de moord stake (De Bo, 712); zie verder Schuermans, 389In Prol. 16: ‘Met et hoog-zij (zie no. 1052) op, en 'n staande steek demoord om z'n magere hals’, wordt een ‘vadermoorder’ bedoeld.. Als variant komt in Noord-Nederland voor pruim de moord! je mag me de moord pruimen!

1663. Oliedom zijn,

d.w.z. bij uitstek dom, uiterst onverstandig zijn: te dom of stom om voor den duivel te dansen (fri. to dom om foar de duvel to dounssen); amper of even voor vuur en licht bewaard zijn (dial.); hij is te dom, om alleen bij het vuur te zitten (Harreb. II, 427); fri. oaljedom. Deze uitdrukking komt sedert de 18de eeuw voor o.a. C. Wildsch. I, 251; Brieven v. B. Wolff, 413; Ndl. Wdb. X, 115; vgl. het dial. traandom (Taalgids VIII, 113Joos, 125; Loquela, 372.); in Zuid-Nederland oliedom naast ovendom; hoorndomVgl. ook Het Volk, 8 Dec. 1913, p. 1 k. 2; Kmz. 335; 356.. Voor de verklaring vergelijke men broodmager, kiplekker (no. 1152); hd. gerührt sein wie Apfelmus; grob sein wie Bohnenstroh; zoo onnoozel als pompwater, op een dwaas gezegde (Waasch Idiot. 531 b); zoo vet als een slak (dronken); dat spreekt als een petje, dat spreekt van zelf; hij gaat af als een reiger, hij druipt af, omdat hij niets weet te antwoorden, en dergelijke, waarin aan woordspel met twee verschillende beteekenissen van het bijv. naamw., het zelfst. naamw. of een wkw. moet worden gedacht. Oliedom is dan in eig. zin zoo dom, d.i. traag, loom, vadsig, lui, als (traag vloeiende) olie, in welken zin dom dial. nog bekend is. Zoo zegt men in Zuid-Nederland dom zijn van de hitte, zwaarhoofdig, suf zijn van de hitte (vgl. dommelen en Tuerlinckx, 125; Rutten, 54; Schuerm. 99 a; De Bo, 246). In de Zaanstreek spreekt men van domme handen, verkleumde handen, onbruikbaar door de koude (Boekenoogen, 159).

1742. Overdu(i)velen,

d.w.z. iemand bedremmeld maken; eig. iemand door te duivelen, d.i. bij den duivel te vloekenVgl. parlesanten, diabelen, boegeren (afgeleid van fr. bougre, eig. Bulgaar en vandaar heiden, ketter), iemand voor ketter, ook sodomiter, uitschelden (Taal- en Letterb. V, 56) en zie no. 1399., met vloeken te overstelpen (vgl. Claes, 50), van zijn stuk brengen; 16de eeuw: iemand verbulderen (Kil.). In de 17de eeuw zeide men hiervoor iemand (ver)duivelen; in de 18de eeuw overdrommelen en thans eveneens in denzelfden zin bedonderen, overdonderen, 17de eeuw verdonderen en verblixemen (De Brune, Bank. II, 54), overbobbelen (Halma, 479); overdommelen (De Bo, 810); zie Taal- en Letterb. I, 302; Ndl. Wdb. XI, 1668; De Jager, Frequ. II, aanh. 28; Antw. Idiot. 919; Schuermans, 445 b (aldaar ook overbuffelen); nd. einen öwerdüweln, iemand bedriegen (Eckart, 396).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal