Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

duim - (eerste vinger; lengtemaat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

duim zn. ‘eerste vinger; lengtemaat’
Mnl. dume ‘eerste vinger’ [1240; Bern.], dumen (mv.) ‘eerste vingers’ [1250; CG II, Gez.rec.], dume (mv.) ‘lengtemaat’ [1291; CG I, 1569], duum ‘eerste vinger’ [1440-60; MNW-R], duym ‘id.’ [1479; MNW-P].
Os. thūmo (mnd. dūme); ohd. dūmo (mhd. daumen); ofri. thūma (nfri. tûme, tomme); oe. þūma (ne. thumb); < pgm. *þūman-; met korte klinker: on. þumi (nzw. tumme).
Verwant met Latijn tumēre ‘gezwollen zijn’, Sanskrit túmra- ‘gezwollen’, maar een wortel *tum-, *tubh- lijkt nauwelijks Indo-Europees; eventueel bij *teu- ‘zwellen’, zie → dij, → tumor.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

duim* [voorste vinger] {dume, duum, duym 1201-1250} middelnederduits dume, oudsaksisch thumo, oudhoogduits dumo, oudfries thuma, oudengels ðuma, teruggaand op een i.-e. stam met de betekenis ‘zwellen’, waarvan ook komen latijn tumidus [gezwollen], oudindisch tumra- [dik] (vgl. dij). De uitdrukking hij kan op zijn duim fluiten [hij heeft het nakijken] is afgeleid van de vogelaars die de vogels lokken met een fluitje. Wie op zijn duim probeerde te fluiten had geen succes. In de uitdrukking iets op zijn duimpje kennen dat eig. wil zeggen ‘iets kunnen draaien zoals men het wil’ en vervolgens ‘in zijn macht hebben, helemaal meester zijn’, betekent duim ‘haak, har, ijzeren duim’. Vgl. middelnederlands vele op sinen dume hebben [veel macht hebben]. De uitdrukking iets uit zijn duim zuigen [iets verzinnen] is een oude in het hele germaanse en keltische gebied voorkomende uitdrukking. Door aan de duim te zuigen kon men onbekende zaken aan de weet komen. Vgl. middelnederlands in dumen sien [een tovenarij].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

duim znw. m., mnl. dûme, mnd. dūme, os. thūmo, ohd. dūmo (nhd. daumen), ofri. thūma, oe. ðūma (ne. thumb), < germ. *þūman, waarnaast met korte vokaal on. þŭmall, ozw. þŭmi. — av. tūma ‘sterk’, oi. túmra ‘vet, gezwollen’, lat. tūmor ‘gezwel’, kymr. twf ‘groei’. Behoort bij de idg. wt. *tū̌ ‘zwellen’. — Zie: dij en duizend.

De duim is dus eigenlijk ‘de dikke, sterke (vinger)’, evenals lat. pollex behoort bij pollēre ‘sterk zijn’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

duim znw., mnl. dûme m. = ohd. dûmo (nhd. daumen), os. thûmo, ofri. thûma, ags. ðûma (eng. thumb), germ. *þûman- m. “duim”, daarnaast met ablaut ozw. þumi m. “duim”, on. þumal-fingr m. “duim”, misschien ook zwa. dŭm, “id.” (zie ook dommekracht). Een 1-afl. bij den langvocalischen stam is ags. ðŷmel m. “duimeling” (eng. thimble “vingerhoed”). Vgl. buiten het Germ. kymr. tyfu “toenemen, groeien”, lat. tumeo “ik ben gezwollen”, oi. túmra- “gezwollen, dik, sterk”, alle met een m-formans bij den wortel tū̆- “zwellen” (zie dij).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

duim m., Mnl. dume, Os. thûmo + Ohd. dûmo (Mhd. dûme, Nhd. daumen), Ags. đúma. (Eng. thumb, met anorgaan. b), Ofri. thúma, On. þúmalfingr (Zw. tumme, De. tommelfingr); afleiding onzeker: misschien bij duwen en dan = de drukkende vinger; eerder bij Lat. tumere = zwellen, Skr. taumi = ik ben sterk, tumras = gezwollen, Ze. tuma = sterk en dan = de dikke vinger (z. dij). Op zijn duim, vergel. Fr. compter sur le pouce, d.i. zonder hulp van reken- of schrijftuig.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

doum (zn.) duim; Vreugmiddelnederlands dume <1240>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

duim (de, -en), (ook:) grote teen. Alwien heeft in een spijker getrapt en nu moet hij met een zeer* aan zijn duim naar de dokter. - Etym.: In AN betekende d., en in het E betekende ‘thumb’ tot 1643 ook tevens ‘grote teen’ (WNT, Onions). S doin = duim; S bigi doin (bigi = groot) = grote teen. - Syn. toon*. Zie ook: vinger*.
— : een groene duim hebben (had, heeft gehad), groene handen hebben, groene vingers hebben, d.i. veel succes hebben bij het kweken en verzorgen van planten.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?,

Duim snw. Segsw.: Sit maar op jou duim, skertsend gesê as daar nie meer ’n vrye stoel is om iemand aan te bied nie. – Die spreekwyse word in die Ndl. Wdb. i.v. duim nie vermeld nie; ook nie deur Van Dale nie. – Boekenoogen 184: “Gaan maar op je duim zitten, tot een kind gezegd als er geen stoelen meer vrij zijn:” J. de Vries, Az. 69: “Zet je duim in je gat, dan heb je een stoel met een krek; Ter Laan 172: “Hai mout doem mor in ’t gat steekṇ (in goan doar op zitṇ):” Harreb. II, LXX: Ga op je duim zitten, dan heb je geen’ draaistoel van noode. Eckart 75: Stöck den Dûme ön e Nârsch on mâk dê e Krängelstôl. Pr(eussen) 76: Stäk de Dum in de Nêrs un mak ’n Jägerstohl. O(stfriesland).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Duim, gevormd van ’t Idg. tumon = de dikke, sterke, en dit van den wortel tu = zwellen; vgl. ’t Sanskr. taumi = ik ben sterk; en ’t Lat. tumeo = ik zwel. Duimelen, beduimelen: met den duim voortdurend aanraken en vuil maken. Zoo spreekt Huygens nog van een luit, die beduymt is.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

duim ‘voorste vinger van de hand; lengtemaat’ -> Russisch djujm ‘lengtemaat’; Bulgaars djujm ‘lengtemaat (2,5 centimeter)’ ; Oekraïens djujm ‘lengtemaat’ ; Azeri düym ‘lengtemaat’ ; Indonesisch dim ‘lengtemaat’; Boeginees dēng ‘lengtemaat’; Javaans dim ‘lengtemaat, scharnier’; Keiëes dum ‘lengtemaat’; Madoerees ēddhim, dīm, ēddhīm ‘voorste vinger van de hand; centimeter’; Makassaars dēng ‘lengtemaat’; Creools-Portugees (Ceylon) dâin ‘lengtemaat’; Negerhollands tompi ‘voorste vinger van de hand’; Papiaments dùim (ouder: duim) ‘voorste vinger van de hand; inch (2,54 centimeter)’; Sranantongo doin (ouder: doim) ‘voorste vinger van de hand’; Sarnami doi ‘voorste vinger van de hand; lengtemaat’; Surinaams-Javaans dim ‘lengtemaat’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

millimeter, centimeter, meter, kilometer [lengtematen] (1809). In 1809 wordt het metrieke stelsel in Nederland ingevoerd. Dit stelsel leidt tot een reeks nieuwe benamingen voor lengtematen, die oude namen als roede, voet, duim en el vervingen. Het metrieke stelsel werd weer afgeschaft in 1813 en heringevoerd in 1821. In 1869 wordt het definitief bij wet aangenomen.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

duim* voorste vinger 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

507. Iemand (of iets) onder den duim hebben,

d.w.z. iemand of iets in zijne macht hebben, veelal van een gedeelte der wetenschap, dat men beheerscht. De duim als de sterkste vinger, wordt hier genomen als het zinnebeeld van macht. Of bewaart deze uitdr. eene herinnering aan den Romeinschen worstelstrijd, waarbij de overwinnaar den overwonnene, als teeken van de behaalde zege, den duim op het oog drukte (vgl. hd. einem den Daumen aufs Auge setzen en onze uitdr. iets onder de knie hebbenZie voor bewijsplaatsen Pers, 410 a; 296 b; 831 b; Hooft, Ned. Hist. 202.)? In de 17de eeuw: hij heeft er den duim op, d.i. hij heeft iets in zijne macht; Antw.: hij is er fier opIn Groningen beteekent onder doemkes, in het geniep, in het geheim (Molema, 79 b), fri. onderduumsk (vgl. mnl. onder den dume, heimelijk, stilletjes); Deventersch achterdume (Draaijer, 1) naast onderdums, schijnbaar onopzettelijk (Dr. 28 en V. Schothorst, 95); Vlaamsch onderduims (Schuerm 215 a); zie ook Antw. Idiot. 118: achterduims, onderduims en onder den duim deur; vgl. thans onder de hand.. Ook in het hd. einen unter den Daumen halten; eng. to have a p. under one's thumb.

510. Iets uit zijn duim (of den vinger) zuigen,

d.w.z. iets verzinnen, leugens vertellen. De gedachte waarop deze uitdr. berust - en haar voorkomen door het geheele Germaansche gebied wijst op haar hoogen ouderdom - schijnt te zijn, dat men zekere onbekende zaken kan te weten komen door aan den duim te zuigen. In dezen gedachtenkring behooren verscheidene sagen, die tot de oudheid der Europeesche volken opklimmen. Den vinger in den mond steken komt dan ook in de sage en in de mythologie voor als een gewoon middel om wijsheid over eenig punt te erlangen (Volkskunde, XXIII, 234). Vgl. Servilius, 135: Hi suighet al wt sinen vingheren; bij Sartorius II, 7, 42: Ex tua non prodit officina, dat suycht ghy wt u selfs duym niet; en bij Campen, 28: Hy cant wt syn vingher suyghen. Vgl. Marnix, Byenc. 58 r: Soo dat men merckelijck sien kan, dat de leere der Drievuldicheydt uyt des Paus duym niet en is ghesoghen; V. Moerk. 502: Ze noemt me by me naem, dat het ze uit 'er duim niet ezoogen; Hooft, Ned. Hist. 332; De Brune, 188; Suringar, Erasmus LXXIV; Harreb. I, 159 b; Kmz. 335, enz. Ook vindt men ‘hij zuigt het uit zijn vuist, zijn poot of zijne teenen’; zie Harrebomée II, 194 a; Antw. Idiot. 1226 (iet uit zijnen teen zuigen) en Tuinman I, 191: ‘Uit den poot zuigen: dit drukt uit, iets by zich zelven verzinnen. 't Is ontleent van de beeren, die, zoo men verhaalt, aan hunnen poot zuigen. Dus zegt men van de vertellingen der besjes, dat ze die uit den spinrok halen’. De Duitschers zeggen sich etwas aus den Fingern (dem kleinen Finger, dem Daumen) saugen; eng. to suck anything out of one's own fingers' ends.

2401. Vinger en duim likken naar iets,

sterk verlangen, watertanden naar iets lekkers, vooral gezegd van iets begeerlijks, dat niet te krijgen is (uit ongeduld steekt men onwillekeurig een vinger in den mond). Vgl. Campen, 22: Daer solde ghi wel al u vingeren nae licken, dat is lang niet te versmaden, zeer begeerlijk; Hooft, Brieven, 2, 67: Rijnsch zap, daer de lekkertanden gewoon zijn hunne vingers nae te slikken; 3, 226: Uwer E. gebeuren nu daeghelijx zoodane versnaeperingen, daer wy hier de vingers nae lekken; Tuinman I, 109: Hy zal' er noch vinger en duim na lekken, dit wordt toegepast op zulke, die nu spyze versmaaden, die zy daar na wel voor lekkerny zouden houden, als hen die gebeuren mogt. Zo zegt men ook: Hy zal' er noch na opspringen, dat van de honden genomen is (zie Ndl. Wdb. XI, 1237); Harreb. I, 160; Lev. B. 94: Nou waren 't skellevissies om d'r vinger en duim na te likke; De Arbeid, 15 Oct. 1913, p. 4 k. 1: Tijdens de jongste debatten over de loonregeling heeft dan ook zeer terecht een der christelijke raadsleden opgemerkt, dat heel wat arbeiders uit de particuliere bedrijven er (pensioen) met vinger en duim naar likken.

509. Iets op zijn duim(pje) hebben, kennen (of weten),

d.w.z. iets goed, terdege, in den grond kennen. Eene algemeen bekende en gebruikte uitdrukking, die sedert de middeleeuwen voorkomt. Zie Noord en Zuid IX, 141Ook De Cock1, 55., waar ‘ic kent al op miin duimken’ wordt aangehaald uit het jaar 1491; verder bij De Roovere (Leuv. Bijdr. IV, 176): Hy weet de tien gheboden up zyn duumken; Everaert, 148 en 186: Op 't duumken hebben (in zijne macht hebben, bezitten), waarmede te vergelijken is het mnl. vele op sinen dume hebben, veel macht hebben, veel te zeggen hebben; Vierl. 394: Oft nu de Mat. daertoe gedeputeert hadde eenen juristen die Bartolum oft Baldum op zijn duijmken hadde gehat; en iet draeit up minen dume, ik heb iets te beschikken, er over te zeggen, in mijne macht (De Bo, 404: het draait al op zijn hand); Mnl. Wdb. II, 372; 462; Ndl. Wdb. III, 3200; Bank. II, 247: Zy meenen dat de weereld op haren duym behoorde te draeyen; Schuerm. 74 b. De eig. bet. is iets kunnen draaien zooals men wil, daar ‘dume’ hier haak, har, ijzeren duim beteekent (vgl. Pers, 718 b: Alles nae zijnen wervel draaien; Brederoo, III, 85: Dus lang heeft u duym den werrevel gedreyt), en vandaar: in zijne macht hebben, geheel meester zijnVgl. De Brune, Emblemata, 278: Al haer knicken en oogh-slagen zijn zoo veel hangduymen, daer zyn deure moet op-draeyen; en het 17de-eeuwsche werveldraaier (Vondel, Rommelpot, 168) naast den wervel draaien, den baas spelen (Haec libertatis ergo, 119).. Zoo kon op zijn duim in bepaalde verbindingen de bet. aannemen van geheel en al, grondig, nauwkeurigV. Eyk, Nal. meent dat de uitdr. ‘afgeleid moet worden van de gewoonte, om, bij het opnoemen van sommige zaken, uit het hoofd, zoo als men zegt, eerst den duim, en vervolgens ook de overige vingers, met de hand aan te slaan’.. Vgl. verder Sartorius I, 6, 54: Hy kan 't op sijn duymtjen, dat als vertaling dient van het latijnsche ad unguem (novit), d.w.z. op den nagel, eene spreekwijze die ontleend is aan de beeldhouwers, die met den nagel van hun duim de gladheid van hun werk onderzochten; vandaar: zeer nauwkeurig, grondig; Marnix, Byenc. 116 r: op syn duimken iets kennen; Anna Bijns, Rfr. 114 d; Hooft, Ned. Hist. 458; Ged. I, 57 en 280: Van Veen had op zijn duim de wet; Brederoo I, 261, 540; Pers, 209 a; Coster, 39 vs. 889; Van Effen, Spectator III, 159; IV, 198; VII, 2; Sewel, 199: Hy heeft het op zynen duim, he has it at his fingers end; Brieven v.B. Wolff, 46: Indien ik de kunst van polysten zo op den duim heb als zij. Ook fri. hy ken it op syn tûmke; Waasch Idiot. 194; Harreb. I, 160 a, enz. Een synonieme uitdr. is iets uit de bocht kennen (Harrebomée III, LXXXIII b en Molema, 43 b). In het Fransch zegt men: avoir quelque chose dans les doigts ou au bout des doigts; savoir quelque chose sur le bout du doigt; hd. etwas an den Fingern haben; nd. he hett dat Spill up 'n Dûm (Eckart, 494); eng. to have a thing at one's fingers' ends.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut