Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

duiden - (uitleggen, vertalen; betekenen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

duiden ww. ‘uitleggen, vertalen; betekenen’
Mnl. *duden ‘betekenen’ [ca. 1200; CG II, Servas], dieden ‘betekenen’ [1285; CG II, Rijmb.], duden ‘uitleggen’ [1375-1400; MNW-R]; vnnl. ten archsten duyden ‘het ergste doen betekenen, in slechtste zin uitleggen’ [1587; WNT trots I], duyden ‘uitleggen, vertalen’ [1595; WNT rechtzinnig].
Het woord wordt vaak in verband gebracht met pgm. *þeuðō- ‘volk’, zie → diets, en zou dan letterlijk moeten betekenen ‘voor het volk verklaren, vertalen, duidelijk maken’. Semantisch gezien kan het echter geen afleiding van dat woord zijn. Daarom is vermoedelijk een ander woord secundair op *þeuðō- betrokken; dat zou het bn. *þeuþa- ‘goed’ kunnen zijn (waaruit mnl. ge-diede ‘voorkomend, welwillend’). Het werkwoord zal dan ‘goed, begrijpelijk maken’ betekenen. Zie ook → beduiden, → duidelijk.
Mnd. düden; ohd. diuten ‘verklaren, betekenen, vertalen’ (nhd. deuten); ofri. bi-thiuda ‘verklaren’ (nfri. tsjutte); oe. ge-ðiodan ‘vertalen’; on. þýða ‘uitleggen, betekenen’ (nzw. tyda ‘duiden’); < pgm. *þeuþjan- ‘begrijpelijk maken’, bij pgm. *þeuþa- ‘goed’ (EWgP 621-23). Bij pgm. *þeuþa- ook os. githiudo ‘gepast’ en mnd. dieden ‘helpen’; oe. geþiede ‘goed, deugdzaam’ en geþiedan ‘deelnemen; helpen’; on. þýðr ‘vriendelijk’; got. þiuþ ‘goed’.
De homonymie met vormen die horen bij pgm. *þeuðō- ‘volk’ maakt de verdere etymologie moeilijk. Misschien is er verband met pie. *teu- ‘vriendelijk bezien’ (IEW 1079-80).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

duiden* [wijzen, uitleggen] {dieden, duden [uitleggen, betekenen] 1200} de middelnl. vorm duden is de hollandse vorm naast vlaams dieden, vgl. beduiden naast bedieden; verwant zijn middelnederduits duden, oudhoogduits diuten, oudfries bithiuda, oudengels geðiedan, oudnoors þýða; afgeleid van een woord voor ‘volk’, dat we ook nog kennen in ‘Diederik’ (vgl. Duits); de betekenis is dus eigenlijk ‘voor het volk uitleggen’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

duiden ww., mnl. dûden, dieden ‘uitleggen, betekenen’ (d.i. brabants-holl. ui tegenover vlaams ie, vgl. tegenw. vl. dieden), mnd. dūden ‘uitleggen, betekenen’, ohd. diuten ‘tonen, verklaren, betekenen, vertalen’ (nhd. deuten), ofri. bithiuda, bi-thioda ‘verklaren’, oe. ge-ðiedan, ge-ðīodan ‘vertalen’, on. þȳða ‘uitleggen, betekenen’. — Het germ. *þiuðianan betekent eig. ‘voor het volk duidelijk maken’ en is afgeleid van *þeuðō ‘volk’ (men heeft gedacht aan een nabootsing van lat. vulgāre, laat-lat. vulgarizāre bij vulgus ‘volk’). — Zie: duidelijk en duits.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

duiden ww., vla. (be)dieden, mnl. dûden, dieden “uitleggen, beteekenen”. Uit germ. *þiuðianan. Uit iu ontstond in het Vla. ie, in het Holl. ü̂ > ui. — ohd. diuten “toonen, verklaren, beteekenen, vertalen” (nhd. deuten), mnd. dûden “uitleggen, beteekenen”, ofri. bi-thiûda, bi-thiôda “verklaren”, ags. ge-ðîedan, ge-ðîodan “vertalen”, on. þŷða “uitleggen, beteekenen”. De ospr. bet. is “voor ’t volk (*þeuðô-) begrijpelijk maken”. Wellicht is dit ww. een geleerde formatie (misschien gevormd naar lat. vulgare, later-lat. vulgarizare bij vulgus), die zich van uit Duitschland over het overige w.- en ngerm. gebied verbreid en bij ’t volk ingang gevonden heeft. Vgl. voor de bet. nog ags. geðîode o. “taal, vertaling”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

duiden. Het bnw. duidelijk is al mnd. (dü̂delī̆k bnw. en bijw.). Ier. cumtûth ‘beschermen’ behoort wsch. niet in het verband, waarin het art. het aarzelend plaatst.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

duiden, bedieden o.w., Mnl. duden, dieden + Ohd. diuten (Nhd. deuten), Ags. điodan, On. þýđa; een afleid. van *died = volk, dus = vulgariser; beide vormen staan tot elkander als duitsch en dietsch (z.d.w.).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

duiden (vert. van Latijn vulgare)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

duiden* wijzen, uitleggen 1200 [CG II1 Servas]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut