Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

duiker - (volksnaam voor de lisdodde; vogelnaam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

duiken ww. ‘snel onder water gaan; bukken’
Mnl. duken ‘onder water gaan’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], vnnl. duycken ‘id.’ [1544; WNT vondel I]; vnnl. duyken ‘zich stil houden’ [1528; WNT zwijgen], duycken ‘buigen’ [1561; WNT tuteur], duycken ‘zich verbergen’ [1577; WNT verzoenen], duycken ‘ontwijken’ [1623; WNT vreedzamelijk].
De herkomst is onduidelijk. Verwanten buiten het Germaans zijn onzeker; in combinatie met de waterterminologie wijst dit mogelijk op een substraatwoord.
Mnd. dūken (waaruit nzw. dyka); ohd. tūhhan (nhd. tauchen); nfri. dûke; me. douken (ne. duck ‘snel bukken, duiken’); < pgm. *dūk-an-, waarnaast oe. dūce ‘eend’ (letterlijk ‘duiker’), ne. duck.
Er is geen verwantschap met de wortel pie. *dheubh-, zie → diep (IEW 268).
Vormen met korte klinker en geminaat cons., zoals mnl. ducken ‘duiken, bukken’ (ontleend in nhd. ducken), mhd. tücken zijn intensiefvormen < pgm. *dukk-, van *duk-jan-, zoals bijv. ook → bukken bij → buigen.
duiker zn. ‘persoon die (beroepsmatig) duikt; watervogel; waterdoorvoer’. Vnnl. duyckerken ‘duikereendje, watervogel’ [1562; Kil.], duycker ‘waterdoorvoer’ [1565; WNT], duycker ‘iemand die duikt’ [1598; WNT], duyckers ‘watervogels’ [1637; WNT]. Afleiding van het werkwoord duiken.

EWN: ♦ duiker zn. 'persoon die (beroepsmatig) duikt; watervogel; waterdoorvoer' (1562)
ANTEDATERING: Mnl. in toenaam van diedrijc de dukere 'Diederik de Duiker' [1248-71; VMNW]
Later: Mergus es de uogel godeweet diemen met ons dukerre heet 'Mergus is de vogel die men – God is mijn getuige – bij ons duiker noemt' [1287; VMNW] (EWN: 1562)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

duiker znw. m. ‘vogelnaam’ (colymbus), mnl. dûkere, mnd. dūker, os. dūcari, ohd. tūhhāri (naast tūhhil), fri. dūker. — afgeleid van duiken.

In de bet. ‘verlaat’ mnl. dūker, mhd. tiuchel, dūchel ‘pijp voor waterleiding’, dus eigenlijk die onder een weg duikt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

duiker znw., komt als vogelnaam reeds vroeg voor: mnl. dûkere m., ohd. tûhhâri (nhd. taucher), os. dûkari m.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

duiker, in de bet. ‘verlaat’ reeds mnl. Het Mhd. heeft tiuchel m. v.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

duikelaar m., in alle bet. van duikelen. freq. van duiken; in die van spijker echter, behoort het met duiker tot dook.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

duiker, zn.: duivel. 17e e.: wat duycker doe ick nu? (Cats). Woord ter vervanging van het taboewoord duivel, afl. van duiken ‘zich verbergen’.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

dui’ker (de, -s), syn. van brombereduiker* (1 en 2): z.a. Ook al moet ik duiker bij Dunker [een bromberebedrijf*] worden. Ik zal gaan werken, ook al is het alleen maar om een krant voor je te kunnen kopen (Roemer 1976: 24). - Etym.: Zie brombereduiker*.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Gehoornde Duiker Benaming bij B&O 1822 voor “Colymbus cornutus L.” Hiermee hadden de auteurs ws. de Kuifduiker op het oog, want ‘de andere van de twee’, de Geoorde Fuut, heette bij hen “Geoorde Duiker” ↑. De naam cornutus ‘gehoornd, van hoorns voorzien’ (Lat cornu ‘hoorn’) zit nog in het synoniem Colymbus cornutus Gmelin 1789 [I&F 1985] en het element hoorn komt nog voor in Am Horned Grebe ‘Kuifduiker’. Dezelfde E naam voor de Kuifduiker bij Pennant 1785 (Horned Dobchick bij Edwards 1750) [Lockwood]. Schlegel 1844 gebruikte voor de Kuifduiker de volgende namen: “Podiceps cornutus Latham, D Gehörnter Steissfuss en F Grèbe cornu” (ook Meves 1886 gebruikt dezelfde D naam; Hornsteissfuss bij S&vB 1892; tegenwoordig: D Ohrentaucher; D Schwarzhalstaucher = Geoorde Fuut). B&TS 1995 vermelden ook de namen Gehoornde Fuut en ‘belgisch’ Hoornfuut [Kist 1954].

Geoorde Duiker Benaming bij B&O 1822 voor “Colymbus auritus L.”, met welke laatste naam nu de Kuifduiker bedoeld wordt. B&O 1822 vermeldden echter een tweede soort, “Colymbus cornutus L. – De gehoornde Duiker” ↑; ws. waren hier al Geoorde Fuut en Kuifduiker in het spel, alleen de wetenschappelijke namen deugden niet! Later is de Geoorde Fuut ↑ goed beschreven door Brehm in 1831, waardoor de naam nigricollis bij deze soort ging behoren, terwijl de oude naam auritus (die ‘geoord’ betekent!) uiteindelijk voorgoed bij de Kuifduiker ↑ terecht kwam. Zie ook Gehoornde Duiker.

Duiker (1) Algemene N benaming voor de vier soorten Zeeduikers Gavia, waarvan de Roodkeelduiker de meest voorkomende is (als wintergast en doortrekker; broeden doen zij in de Lage Landen niet). De naam is echter in het verleden voor de meest uiteenlopende soorten duikende watervogels gebruikt, waar onder de Futen (2). Heden is het nog een volksnaam voor de Dodaars (3). Ook Duikertje of fries Dûkerke. Zie ook sub Dompelaar.
Houttuyn 1763 (p.133) gebruikt de naam Duiker (en mv. Duikeren) als vertaling voor het geslacht Colymbus van Linnaeus 1758. Dit omvat bij Linnaeus slechts 4 soorten: 1 Colymbus arcticus, bij Houttuyn Lomme genaamd. Dit is de Parelduiker. 2 C. cristatus, bij Houttuyn de Fuut. 3 C. auritus, bij Houttuyn Ge-oorde Fuut of Oor-Fuut. (De Kuifduiker!). 4 C. Podiceps, bij Houttuyn Klein Duikertje. Dit is in feite de Dikbekfuut. Houttuyn bespreekt daarnaast nog, en geeft een gekleurde afbeelding van de Groote gevlakte Duiker. Dit is de IJsduiker, die Linnaeus dus niet noemt.
De wetenschappelijke geslachtsnaam Gavia is Lat (bij Plinius) voor (ws.) ‘Meeuw’ (vgl. It Gabbiano en Gavina, catalaans Gavià en Gavina, Sp Gavión en Gaviota, portugees Gaivota en mogelijk ook provençaals Gafeto en F Guifette, alle namen voor één of andere Meeuw (of Stern)) [mb.00B,25]. Forster 1788 (vgl. sub Forsters Stern) gebruikte deze naam, en via enkele omwegen kwam hij bij het geslacht der (Zee)Duikers terecht. Vgl. hiervoor Wilms 1987; ‘Waarom zeeduikers meeuwen zijn’.
ETYMOLOGIE Duiker (en duiker = ‘iemand die duikt of iets wat duikt’) dûkere; mnd dūker; oudsaksisch dūcari; fries (See)dûker [NEW 1992 p.142]; D Taucher deucher [Eber & Peucer 1549, met als equivalenten Urinatrix en κολυμβίς] tūhhāri (naast tūhhil1); deens, noors Dykker [Syv c.1700]; E Diver (‘Zeeduiker’; ook volksnaam voor Dodaars en Tafeleend) is etymologisch sterker verwant met de E vogelnaam Dipper ‘Waterspreeuw’ (zie ook sub Dompelaar); E Duck ‘Eend’ duke, doke duce [en ook de E volksnamen Ducker, Dooker en Doucker ‘Dodaars’] zijn de woorden die hier, etymologisch gezien, bij passen. In de E volksnamen Diedipper ‘Dodaars’ en Di(e)dapper ‘Waterspreeuw’ (Dive-dapper [Shakespeare 1593] dufedoppene (c.1290), dufedoppan (c.1000)) komen de woorden diver en dipper in één naam samen. De idg wortel *dheug (>duiken) is hogerop wel verwant met de idg wortels *dheub (>diep) en *dhumb (>dompelen). N Duiker, fries Dûker (“Duwkers (lijts en graet)” bij Baardt 1640 [ViF p.75], ofwel dit betekent ‘Duiven’!); noors/deens Dykker, E Duck etc. staan in ‘onverschoven’ verhouding tot D Taucher en Ducher op dezelfde manier als N maken t.o.v. D machen (Hoogduitse Klankverschuiving). Op dezelfde klankwet berust de aanvangs-t in D Taucher en schwyzerdütsch Tüchl(i) ‘Fuut, Zeeduiker, Dodaars’ [S&vB 1892; Wüst 1970]. Een aanvangs-S is echter niet te verklaren, dus “grose Suchel” in Jonston 1660 voor een wat groteske Fuut (Tab.48 rechtsboven) moet een druk- of schrijffout zijn.

==

1 Onder het trefwoord roerdomp vermeldt NEW 1992 (p.585) ohd horo-tuchil, een naam voor de Roerdomp, maar letterlijk (misschien): ‘slijk-duiker’. De bron van een hierop gelijkende naam ohd horothuchil is “Anhang zum alten und neuen Testament” uit de 10e eeuw, en achter deze naam staat vermeld: “bubonem búf”, de Oehoe dus [Wilms 961129,4].

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

duiker. Duiker is volgens het WNT een woord dat in plaats van duivel gebruikt wordt, oorspronkelijk uit schroom voor dit woord. Het fungeert als substituut voor duivel, waarmee het qua klank enigszins overeenkomt. Overigens wordt het als zodanig na de 17de eeuw niet meer gebruikt. In het Middelnederlands vinden wij de duiker haal je! ‘de du(i)vel hale je’. In P.C. Hoofts Schijnheilig [1617] wordt duiker versterkt tot duisendt duickers. Gallitalo, de vertaler van Alle de geestige Werken van François Rabelais [1682] gebruikt zelfs honderd duizend duitsche duikers. Bij de zeventiende-eeuwse blijspeldichter Th. Rodenburgh noteren wij o gansch duiker, waarbij gansch een verbastering is van Gods. In het hedendaags Nederlands komt voor te duiker! ‘verdomme, verduiveld’. → droelie, droes, droeskop, drommel, drumpel, duin, duivekater, duivel, duiventer, duizend, Heintjeman, Heintje Pik, honderd, Joost, nikker, pikken, vijand.

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Týpha | Týpha latifólia: Grote lisdodde
Týpha angustifólia: Kleine lisdodde
Omtrent de verklaring van de naam Typha bestaan meerdere uitleggingen.
1. Typha kan afgeleid zijn van het Griekse woord tiphos: moeras of plas, naar de natuurlijke groeiplaats.
2. Typha kan afkomstig zijn van typhe: kattestaart, naar de vorm van de bloeiwijze.
3. Typha is afkomstig van typhein: branden, naar de fakkelvormige bloeikolven of bloeiaren.
4. Typha van het Griekse woord tuphè dat afkomstig is van tuphoo: rook maken, smeulen of verbranden, omdat men met de aangestoken vrouwelijke bloeiwijzen een smeulend vuur kon aanhouden.
5. De naam gaat waarschijnlijk terug op typhos dat in overdrachtelijke zin beduidt, zich verbeelden, verbeelding hebben, omdat zij door hoge, slanke bouw een trotse indruk maakt.
In ons land komen twee soorten van dit geslacht voor en wel de bovengenoemde Grote en Kleine lisdodde. Het verschil zit in hoofdzaak in de bredere (latifolia) of smallere (angustifolia) bladeren. De eerste heeft bladeren tot een breedte van twee cm, en de tweede tot hoogstens een cm. Verder is de afstand tussen de manlijke en vrouwelijke bloeiwijze bij de eerste zeer gering terwijl die bij de Kleine lisdodde minstens drie cm bedraagt.
Ook de grootte van de bloeiaren verschilt, hetgeen in de namen tot uiting komt. De bevolking maakt in de regel geen onderscheid tussen deze twee soorten en zij hebben dan ook, op een enkele uitzondering na, dezelfde benamingen.
De naam Lisdodde is ontstaan uit lis, vanwege de gelijkenis van de bladeren met die van de lis, en dodde in de betekenis van propachtige dikte, hetgeen slaat op de bloeiwijze. Deze laatste opvatting is van Prof. J. Vercoullie. Hij schrijft: ‘Dodde van de Hoogduitse deutte, dutte, dodde: propachtige dikte.’ Hieraan kunnen we toevoegen, dat we ook spreken van op een dot zitten, in de betekenis van een plukje of bundeltje. Volgens dr. J. de Vries in zijn Etymologisch Woordenboek: ‘Dodde, zie Dot. In de betekenis van "klein kind," is afgeleid van die van "kluwen, zuig dot". Eigenlijk een rond voorwerp (vergelijk nog noors "dott strowis", zwak mens). Ook het woord lis (dodde) zal hierbij behoren.’ Dodonaeus schrijft bij Lischdodde oft Donsen onder meer: De bloemen ‘afgevallen oft verwelkert zijnde, blijft daer een dicht in een ghedrongen vergaderinghe van wolachticheyt oft hayrkens, diemen een dodde noemt.’ De naam Donsen bij Dodonaeus slaat op de donzige vruchthaartjes of vruchtpluis. In 1423 kende men vruchtpluis reeds onder de benaming donst, zij het bij een andere plant: ‘Eens quaets hope is als die donst van de distelbloemen die van den winde wech ghedraghen wert.’ Voor de Veluwezoom staat genoteerd Donzebout, dus een staafvormige iets met dons. De naam Pluis in het graafschap Zutphen is ook duidelijk gericht op het vruchtpluis.
Voor het Zuidhollandse gebied staat opgegeven Biezegras. Deze benaming zal wel slaan, wat bieze betreft, op groeien op vochtige plaatsen, of in het water, want met bies duidde men eertijds allerlei planten aan die op dergelijke plaatsen voorkwamen. Het tweede deel - gras - attendeert op de smalle grasachtige bladeren. Het is zeer waarschijnlijk dat deze benaming duidt op de niet-bloeiende plant.
De namen Rietsigaar en Sigarenriet zullen wel door de kinderen gegeven zijn, die de vruchtaren aanstaken en er dan parmantig mee rondliepen alsof zij een sigaar rookten. Hier heeft de rolronde vorm en de bruine kleur van de vruchtaar tot deze naam geïnspireerd. Het groeien van de Lisdodde tussen het riet deed het toevoegsel riet ontstaan. Op Walcheren spreekt men van Plomper en Plompersigaren: hier moet men het plomp beschouwen in de betekenis van stomp - niet in een punt uitlopend - vanwege de stomp uitlopende bloeikolf. De rolronde vorm van de aar gaf op de Veluwezoom aanleiding tot de naam Pompstokken. Een pompstok is een buigzame stok waaraan een lap bevestigd is en die dient tot het inwendig schoonmaken van een geweerloop. Op de rolronde vorm duiden ook namen als Rietkolve, Veneknuppel, Waterknots en Waterkolf, maar deze namen duiden tevens op de groeiplaats: tussen het riet, in het water en in het veen. Benamingen die niet op de groeiplaats betrekking hebben, maar wel op de rolronde bloeiwijzen zijn: Bullepees in Groningen, Salland en het graafschap Zutphen, en de dialectische en gewestelijke vormen zoals: Bollepezen, Bollepiest, Bollepijst, Bolpeserik, Bulpezerikken en misschien ook de voor Voorne en Beierland genoteerde Butterbies. De vorm van de bloei- en vruchtaar heeft de bevolking nog tot andere benamingen geïnspireerd. Ze spreekt men in Waterland van Bouten. Dit bouten in de betekenis van stangen, staven of pijlen. Zo 286 sprak men vroeger van ‘Twee vogels schieten met één bout’ (pijl), of anders gezegd ‘Twee vliegen in een klap.’ Voor Voorne en Beierland staat opgegeven de volksnaam Piellepooi; hierin vinden we de gewestelijke vorm van pijl (piel) terug. Waarschijnlijk heeft het tweede deel van het woord, pooi, iets te maken met water of rivier. Dus een plant met een pijlvormige bloeiaar die in het water groeit. Nog andere namen zijn Duivelsstokken, Duivelsknuppels en Duivelsroede, die wel geen nadere toelichting behoeven. De volgende echter wel: Zotsknodde en Zotsknop; zij zullen wel niet meer onder het volk leven. Deze namen duiden op een oud gebruik, namelijk dat bij toneelstukken aan medespelenden die een zot of een nar moesten uitbeelden een lisdoddekolf als skepter, in de hand gegeven werd. Zelfs gaf men er de Latijnse naam van Sceptrum morionus: narrenstaf aan. De namen Pompels in Groningen, en Pommel in het graafschap Zutphen en het noordelijk deel van Groningen wijzen eveneens op de bloei- of vruchtaar, want in Groningen is een pommel een kort dik voorwerp. In ditzelfde gebied spreekt men ook van Pommelstokken. Het vruchtpluis werd in deze noordelijke provincies ook gebruikt als bed- en kussenvulling, want men spreekt of sprak(?) daar van ‘bedden van pommel’. In Zuid-Limburg komt men de naam Kattestaarten tegen, en in Groningen Kattestaart: namen die wel geen nadere toelichting behoeven.
De naam Naaldenkoker(s) in Twente duidt eveneens op de bloei- of vruchtkolf; naar onze opvatting geen onaardige naam. De kinderen voelden zich erg tot de vruchtkolven aangetrokken en verrichtten er allerlei spelletjes mee. Zo dompelden zij deze in petroleum en gebruikten ze als fakkels. Op de eilanden Walcheren, Tholen en Zuid-Beveland spreekt men van Stalkaarsen, hetgeen erop zou kunnen wijzen dat zij als verlichtingsmateriaal, gedrenkt in een of andere brandbare stof, in de stal gebruikt werden. Heukels geeft voor de Betuwe op Huil-en-duil, en tekent hierbij aan: ‘De kinderen werpen ze omhoog en roepen huil en duil, hoog in de lucht’. De namen Duikelaar en Duikers zijn volgens ons ook afkomstig van een kinderspelletje: zij gooiden de kolven boven het water in de lucht, deze doken dan onder en kwamen na een poosje met de steel weer boven water. Vandaar ook de naam Hoge gooier op Overflakkee, nemen we aan.
In Waterland en West-Friesland komt ook nog de naam Domp voor, afkomstig van dompen: voorover duiken of onder water duiken. Deze naam duidt op hetzelfde spelletje dat we hierboven bij Duikelaar vermeld hebben. Zou de naam Ruggeklopper iets te maken hebben met een spelletje, waarbij de kinderen elkaar achterna zaten en elkaar met de stevige stengel met bloeiaren te lijf gingen? Zou Ruggemeter in het Zuidhollandse ook ontstaan zijn uit een kinderspelletje? De namen Duil, Dul, en Dullen zijn volgens dr. J. de Vries uitsluitend Germaans, reden waarom er geen Indogermaanse wortel gevonden kan worden. De kinderen in Waterland noemden de plant Pluim. De rijpe vruchtaar werd door hen uitgeplozen en men liet dan de zaadjes met vruchtpluis als de pluim van een paardebloem rondstuiven.
In Groningen heet de plant onder meer Duthamer of Doethoamer. Deze naam zal, volgens ons, ontstaan zijn onder invloed van het nabije Duitse gebied. Het Oudduitse dut is afkomstig van duzeln: duizelig worden. Dus een voorwerp, hier een hamer, waarmee men iemand duizelig kon slaan. Dit is namelijk het geval: in de middeleeuwen hield men de Lisdodde voor het wapen waarmede de dood de mensen die een zonnesteek gekregen hadden, op het hoofd sloeg; andere verbasterde namen die hierop duiden zijn onder meer Doedhamels, Doezebolt, Doezebout, Doetebol, Toezebol(len), en Toessebolten. Vooral in het Groningse gebied komen deze namen voor, en slechts enkele in Friesland en oostelijk Drente. Voor Groningen geeft Heukels voor de Kleine lisdodde de naam Sneelings aan, en Sneeling zonder plaatsaanduiding voor de Grote. Zo schrijft Boekenoogen: ‘Waterplanten met lange, smalle bladeren worden in Groningen en Friesland Snêlings en Snielen genoemd.’ In het Groningse Westerkwartier komt de naam Snielings voor, waarmede men de Kaimoes (Acorus) bedoelde. Deze plant heeft evenals de Lisdodde lange, smalle bladeren, en groeit op dezelfde plaatsen als de laatstgenoemde. Daar de bloeiwijzen wel van elkaar verschillen slaan deze namen dan ook op de planten in niet-bloeiende toestand. Het verschil in bladvorm is namelijk niet groot.
De zachte viltige vruchtkolven werden algemeen gebruikt om lampeglazen schoon te maken, vandaar de namen Lampenpoetser en Lampenpuuster. Dat de plant voor de bevolking wel enige gebruikswaarde bezat kunnen we opmaken uit een keur uit Oostzaanden van 1644; daar heet het: ‘En sal daer niemant Duylen mogen halen uyt een anders Riet of Rietlant, sonder konsent van den Eygenaer, opte boeten van vijf stuyvers, de Ouders voor de kinderen.’
Men gebruikte de bladeren als stalstrooisel, om rietbossen samen te binden als dakbedekking - maar dat was minder duurzaam - en voor het bedvulsel gebruikte men het reeds vermelde pluis. Dat de kinderen zich niet onbetuigd lieten om zich spelmateriaal te verschaffen, blijkt hieruit dat de ouders aansprakelijk gesteld werden als de ‘lisdodderoof’ een te grote omvang aannam. Dat het vruchtpluis nog eeuwen werd gebruikt als vulsel, kunnen we opmaken uit de volgende advertentie van vier mei 1855 in de Haarlemsche courant: ‘3000 à 4000 ponden allerbest gewonnen en droge dullen of zeedons te koop.’ Vroeger werden de vruchtkolven veelvuldig verwerkt in de zogenaamde winterboeketten. Thans worden Typhasoorten, meestal de kleinere, gebruikt bij allerlei soorten van bloemschikking. Minder bekend is dat de plant vroeger gegeten werd; niet uit weelde nemen we aan. Zo deelt van Hall (1873) mede: ‘Het bleke deel van de stengel, ontdaan van de omgevende groene bladstelen, heeft de smaak van verse komkommers en wordt met siroop, azijn en zout in Friesland en elders wel gegeten.’ In de geneeskunde werd de plant zo goed als niet gebruikt, alleen in de volksgeneeskunde. Men wendde het vruchtpluis aan op brandwonden, maar ook als bloedstelpend middel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

duiker ‘iemand die duikt; naam voor verschillende dieren en planten’ -> Engels duiker, duyker ‘kleine Zuid-Afrikaanse antilope’ ; Engels duiker ‘aalscholver’ ; Pools dujker ‘kleine antilope’ ; Tamil duyker, daiker ‘parelduiker’.

duiker ‘koker of buis onder een weg; spijker met kleine kop die geheel in het hout gedreven wordt’ -> Duits Düker ‘koker of buis onder een weg’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens dykker ‘spijker met kleine kop die geheel in het hout gedreven wordt’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors dykkert ‘spijker met kleine kop die geheel in het hout gedreven wordt’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds dyckert ‘spijker met kleine kop’ (uit Nederlands of Nederduits); Lets dīkers ‘koker onder een weg, door een dijk of dam, voor het afvoeren of inlaten van water’ ; Litouws diukeris ‘koker onder een weg, door een dijk of dam, voor het afvoeren of inlaten van water’ (uit Nederlands of Duits); Alor-Maleis deker ‘drainagebuis onder een weg of dijk’; Papiaments deik ‘koker onder een weg, door een dijk of dam, voor het afvoeren of inlaten van water’.

duiker ‘(verouderd) duivel’ -> Duits Deuker ‘duivel’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

duiker. In de Nederlandse weg- en waterbouw duidt men met de term duiker een koker aan die dient voor het afvoeren of inlaten van water en die onder een weg loopt, of door een dijk of dam. Het Nederlandse woord duiker is niet overgenomen door het Indonesisch, maar wel door een Indonesische taal die wordt gesproken op het eiland Alor in oostelijk Indonesië, ongeveer zestig kilometer ten noorden van Timor. Hier wordt het zogenoemde Alor Maleis gesproken, dat onder andere is onderzocht door Marian Klamer. Het Alor Maleis is een aparte taal, een variant van het zogenoemde handels-Maleis, ook wel pasar-Maleis of laag-Maleis genoemd, dat eeuwenlang de lingua franca van Zuidoost-Azië was, al voordat er contacten met Europese volkeren bestonden. In de tweede helft van de negentiende eeuw gingen de Nederlanders handel drijven met Alor. In 1861 werd een 'posthouder' gestationeerd in de monding van de Kabola baai. Pas in 1910 werd het hele eiland onder Nederlands gezag geplaatst. Als elders voerden de Nederlanders als bestuurstaal het Maleis in (het latere Indonesisch of Bahasa Indonesia), en daarnaast gebruikten ze het Nederlands, zodat vanaf die periode Maleise en Nederlandse leenwoorden ingang vonden in het Alor Maleis.

De meeste Nederlandse leenwoorden in het Alor Maleis zijn via het Maleis overgenomen, maar er zijn ook enkele die rechtstreeks ontleend zijn aan het Nederlands. Een daarvan is deker, dat teruggaat op het Nederlandse duiker. Een ander voorbeeld is brene bon van het Nederlandse bruine boon. Het Nederlandse boontje is (in de als verzamelnaam gebruikte meervoudsvorm) wel in het Indonesisch geleend, als buncis 'snijboon', maar een equivalent van 'bruine boon' is in het Indonesisch onbekend. Terzijde zij opgemerkt dat de vorm boontje ook is geleend door het Singalees als bōnci, door het Papiaments als bonchi en door het Sranantongo als bonki (de uitspraak is ongeveer /bonkji/). Een witte boon heet in het Sranantongo wetibonki en een bruine boon heet broinbonki. Boontjes behoren kennelijk tot de groentesoorten die de Nederlanders naar andere landen hebben overgebracht.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut