Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dubbeltje - (tien cent)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dubbeltje zn. (NN) ‘tien cent’
Mnl. hondert dobblen ‘honderd munten van dubbele waarde’ [1432-68; MNW dobbele]; vnnl. dubbeltjen [1612; WNT zoet].
Verkleinwoord van het bn.dubbel: het muntje had de waarde van twee stuivers. Het Middelnederlandse dobbel(e), dobble (zn.) was de naam voor diverse gouden en zilveren munten.
Of deze benaming ook na de afschaffing van de gulden in Nederland gebruikt blijft worden voor de tien-eurocentmunt valt nog te bezien
In het Middelnederlands bestaat nog een woord voor een ‘dubbele’ munt: → dubloen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dubbeltje [muntstukje] {1612} eig. dubbele stuiver, stuk van twee stuivers (vgl. dubbel), middelnederlands dobbel was de naam van verschillende gouden en zilveren munten → beissie.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dubbeltje znw. o., eerst nnl. in de betekenis van ‘dubbele stuiver’, op dezelfde wijze gevormd als kwartje.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dubbeltje znw. o., nnl., “dubbele stuiver”. Een nnl. formatie als kwartje; vgl. ook extra-tje, eveneens een demin. znw., van een bnw. gevormd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

dubbeltjie s.nw.
1. (verouderd) Een pennie. 2. Dubbeltjiedoring.
In bet. 1 uit Ndl. dubbeltje (1612), so genoem omdat die muntstuk dubbeld soveel werd is as 'n stuiwer. In bet. 2 'n verkorting van dubbeltjiedoring.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

dub’beltje (het, -s), (thans) 1. munt ter waarde van een tiende (Surinaamse) gulden*. - 2. bedrag ter waarde van deze munt. - Syn. doni* (1).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

dubbeltjie: “bep. muntstuk”, vroeër = twee stuiwers, later = een pennie (n.a.v. devaluasie v. Ndl. geld na Eng. bewindsaanvaarding begin 19e eeu, v. Bosh VT 282); Ndl. dubbeltje – t.g.v. verwarring tans neiging om wv. duwweltjie (q.v.) vir die doring(plant) te reserveer.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dubbeltje ‘muntstuk’ -> Duits dialect Dübbeltje, Dübbelken ‘kleine Nederlandse munt, tweestuiverstuk, tweepfennigstuk’; Zuid-Afrikaans-Engels dubbeltjie, doublejee ‘muntstuk’ ; Papiaments depchi ‘muntstuk, tien cent’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

euro [munteenheid] (2002). Op 1 januari 2002 wordt de euro als officiële munteenheid ingevoerd in twaalf lidstaten van de EU, waaronder Nederland. Hierdoor raakt de oude muntterminologie (gulden, dubbeltje, kwartje, rijksdaalder, riks) in één klap verouderd. Het woord cent blijft in gebruik na de invoering van de euro, soms in de combinatie eurocent. Spreekwoorden met de oude muntnamen blijven gewoon bestaan (denk aan ‘Dat is een dubbeltje op zijn kant’).

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dubbeltje muntstuk 1612 [Toll.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

503. Een dubbeltje (of een stuivertje) op zijn kant,

d.w.z. het is onzeker hoe de zaak zal uitvallen; het is twijfelachtig hoe het af zal loopen; het hangt geheel van het toeval af. Vgl. Harreb. I, 158: ‘Dat is een stuivertje of dubbeltje op zijn kant, het is niet waarschijnlijk dat men zijn oogmerk bereikt: men zet niet gemakkelijk een stuivertje of dubbeltje op zijn kant’; fri. it is in dubeltsje op'e kant; Handelsblad, 10 Nov. 1915 (ochtendbl.) p. 5 k. 2: Toen er gestemd werd, bleek het een dubbeltje op zijn kant: 't stond 32 tegen 32 toen alleen de Voorzitter nog moest stemmen; 16 Juni 1914 (avondbl.) p. 5 k. 4: De Balkan-oorlogen zijn afgeloopen, maar de naweeën doen zich leelijk gelden, zoo leelijk, dat het een dubbeltje op zijn kant is of een nieuwe Balkan-oorlog zal uitbreken tusschen Griekenland en Turkije; De Telegraaf, 17 April 1914 (ochtendbl.) p. 3 k. 4: Een dubbeltje op z'n kant, dat we nog ooit iets van dat ondernemend troepje hooren. Vgl. het eng. it was but the turning of a feather; ook a toss-up; a turn-up of a die.

504. Een dubbeltje (of een stuivertje) kan vreemd rollen,

d.w.z. iets, dat men in 't geheel niet verwacht had, kan toch gebeuren; men kan nooit weten welk een wending of loop iemands lot kan nemen. Vgl. Harreb. II, 318: Een stuivertje kan raar rollen; Het Volk, 24 Dec. 1913 p. 1 k. 3: Maar dat dat dubbeltje zonderling gerold is, wie zal het ontkennen; Cremer, Bet. Novellen bl. 103: Dat stuuverke zou al roar motte loopen as Janssen in den Hoag kwiem; Nw. Amsterdammer, 8 Mei 1915 p. 3 k. 2: Het is niet te verwonderen, dat een geschiedenis in welke munten sprekend worden ingevoerd licht ontaardt in een weinig interessante variatie van ‘hoe een stuivertje rollen kan’; Kunstl. 79: Je wist nooit hoe lollig een rond stuivertje rollen kon in de wereld; fri. in dubeltsje kin raer rolje (as 't op 'e kant komt); zuidndl. je kunt nooit weten hoe een dubbeltje rolt (zie Ndl. Wdb. III, 3542); oostfri. 'n dübbeltje kan mal rullen', sä' de matrôs, dô harr' hê in Amsterdam ên jerlaren un fun' an d' kâp ên wër.

831. Die geboren is om te hangen, verdrinkt niet,

ook wel die voor de galg geboren is, zal niet verdrinken (of verzuipen), d.w.z. de booswicht ontgaat de hem toekomende straf niet, men ontloopt zijn lot niet. Volgens Harrebomée III, 25 komt dit spreekwoord in de 17de eeuw voor bij Gruterus II, 134; Mergh, 13; zie verder Tuinman I, 291; 318; 353; Volkskunde XI, 18; syn. die tot een' koekoek geboren is, zal de horens niet gemakkelijk ontgaan; die tot vier oorden (of een penning) geboren is, kan tot geen stuiver komen; die tot een stuivertje geboren is, wordt nooit een dubbeltje, vertaling van infortunatus ad tres obulos homo natus, nunquam nummorum dominus valet esse duorum (Werner, 42); die geboren is onder een duyt-planeet, en zal noyt meester van een oortjen worden (De Brune, Bank. 231). In het hd. wer am Galgen vertrocknen soll, ersäuft nicht im Wasser oder was zum Galgen geboren ist, ersäuft nicht; er ersäuft nicht, das Wasser ginge denn über den Galgen, dat kan worden vergeleken met laat-mnl.: hy en sal niet verdrencken, soe veer alst waeter over die galge niet en gaet (Campen, 95; Meijer, 44); nhd. wer zur Jacke geboren ist, der kommt zu keinem Rock; wer zu drei Hellern geboren ist, der kommt nicht auf zwei Pfennige; nd. was âm Galge sterve sall, wêd am Rhing (Rhein) niet versuffe oder sterv net em Bät (Eckart, 135); de to 'n knûst bakken is, word sin lêfen gin brôd; denn tu 'n Groschen üsz geboren, kömmt tu gennen Daler; denn tu 'n Fettmäntje geboren üsz, kann to genne Stüwer komme, enz. (Dirksen I, 75; De Cock1, 93); fr. ce qui est destiné au gibit ne se noie pas; eng. he that is born to be hanged shall (or will) never be drowned; hanging and wiving go by destiny. Zie Wander I, 1318.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut