Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

duig - (plank van wand van ton)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

duig zn. ‘plank van wand van ton’
Mnl. dughen (mv.) ‘planken, latten’ [1286; CG I, 1113], duge ‘plank van een ton’ [1377-78; MNW cupe]; vnnl. duyghen (mv.) [1581; WNT wormgat], duyghe “tonne-staue, pijp-staue, klaphout” [1599; Kil.], in duygen ‘aan stukken’ [1615; WNT].
Ontleend aan middeleeuws Latijn doga ‘vat, recipiënt’ < Grieks dokhḗ ‘vat’ en ‘kanaal’.
Mnd. duge; ohd. dūga (mhd. duge), naast mhd. dube (nhd. Daube); Maastrichts douf [FvWS].
Grieks dokhḗ ‘vat’, ‘kanaal’ gaat wrsch. terug op de wortel pie. *dek- ‘opnemen’ (IEW 189), waarbij ook Latijn decēre ‘passen’, zie → decent.
De Duitse vorm met -b- en de Maastrichtse met -f zijn wrsch. ontleend via Frans douve ‘plank van een ton’ [1200; Rey], eerder al dove ‘wand van een gracht’ [1180; Rey].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

duig [hout van de wand van een vat] {duge 1286} < middeleeuws latijn duga, doga [gracht, vat, duig] < grieks dochè [vat].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

duig znw. v., mnl. (holl.) dûghe ‘duig, lat’, bij Kiliaen ook ‘spon’; mnd. dūge ‘duig’, mhd. dūge (maar nhd. daube sedert Luther, misschien onder invloed van fra. douve). — Gewoonlijk leidt men dit uitsluitend duits-nederl. woord van mlat. dōga af, dat dan weder op gr. dóchē ‘vat’ zou teruggaan. Het is niet waarschijnlijk, dat fra. douve ‘gracht, schoeiing’ hetzelfde woord is; dit zou teruggaan op lat. dǒga ‘vat’, waarvan de afkomst ook onzeker is. Er is wellicht een zeker parallellisme tussen de betekenissen ‘gracht: schoeiing’ en ‘vat: duig’ mogelijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

duig znw., mnl. (holl.) dûghe v. “duig, lat”, bij Kil. ook “spon”. = mhd. dûge v. (nog dial., in andere diall. en de schrijftaal daube v.) Gew. neemt men ontleening aan uit mlat. doga (uit gr. dokhḗ “voorwerp waarin men iets bewaart” afgeleid) dat nog in de rom. talen voortleeft: bijv. fr. douve, o.a. “duig”. Waarschijnlijker is verwantschap met duwen. Als hd. daube (oorspr. md.) een oud woord is, zou ’t bij de woordfamilie van deuvik kunnen behooren.

[Aanvullingen en Verbeteringen] duig. Hd. daube = Maastr. douf < *dûve.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

duig. Voeg bij: mnd. dûge v. ‘duig’. De uiteindelijke oorsprong van de rom. woorden is onzeker. Voor fr. douve ‘gracht, schoeiing, dam’ zou mlat. doga ‘gracht’ als grondwoord passen, maar fr. douve ‘duig’ is wsch. ospr. een ander woord. Er komen echter mlat. en/of rom. woorden voor ‘duig’ voor met g en met v (mlat. dova), waaruit zowel de mnd. mnl. vormen als hd. daube (= Maastr. douf; v. Wijk Aanv.) te verklaren zouden zijn. Germ. oorsprong blijft echter ook te overwegen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

duig v., Mnl. dughe, gelijk Mhd. duge. (Nhd. dauge en daube), uit Lat. dogam (-a), waaruit ook It. doga en Fr. douve. — Lat. doga komt van Gr. dokhḗ = vat, van dékhesthai = bevatten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

droef 2, zn.: duig. Met epenthetische r en ch/f-wisseling uit doeg. Mlat. doga, dova, duva, Fr. douve, Mhd., Mnd. dûge, Mnl. duge.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

duig: meestal mv. duie (in uitdr. m. fig. het.: instort), “wandplank v. vat”; Ndl. duig (Mnl. dūghe, “lat”, by Kil duyghe, (ook) “spon”, vRieb duygen), misk. Germ. herk., maar mntl. verb. m. Ll. dova, “duig”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

duig ‘stuk hout van de wand van een vat’ -> Fries in dûgen ‘kapot’; Duits dialect Deue ‘duigvat’; Sranantongo doigi ‘stuk hout van de wand van een vat’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

duig stuk hout van de wand van een vat 1286 [CG I2, 1115] <ME Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

506. In duigen vallen,

d.w.z. mislukken. Onder duigen verstaat men stukken wagenschot, tot het samenstellen van vaatwerk bestemd en die door hoepels bij elkaar gehouden worden. Vallen deze plankjes in elkander, dan mislukt het vat; vandaar dat deze uitdr. in het algemeen gebruikt wordt voor instorten, mislukken. Is een plan in duigen gevallen of wordt het in duigen geworpen, dan zegt men, dat het in duigen ligt. Sedert de 16de eeuw is de uitdr. bekend; zie o.a. Spelen v. Sinne, 13 r: Valt niet aen duyghen maer houdt u toch vroom; zie verder Winschooten, 52; Gew. Weuw. III. 70; Pers, 203 b: in duigen raken; Vondel, Samson, 1196: Wanneer de kerck van Dagon spat aen duigen; Huygens VI, 47, waar een kuiper zegt: Eens was mijn' neering goed: nu lightse meest in duijgen; Overtooms Praatje, 16: Het vadt dat raakte heel in duyge (de boel liep geheel mis); Chomel I, 245: My dunkt, dat hy, die een Koorts noemt, iets noemt, dat in staat is, om een Ligchaam allengskens in duigen te doen vallen; Sewel, 199; Halma, 128. Vgl. ook: een plan den bodem in slaan en Tuinman I, 252. In Zuid-Nederland gebruikt men de uitdr. in den zin van ‘in 't kraam komen’ (Antw. Idiot. 383), waarvoor wij zeggen ‘in tweeën vallen’; verder in onze beteekenis in gruis vallen en tot gruis smijten; in pasteie vallen; uiteenvallen en uiteengaan; zie het Ndl. Wdb. V, 1162 en vgl. nog het 18de-eeuwsche ‘in stollen (stukken) vallen (Ged. van J. Zeeus, 1721, bl. 395) en aan borden stooten (van een schip; Ndl. Wdb. III, 519). Is misschien ook te vergelijken het Zwaabsche: es fällt in Ducks, es geht verloren (Wander I, 702)?

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal