Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

duif - (soort vogel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

duif zn. ‘soort vogel’
Onl. dūva [10e eeuw W.Ps.], dūva [ca. 1100; Will.]; mnl. duue [1240; Bern.], duuen (mv.) ‘soort vogels’ [1285; CG II, Rijmb.], duve ‘soort vogel’ [1300-25; MNW-R]; vnnl. duyve ‘id.’ [1539; MNW-R].
Os. dūƀa (mnd. duve); ohd. tūba (nhd. Taube); nfri. do; oe. *dūfe (geattesteerd als persoonsnaam) (me. duve, ne. dove); on. dúfa (nzw. duva); got. -dūbō; < pgm. *dūbōn.
Geen verwante vogelwoorden buiten het Germaans. De herkomst is dan ook onzeker. Traditioneel wordt het woord verklaard als ‘de donkere (vogel)’ op grond van Oudiers dub ‘zwart’ < *dhubhu, waarbij men verwijst naar Grieks péleia ‘de wilde grijsblauwe duif’ dat afgeleid zou zijn van peliós ‘loodkleurig’. Deze semantische verbinding is echter zeer twijfelachtig, vooral omdat de betekenis ‘donker’ buiten het Keltisch niet voorkomt. Evenmin waarschijnlijk zijn verklaringen als zou de vogel genoemd zijn naar zijn doffe kleur (zie → dof), of naar zijn roep. Het door OED gelegde verband met oe. dūfan, (ne. dive ‘duiken’), waarbij gewezen wordt op Latijn columba ‘duif’ naast Grieks kolumbís ‘duiker (vogel)’, is door FvWS als niet waarschijnlijk afgedaan, maar blijft interessant (zie ook → duikelaar, → duiken). Gezien de geringe verspreiding en het betekenisveld moet eerder gedacht worden aan een substraatwoord.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

duif* [een vogel] {oudnederlands duva 901-1000, middelnederlands duve} oudsaksisch duƀa, oudhoogduits tuba, oudnoors dúfa, gotisch -dubo; mogelijk verwante vorm is iers dub [zwart] in welk geval de vogel naar zijn kleur is genoemd, maar deze etymologie is speculatief en volgens anderen is de naam klanknabootsend gevormd. De uitdrukking duifje zonder gal [een argeloos iem.] berust op het oude geloof, dat duiven geen gal hebben, vgl. Jacob van Maerlant in Der Naturen Bloeme: ‘Columba dats der duven name, een sachte voghel ende bequame; bedi seit men, sijs zonder galle’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

duif znw. v., mnl. dûve, onfrank. dūva, os. dūƀa, ohd. tūba (nhd. taube), oe. *dūfe (ne. dove), on. dūfa, got. –dūbō, uit germ. *dūƀōn.

De verklaring is onzeker. Gewoonlijk vergelijkt men oiers dub ‘zwart’ (< *dhubhu) en leidt de naam van de kleur af, dus evenals gr. péleia ‘houtduif’ van peliós ‘blauwzwart’; dan zou het woord dus behoren tot de groep van doof (IEW 264). Maar de bet. ‘zwart’ komt alleen in het keltisch voor en is in het germ. onbekend. — Suolahti 208 neemt een klanknabootsende vorming aan, wat voor de oorspr. oe-klank gelden kan (vgl. roekoeën), maar waardoor de medeklinkers niet verklaard worden. — Voor deze inheemse vogel misschien een substraatwoord aan te nemen?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

duif znw., mnl. dûve v. = onfr. dûva, ohd. tûba (nhd. taube), os. dûƀa, ags. *dûfe (eng. dove; hiernaast ags. culfre en cuscote v.), on. dûfa, got. -dûbo (waarnaast ahaks), germ. *ðuƀôn- v. “duif’. Volgens sommigen naar de kleur genoemd: vgl. ier. dub “zwart” (zie bij doof); volgens anderen verwant met lett. dûja “duif; dan zou de ƀ < idg. bh formantisch zijn. Het waarschijnlijkst is, dat zoowel ’t lett. als ’t germ. woord onomatopoëtisch zijn (evenals finsch kyhky(nen) “duif’): NB. in allerlei talen worden interjecties met û-vocaal gebruikt om’t duivengekir na te bootsen. Een dgl. onomatop. vogelnaam met -bho-suffix is gr. kékphos. Onwsch. is de combinatie van duif met ags. dûfan “onderduiken” (zie diep).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

duif v., Mnl. duve, Onfra. en Os. dûƀa + Ohd. tûba (Mhd. tûbe, Nhd. taube), Ags. dúfe (Eng. dove), On. dúfa (Zw. dufva, De. due), Go. dûbo, met -bh-suffix van een onomat. .

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

douf (zn.) duif; Aajdnederlands duva <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

duif (de, duiven), (gebr. in Nickerie, verouderend) naam voor alle kleinere vogelsoorten.

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

DUIVENColumbidae
Columba is de naam voor een (wilde) duif. De betekenis ervan is niet bekend. Duif betekent ‘donkere vogel’. D.w.z. niet helder van kleur, dof. De benaming doffer voor de man-duif zou eruit zijn ontstaan. Waarschijnlijker is dat doffer een samentrekking is van duif en hoorn. Bekend is het bijbelverhaal waarin een duif met een boomblaadje terugkeert in de ark van Noach. Het was een teken dat de mens was gered. Op grond van deze traditie is de duif later voor velen het symbool voor vredelievendheid geworden.

HOUTDUIFColumba palumbus
Duits Ringeltaube
Engels Woodpigeon
Frans Pigeon ramier
Fries Hôfdo
Betekenis wetenschappelijke naam: duif. Hier hebben geslachtsnaam en soortnaam dezelfde betekenis. In het element ‘hout’ is het broedgebied van de Houtduif in bossen en parken herkenbaar. Tegenwoordig neemt hij ook met een nestelplaats op balcons van flatgebouwen, in muurgaten en zelfs op de grond genoegen. Andere vergelijkbare namen zijn onder meer Houtdou (Fr), Hooltdûwe (ZwF), Holtdoeve (Ach, Dr), Houtkropper (Haa), Hofduuf (Ame), Holduif (Lb) (hol = hout), Hotduuf (Ame), Woudduif, Walddou (Fr), Bosduif, Bosdoeve (Ach) en Stokduif (Vla). Het element ‘stok’ in de laatste naam is herkenbaar in het Middelnederlandse woord stoc(k) dat hier boomstam of boomtak betekent. Met Grote Bosduif wordt tevens aangegeven dat hij in ons land de grootste duif is. Omdat het onze meest algemene duivesoort is, wordt vaak volstaan met een korte aanduiding als Duif, Doeve (Ach), Doef (Lij) en Duuf (Bet, Lij). De namen Bosketer (ZVl) (= boskoerder), Keêter (ZBW) en Koelder (ONB) hebben op het geluid, het bekende koeren, betrekking. De oude volksnamen Ringelduif, Ringeldoeve (Ste) en Ringduif zijn overgenomen van het Germaanse ringilduva en hebben betrekking op de witte halsvlekken die bijna een ring vormen. ‘Ringel’ is het verkleinwoord ringetjes. Naar z’n grijsblauwe kleur wordt de Houtduif ook wel Blauwe Bosduif en kortweg Blauwe genoemd. De naam Blauwe Veelvraat wijst behalve op de kleur op het ‘vraatzuchtig’ gedrag als hij zich tezamen met een troep soortgenoten te goed doet aan allerlei gewassen. Het gehele jaar door foerageert hij op akkers en velden. Veldduif is daarom een toepasselijke naam. Veldduiven was vroeger ook de familienaam voor de Columbidae-duiven. ‘s Winters eet de Houtduif graag allerlei koolbladeren en spruitjes. Men noemt hem daarom Koolduif (NH), Kooldoeve (Ach, Twe) of Koldeuf (Lb, NB). Met Valduif (Vla, ZBW) en Valduve (ZVl) – eig. Valmduif, afgeleid van het Middelnederlands Valmeduve – doelt men op het ‘invallen’ van de duiven op fruitbomen waarmee vaak grote schade aan de oogst wordt toegebracht. Zoals de meeste andere duivensoorten bouwt de Houtduif van losliggende takjes een wat slordig nest. Hij heet daarom op Terschelling Takkeduuv. Dezelfde betekenis heeft z’n Franse naam. Een andere naam op dit eiland is Kakkedoe, een scheldnaam, omdat de duif de plaatsen waar hij regelmatig verblijft met zijn ontlasting bevuilt. Ter onderscheiding van tamme duiven werd hij vroeger Wilde Duif genoemd. Overigens lijkt vandaag de dag het gedrag van de Houtduif in de steden net als van de Stadsduif vrij mak en onbevangen. De namen Loepe (Rij) en Spechte (Ov) vermelden wij zonder er de achtergrond van te kennen. Indien ‘Spochte’ de juiste naam zou zijn – ook bij de Holenduif – kan deze naam ‘rakker’ betekenen, vanwege z’n wat brutale gedrag. Mogelijk is Schor (Ov) een samentrekking van schooier. Het element ‘klad’ in het Vlaamse Veldklad(de) kan in vergelijking met de naam Kladdegat voor de Ekster gebaseerd zijn op vervuiling, anderzijds ook samenhangen met het Hoogduitse Klätscher, een duivesoort die een klakkend geluid maakt.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

duif ‘voorstander van gematigde politiek’ (bet. van Engels dove)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

duif ‘vogelnaam, duifachtige’ -> Negerhollands dufje, difi, diffie ‘vogelnaam, duifachtige’; Papiaments buladeifi ‘middelgrote duif (Zenaida auriculata)’; Sranantongo doifi ‘vogelnaam, duifachtige’; Sarnami mangru doifi ‘bruinrode duif’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

duif* duifachtige 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

505. Een duifje zonder gal.

Deze zegswijze is ontstaan ‘naar aanleiding van het oude volksgeloof, dat sommige dieren, met name de duif, geen gal zouden hebben, die eene toornige of wrevelige stemming kan opwekken’. Maerlant zegt o.a. in zijn Nat. Bl. III, 1119: Columba dats der duven name, een sachte voghel ende bequame; bedi seit men, sijs sonder galle; Clausule, 86: Duve sidi van uwen live sonder galle, simpel ende sachte. Bij Walther v.d. Vogelweide wordt de gemalin van Filips van Zwaben genoemd een ‘rôs' âne dorn, ein túbe sunder gallenVgl. Schräder, 256: Felle columba caret, zonder opgave van plaats of schrijver; bij Otto komt het niet voor. Plinius, Nat. Hist. XI, 37, 74 beweert, dat de duif wèl gal heeft.. Gemeenlijk in figuurlijke toepassing van menschen, vooral van onschuldige meisjes gezegd, in den zin van: een onschuldig schepsel, zonder arglist of boosheid. De uitdr. komt in de mnl. en mhd. poëzie meermalen voor. Ook in het fr. was in de 14de eeuw dit volksgeloof bekend: Coulon (colombe) est oisel gracieux sans fiel est et moult amoureusP. Sébillot, Folkl. de France, III, 218.. Voor de 17de eeuw vgl. Cats I, 244 b:

Wat wilje dat ick seggen sal?
Ick ben een duyve sonder gal.

Een Poolsche natuursage verklaart ons dit geloof op de volgende wijze: ‘Toen Jezus den kruisdood stierf en zoo zijn offer volbracht, vloog eene duif voorbij den Kalvarieberg. Zij had met den gemartelden Verlosser zulk innig medelijden, en was door zijn aanblik zoo diep geschokt, dat zij op hetzelfde oogenblik hare gal voelde wegvloeien. Sedert dien tijd, vertellen de Poolsche keukenmeiden, hebben de duiven geene gal meer’ (zie A. de Cock, Natuurverklarende Sprookjes II, 37). Synoniem was de uitdr.: een botje zonder gal. Zie het Ndl. Wdb. IV, 145; III, 678; Tuinman II, 79; Mnl. Wdb. II, 901; Waasch Idiot. 193 b; Verdam in de Handelingen v.d. Maatschappij v. Nederl. Letterk. 1897-98, bl. 61; Volkskunde XXII, 191; De Cock2, 69, 267; hd. ein Täubchen ohne Galle; eng. to be pigeon-livered, geen gal hebben; in het fr. beteekent colombe onschuldig meisje.

522. Onder iemands duiven schieten.

In eigenlijken zin wil deze uitdr. zeggen: schieten onder de duiven van een ander, wat in vroegeren tijd uitdrukkelijk verboden was. Koning Filips verbood bij plakkaat van 13 April 1559 ‘dat iemand eenige Zwanen of Duiven, met bussen of met bogen zou schieten.... op verbeurte de eerste reize van vijf en twintig gulden, te appliceeren ten behoeve van den Grave, of ten behoeve van de Pachters der Zwanerij, of van de Vasallen Zwanerij hebbende en gebruikende, en Eigenaars of bezitters der Duifhuizen of Duivenwachters twee derdenparten, enz.Zie Nederlandsch Placaat en Rechtsk. Wdb. II, 408. De Staten-Generaal vaardigden 11 Januari 1642 eveneens een verbod uit op het schieten van duiven. Oorspronkelijk zal de uitdr. dus willen zeggen schieten onder de duiven, die behooren in het duifhuis of duivenkot van iemand, die dit in eigendom of in leen bezat.In Rijnland moest men twaalf morgen land hebben in eigendom of in gebruik om duifhuizen of duivekotten op te richten; Placaat v/h Hof v. Holland 20 Januarij 1591; zie ook Stallaert I, 380. Op deze duiven te schieten was verboden; toch zal menigeen dit stilletjes hebben gedaan, te eerder, omdat duiven gemakkelijk onder schot te krijgen zijn. Vandaar iemand benadeelen, op geheime wijze onderkruipen, oneerlijk concurreeren, hem zijne klanten afhalen. De uitdr. is ook in geheel Zuid-Nederland bekend; zie Schuermans, 110 b; 587 b; Joos, 110; Rutten, 58; Antw. Idiot. 383 en De Bo, 908: ‘bezig zijn met ze (duiven) te stelen, met er een deel van weg te rooven. Fig. iemand onderkruipen, hem van eene winst of voordeel berooven om er zelve 't genot van te hebben, op eene onrechtveerdige of ten minste trouwlooze manier concurrentie aandoen’; 't Daghet XII, 142; vgl. Waasch Idiot. 345: in iemands klaver zitten, hem zijnen handel benadeelen, hem onderkruipen; syn. van in iemand's rapen zitten; 't Daghet XII, 160: zich in zijn koolen laten weiden (vgl. hd. jem. in seinen Hafer gehen). In Friesland: onder immens douwen sjitte naast in immens druven of druvebeam sitte (W. Dijkstra, 395 aIn de heerlijkheid Hemmen in de Betuwe houdt de ‘heer’ er nog een groote duivenslag op na; mededeeling van Dr. S.S. Hoogstra, die mij ook op den oorsprong der uitdrukking wees..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut