Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

duits - (m.b.t. Duitsland)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

diets bn. ‘Nederlands’
Mnl. in dietsche ‘in het Nederlands’ [1276-1300; CG II, Kerst], in dietsche word ‘in Nederlandse woorden’ [1285; CG II, Rijmb.], jegen der dietscher heren lant ‘aangaande het land van de Hollandse? heer’ [1291, Holland; CG I, 1520], van den duutschen huus ‘van het convent van de Duitse Orde’ [1297, Mechelen; CG I, 2383], dietsch ‘volkstaal (tegenover het Waals)’ [1299; CG I, 2654], den dietschen huus ‘aan het convent van de Duitse Orde’ [1299, Brugge; CG I, 2647], jn dietsch ‘in het Nederlands’ [1299; CG I, 2654], allen coepmannen, sijn si van jnghelant, sijn si van brabant, sijn si van vlaendren. sijn si van dutscen lande ‘alle kooplieden, zowel uit Engeland, uit Brabant, uit Vlaanderen, als uit Duitsland(?)’ [1300, Holland; CG I, 2743], diets ... spreken ‘Nederlands spreken (in Vlaenderlant)’ [1315-35; MNW-R], Es hi walsch/ dietsch/ oft latijn ‘of het Waals, Nederlands of Latijn is’ [1340-60; MNW-R], in Duytsche woert ‘in het Nederlands’ [1465-85 MNW-R]; vnnl. vlaems spaens duyts ende wals ‘Vlaams, Spaans, Duits? en Waals’ [1544; MNW-R], Duits(ch), Duyts(ch) ‘de taal die vanaf Vlaanderen tot aan de Oostzeekust wordt gesproken’ [1584; Twe-spraack], Duytsch, Engelsch, Italiaens ende andere vreemde talen [1599; Kil.].
Afleiding van mnl. diet ‘volk, lieden’ [1287; CG II, Nat. Bl. D] < onl. thiat, thiada ‘id.’ [10e eeuw; W.Ps.].
Os. thiudisk; ohd. diutisc (nhd. deutsch ‘Duits’); nfri. Dútsk ‘duits’; ne. Dutch ‘Nederlands’; on. þýð-verskr; got. þiudiskō (bw.) ‘heidens’; afleidingen van een hypothetisch pgm. *þeuðō ‘volk’, dat we vinden als mnl. diet, diede, os. thioda, ohd. diot(a), ofri. thiade, oe. þēod, on. þjód, got. þiuda. Of het woord pgm. is, wordt betwijfeld; het is mogelijk in het Frankisch verschenen en heeft zich zeer vroeg in de andere talen verspreid. In 786 vinden we voor het eerst de gelatiniseerde vorm theodiscus ‘in de volkstaal’ [Eggers 1963]: Georgius van Ostia, bisschop van Amiens, schrijft aan paus Hadrianus I over een synode in Engeland, waar de besluiten tam Latine quam theodisce ‘zowel in het Latijn als in de volkstaal’ werden voorgelezen. Het woord in deze vorm is Westfrankisch, niet Oudengels, maar blijkbaar kende Georgius het als Germaans in tegenstelling tot Romaans of Latijn. In 788 vinden we quod theodisca lingua ... dicitur ‘wat men in de volkstaal ... noemt’ [Lühr]; vanaf de 9e eeuw wordt diutisk in het Frankische gebied het woord voor ‘volks’, ‘eigen’, ‘in de volkstaal’, vooral in tegenstelling tot ‘Romaans’ [Lühr].
Verwant met Oudiers túath, oskisch touto ‘volk’, Latijn Teutoni (volksnaam) ‘Teutonen’, misschien uit pie *teutā ‘volk’ [IEW 1080]; tegenwoordig gaat men er echter van uit dat we hier met een Europees substraatwoord te maken hebben.
Diets is de westelijke klankvariant van duits, zoals nu nog Vlaams (be)dieden naast Nederlands → duiden.
De regionale varianten dietsch en duutsch bestonden eeuwenlang als aanduiding van de volkstaal tegenover Frans en Latijn. De concrete invulling van het begrip ‘volkstaal’ kon variëren al naar gelang de context: de nauwe betekenis van Nederlands, of ruimer als de taal van het Nederlandse en Duitse gebied. In het Vroegnieuwnederlands wordt de westelijke variant diets tijdelijk verdrongen door duits (waaruit het dan wordt ontleend als Engels Dutch); van dan af begint men duits ook bepaaldelijk toe te passen op de taal van de Duitsers, getuige de passage bij Kiliaan 1599. Daarnaast behoudt duits zijn oude betekenis; specifiek met betrekking tot de Nederlandse taal wordt het gebruikt tot in de 19e eeuw, wanneer de stilistische en semantische differentiatie van diets en duits zich defintief gaat aftekenen. Duits verwijst voortaan alleen naar de taal der Duitsers, diets wordt in verheven stijl gebruikt voor de Nederlandse taal. Bovendien krijgt diets onder invloed van het 19e-eeuwse Vlaams-nationalisme de bijbetekenis ‘grootnederlands’; in die opvatting blijft het woord binnen een segment van de Vlaamse Beweging in zwang tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog.
Diets maken is al een Middelnederlandse uitdrukking: Si maken den mensche dyets of vroet, dattet waer is ‘ze maken de mens wijs, dat het waar is’ [1437; MNW], en betekent letterlijk ‘in de volkstaal zeggen’ (als tegenstelling tot het tot ver na de Middeleeuwen gebruikelijke Latijn), vandaar ‘aan het verstand brengen, wijsmaken’.
Lit.: H. Eggers (1963) Deutsche Sprachgeschichte I. Das Althochdeutsche, Reinbek, 41-46; De Tollenaere 1969, 231; H. Eggers (ed., 1970) Der Volksname Deutsch (Wege der Forschung 156), Darmstadt; Toorn 1991, 143-148; R. Lühr (1994) ‘Das Wordt ’deutsch‘ in seinen einheimischen sprachlichen Belegen’, in: Zeitschrift für Literaturwissenschaft und Linguistik 24, 37vv.; R.S.P. Beekes (1998) ‘The Origin of Latin aqua, and of *teutaa “people”’, in: Journal of Indo-European Studies 26, 459-466; M. Philippa (1999) ‘Wat het Diets beduidt’, in: OT 68, 280-281

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

Duits* [m.b.t. Duitsland] {duutsch [Duits] 1282} naast het vlaamse diets is duuts(ch) de hollandse vorm, waaruit Duits [Germaans, Nederlands], vgl. engels Dutch [Nederlands]; op den duur ging Duits alleen m.b.t. onze oosterburen betekenen. Vgl. oudsaksisch thiudisk, oudhoogduits diutisc [van het volk], gotisch þiudisko [heidens], uit een woord voor volk: middelnederlands mandiet [manvolk], oudsaksisch thioda, oudhoogduits diot, diota, gotisch þiuda, oudfries thiade, oudengels þeod, oudnoors þjóð; buiten het germ. oudiers túath [volk], welsh tud [land], litouws tauta [volk], oscisch touto [gemeenschap].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

duits [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie Ts 85, 231 [1969].

duits bnw., mnl. duutsc (holl.) naast dietsc (vlaams), os. thiudisk, ohd. diutisc, on. þȳðverskr, þȳzkr; got. þiudisks ‘heidens’. Het woord is afgeleid van het germ. *þeuðō ‘volk’, vgl. mnl. diet, os. thioda, ohd. diot, ofri. thiade, oe. ðēod, on. þjōð, got. þiuda; vgl. lat.-germ. Teutoni ‘volksnaam’. — osk. touto ‘civitas’, umbr. tota-, tuta- ‘stad’, oiers tuath ‘volk’, lit. Tauta ‘Duitsland’, kelt. tauta ‘volk’, opr. tauto ‘land’ (dus een woord van het west-idg.).

Voor de verdere etymologie denkt men meestal aan verwantschap met de groep van dij (dus idg. wt. *teu, tu ‘zwellen’), maar men verwacht voor de naam van volk niet een begrip als ‘het krachtige’, maar veeleer die van een gemeenschap; dat heeft J. Trier PBΒ 66, 1942, 239 er toe gevoerd, het woord uit een groep van woorden voor ‘gevlochten omheining’ > ‘kring der mannen in een gemeenschap’ af te leiden; een verklaring die ook vrij hypothetisch is. — Het woord treedt het eerst in 786 als theodiscus op en wel in een bericht over een engelse synode, waarin het de oudengelse taal aanduidt; waarschijnlijk heeft de schrijver, bischop George van Ostia, het woord uit frankische bron leren kennen. Want om 700 komt reeds ofra. tieis voor, dat een frankisch *thiudisk vooronderstelt. Dit woord betekent een toenmalig zich bezinnen op de eigen aard en taal in het acuter wordend conflict met het romaanse volkselement (tegenstelling tot walhisk). Zo blijft in het Westfrankische gebied (en dit sedert Karel de Grote) het woord vooral een term voor de frankische taal. In de loop van de 9de eeuw wordt diutisk nu ook in het Oostfrankische gebied een term, waarmee men vooral in de leidende intellectuele kringen het mlat. theodiscus wilde vervangen, waarbij nu vooral de nadruk gelegd wordt op het begrip als volksnaam en daarmee nu ook het voor alle stammen overkoepelende woord werd (zie vooral L. Weisgerber, Deutsch als Volksname 1953). — Wat de ndl. ontwikkeling aangaat is op te merken, dat de beide vormen duits en diets zich naar bet. differentieerden. Ofschoon Duits oorspronkelijk het gehele taalgebied (met insluiting van het nederlandse; vgl. ne. dutch) omvatte, werd het voor de buiten Nederland Duitsers gebruikt; het woord diets kreeg bovendien in de 19de eeuw onder invloed der Vlaamse taal- en volksbeweging de kleur van ‘grootnederlands’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

duitsch bnw., mnl. duutsc, de holl. vorm naast vla. dietsc, nndl. nog in (iemand iets) diets (maken) en archaïseerend = “middelnederlandsch”. Het mnl. woord beteekent 1. “Germaansch”, 2. “Nederlandsch”. De tegenwoordige bet. van duitsch berust op overname van het hd. deutsch (vgl. owfri. tyoesch, on. þûð(v)e(r)skr, de. zw. tysk “duitsch”), evenals eng. dutch ontleend is uit ndl. duitsch in zijn oude bet. “Nederlandsch”. Mnl. duutsc, dietsc = ohd. diutisc (nhd. deutsch), os. thiudisk (“Germania” thiudisca liudi) “Germaansch, Duitsch”. Dit woord, een geleerde formatie, komt het eerst in lat. vorm voor: theodiscus “Germaansch”; dit werd evenals ohd. diutisc eer van de taal gebruikt dan van ʼt volk: theodisca lingua, diu diutisca zunga = “de nationale, germaansche taal”. Got. þiudisko bijw. = “heidensch, ethnikōs” vgl. ook ags. þêodisce m. mv. “gentiles”. Dit bnw. is een afl. van germ. *þeuðô- v. “volk”: got. þiuda, on. þjôð, ohd. diota, os. thioda, ofri. thiâde, ags. ðêod. Jongere flexie naar andere stamklassen komt ook voor, zoo onfr. thiat(d), ohd. diot, os. thiod i-stam. Het o. geslacht van mnl. mhd. diet, mnd. dêt is jonger dan het v., dat ook voorkomt. Het germ. woord is in het Slav. overgegaan: het oer-slav. bnw. *tjudjĭ, obg. tuždĭ, štuždĭ “vreemd” is van die ontleening een afl. Germ. *þeuðô- > idg. *teutâ-, naast *toutâ-: ier. tuath “volk”, osk. touto, umbr. tota- “id.”, lett. tauta “volk, land”, opr. tauto “land”. Hoogerop brengt men idg. *teutâ-, *toutâ- wel bij den onder dij besproken wortel. — Vgl duiden. — NB. Het woord *þeuðô-komt ook in eigennamen voor: bijv. ndl. Dirk, du. Dietrich.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

Duits[ch]. Het woord theodiscus komt als theodisce het eerst voor in 786 in de bet. ‘(in het) angelsaksisch’. Volgens Braune PBB. 43, 436 vlgg. zou de samenvatting der verschillende continentaal-germ. diall. als theodisca lingua het eerst in ags. missiekringen zijn opgekomen en later in navolging daarvan ohd. diutisc in dezelfde bet. zijn aangewend. — Dat lat. gentilis ‘inheems’ (in tegenstelling tot ‘latijns’) het voorbeeld zou zijn geweest (Behaghel PBB. 45, 130 vlgg. en Gesch. d. d. Spr.5 97 vlg.), is niet waarschijnlijk, daar dit lat. woord in de 8e en 9e eeuw uitsluitend ‘heidens’ betekende (Braune PBB. 45, 145).
Het idg. woord voor ‘volk’ leeft wsch. in het Gr. voort in de eigennaam Teutamídēs, patronymicum van *Teutamías < *Teutā-tamías: Prellwitz KZ. 45, 159. Vgl. ook gall. persoonsnamen met Teuto-.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

duitsch bijv., Mnl. duutsc, Os. thiudisk + Ohd. diutisc (Mhd. diutsch, Nhd. deutsch), Ags. đéodisc (het Eng. dutch is uit Ndl. gelijk Zw. tysk en De. tydsk), Go. bijw. þiudisko: afgel. met ui (Ug. iu), umlaut van ie (Ug. eo, — z. dietsch), van Go. þiuda, Ags. đéod, Ohd. diot, Os. thiod (Mnl. diet) = volk, vulgus + Lat. totus = geheel, Osk. touto = gemeente, Oier. tuath, Lit. tauta = volk: Idg. wrt. teu̯t; de naam der Teuten vertoont den onverschoven vorm en is dus zeer oud. — Voor de bet. van Duitsch, vergel. Lat. lingua vulgaris, It. il volgare = de volkstaal. — Het Germ. adj. ging over in ’t Mlat. en ’t Rom. (theodiscus 8e eeuw, It. tedesco. Fr. thiois).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

Duits (vert. van Latijn (lingua) vulgaris)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Duitsch. In het Oudgermaansch moet een woord teuta bestaan hebben, in de bet. van volk, volksstam. De volksstammen in Germanië namen dit woord min of meer gewijzigd over: Got. thiuda, Angels. theod, Ohd. diot, Os. thiod, Mnl. diet. Het bijv. naamw. werd in ’t Got. thiudisk, d. i. tot het volk behoorende, nationaal, Ohd. diutisc, Os. thiudisc, Mnl. Dietsch.
Toen bij de invoering van het Christendom (± 800) de kerk behoefte kreeg de taal van de volken in Germanië door een gezamenlijk woord aan te duiden – in tegenstelling met het Latijn, de kerktaal – noemde men de volkstaal: theodisca lingua (= volks-taal). Uit dit woord is later Duitsch (Dietsch) ontstaan als naam voor de taal van de Germaansche stammen (dus ook voor ons); vandaar dat in de Middeleeuwen met „het Dietsch” ook onze taal bedoeld werd. Later werd het beperkt tot het Hoogduitsch. – Sedert de 12e eeuw werd het woord „Duitsch” niet meer tot de taal beperkt, maar kreeg het ook betrekking op andere zelfstandigheden: het volk, het land (das tiusche lant = Duitschland).
Verwant is duidelijk: voor ’t volk verstaanbaar; duiden: zóó helder aanwijzen, dat het volk het begrijpt; en diets (z. d. w.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

Duits ‘m.b.t. Duitsland’ -> Javaans (tanah) Dit ‘Duitsland’; Makassaars dês, dêsé ‘m.b.t. Duitsland, Duitser’; Japans Doitsu ‘m.b.t. Duitsland, Duitsland’; Negerhollands dutsch ‘m.b.t. Duitsland’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut