Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dubbel - (tweevoudig, tweemaal; ambigu)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dubbel bn. ‘tweevoudig, tweemaal; ambigu’
Mnl. dobbel ‘tweevoudig’ [1278 Gijss. I-363], dubbel ‘id.’ [1400-20 MNW-R], dubbelt ‘id.’ 1460-80; MNW-R].
Ontleend aan Frans duble, doble [11e eeuw; Rey], eerder al Oudprovençaals dobpla [eind 10e eeuw; Rey] (Nieuwfrans double) < Latijn duplus ‘tweevoudig, dubbel’, van duo ‘twee’ (zie → duo en → twee), en de nultrap van de wortel pie. *pel- ‘vouwen’, waaruit ook → vouwen voortkomt; zie ook → diploma.
Al in het Middelnederlands bestond de variant dubbelt, dubbeld met zogenaamde paragogische -d of -t (zoals bij → arend), net als enkeld bij → enkel. Pas in de moderne schrijftaal worden deze varianten afgewezen.

EWN: dubbel bn. 'tweevoudig, tweemaal; ambigu' (1278)
ANTEDATERING: onl. als toenaam in: hugo dublels 'Hugo (de) Dubbele' [1066; ONW]
Later: dobble bote 'dubbele boete' [1277; VMNW] (EWN: 1278)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dubbel [tweevoudig] {dobbel, dubbel(t) 1278} < oudfrans double, doble < latijn duplus, duplex [tweevoudig, dubbel], waarin duo [twee]; geheel vergelijkbaar met grieks diplous, diplōs, waarin duō [twee]; het tweede lid van latijn plicare [vouwen], resp. grieks plekein [vlechten].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dubbel bnw., mnl. dobbel, zelden dubbel, dubbelt, evenals nhd. doppelt, doppel-, ne. double, nnd. dobbel, dobbelt (> de. dobbelt, zw. dubbel) < ofra. doble (nfra. double) < lat. duplus. — Zie ook: dobbelen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dubbel bnw., mnl. dobbel, zelden dubbel(t)(d). Uit ofr. doble (fr. double) en dit van lat. duplus. Evenzoo uit het Fr. hd. doppelt, doppel- (mhd dublîn), eng. double en via het Ndd. de. dobbelt, zw. dubbel. Het Mnl. had hiernaast twi-vout, twe-vout(d).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dubbel bijv., dial. en Mnl. dobbel, gelijk Hgd. doppelt, Eng. double, uit Fra. do(u)ble, Lat. duplum (-us), van duo (z. twee) met hetz. suffix als twijfel (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

dobbel (bn.) dubbel; Vreugmiddelnederlands dobbel <1278> < Frans double.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

dub’bel (de, -s), twee films die tijdens één bioscoopvoorstelling na elkaar vertoond worden. Vanaf dond. 7 aug. telkens om 8 uur n.m. een niet te evenaren dubbel () (DWT 7-8-1980, in adv.). - Etym.: Ook E double (zn.) kan dit bet. (het is in Guyana evenals in Sur. een algemeen verschijnsel). - Samenst.: actiedubbel, horrordubbel, sexdubbel, midnight dubbel (zie midnight*), enz.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

dubbel (Oudfrans do(u)ble)

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

dubbel-

Er wordt soms bezwaar gemaakt tegen enkele samenstellingen van dubbel met een substantief:

a. Dubbelbreking (‘het breken van een lichtstraal in twee stralen’) wordt afgekeurd als een germanisme (D. ‘Doppelbrechung’) voor ‘dubbele breking’.

Van Gelderen is het enige woordenboek dat dubbelbreking nog aanvaardt. De andere woordenboeken hebben dit zeldzame technische woord vanaf de jaren ’50 niet meer opgenomen.

b. Dubbelgreep (‘het gelijktijdig voortbrengen van meer dan één toon op een strijkinstrument’) is volgens Van Dale een germanisme (D. ‘Doppelgriff’). Van Gelderen en Elseviers Dictionary of Cinema, Sound and Music (Amsterdam, 1956) maken echter geen bezwaar tegen dubbelgreep.

Deze technische term wordt echter niet vaak gebruikt: in de meeste woordenboeken zal men hem vergeefs zoeken.

c. Dubbelpunt, als interpunctieteken, zou volgens Van Dale moeten worden vervangen door ‘dubbelepunt’. Hij aanvaardt het slechts in zijn wiskundige betekenis (punt = plaats). Hij noemt dubbelpunt niet uitdrukkelijk een germanisme maar de overeenkomst met het Duits ‘Doppelpunkt’ is overduidelijk. Eigenaardig is hier dat Koenen en Verschueren, die eerst geen bezwaar maakten tegen dubbelpunt, het sinds de jaren ’50 niet meer vermelden. Dit neemt echter niet weg, dat de andere woordenboeken (Kramers, Weijnen, Van Gelderen en Jansonius) dubbelpunt, naast dubbelepunt als correct Nederlands beschouwen.

Samenvattend kunnen we over de samenstellingen van dubbel met een substantief zeggen:

In de jaren ’70 staan er in de woordenboeken 34 samenstellingen van dubbel- met een substantief.

Slechts drie ervan, -breking, -greep, -punt, worden door sommigen als germanismen beschouwd. De eerste twee zijn technische woorden; over het derde bestaat er verschil van mening.

In de kranten en weekbladen heb ik nog eens 19 samenstellingen met dubbel- gevonden die niet in de geraadpleegde woordenboeken staan: dubbelalbum, -boog, -concert, -conus, -elpee, -functie, -garantie, -graf, -karakter, -monarchie, -moraal, -nummer, -pak, -politiek, -proces, -rol, -satelliet, -spion, -telling.

Het type zelf is dus erg produktief, echter meer in het Noorden dan in het Zuiden: slechts 2 van de nieuwe samenstellingen, dubbelspion en dubbelsatelliet, zijn van Zuidnederlandse oorsprong.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dubbel ‘tweevoudig’ -> Duits doppel ‘tweevoudig’; Deens dobbelt ‘tweevoudig’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors dobbel, dobbelt ‘tweevoudig’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch dobel ‘tweevoudig’; Ambons-Maleis dobol ‘tweevoudig’; Boeginees dôboló ‘tweevoudig’ (uit Nederlands of Portugees); Jakartaans-Maleis dobel, dobol ‘tweevoudig’; Javaans dhobel ‘tweevoudig; retourkaartje’; Kupang-Maleis dobol ‘tweevoudig’; Makassaars dôboló ‘tweevoudig’ (uit Nederlands of Portugees); Menadonees dobol ‘tweevoudig’; Muna dobolo ‘dubbele kaart (in kaartspel)’; Ternataans-Maleis dobol ‘tweevoudig’; Petjoh dubbele ‘militaire rang’; Petjoh dobol ‘tweevoudig’ ; Creools-Portugees (Batavia) dublo ‘tweevoudig’; Negerhollands dobbel ‘tweevoudig’; Papiaments dòbel ‘tweevoudig’ (uit Nederlands of Engels); Sranantongo dobru ‘tweevoudig; verdubbelen’; Surinaams-Javaans dhobel ‘tweevoudig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dubbel telwoord: tweevoudig 1278 [CG I1, 363] <Frans

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

dubbel, ambivalent, meest in verbindingen als ergens dubbel in zijn ‘ergens een tweeslachtige mening over hebben’; ergens dubbel tegenover staan ‘ergens een tweeslachtige mening over hebben’. De uitdrukking werd mogelijk voor het eerst gebruikt door Van Kooten en De Bie op zondag 28 september 1980, tijdens een sketch over een mannenpraatgroep. De heren stonden dubbel tegenover hun eigen en de andere sekse, zo vertelden ze. Aan de ene kant voelden ze zich mede schuldig aan de vrouwendiscriminatie, aan de andere kant wisten ze niet goed wat ze ertegen konden doen.

Hoe eenzaam ze zich ook voelen, zodra er een andere vrouw bij komt, is het opeens gewoner en is de aandacht weg. Daar zijn vrouwen heel dubbel in. (HP/De Tijd, 10/10/97)
Ik ben dubbel over hem. Enerzijds ben ik loyaal aan hem omdat hij in het verleden heel goeie dingen heeft gedaan als journalist. Maar tegenwoordig vind ik dat ie soms alle grenzen overschrijdt. (Nieuwe Revu, 19/11/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1279. Met dubbel krijt schrijven,

d.w.z. de rekening tweemaal zoo groot maken, als ze is; vier voor twee schrijven (16de eeuw; Tijdschr. XXI, 87); vooral van een herbergier gezegd, die twee voor een schrijft (Roode Roos, 177; Moortje, 2751). In de 17de eeuw komt de uitdrukking voor bij Godewyck, Wittebroodskinderen (anno 1641), bl. 60: De waert schryft met dubbel krijt veel schreven aen de want; Gew. Weeuw. III, 6. Zie verder Tuinman I, 67; Harrebomée I, 451; Ndl. Wdb. VIII, 257; Nkr. I, 13 April p. 6: Er is zelfs een geschiedschrijver die u (Floris V) negen-en-dertig wonden toeschrijft, doch die heeft blijkbaar met dubbel krijt geschreven; Het Volk, 15 Nov. 1913 p. 5 k. 1; 14 April, 1914 p. 13 k. 2: Indien dus alles wordt meegeteld, en dan bovendien met dubbel krijt wordt geschreven, kunnen de getallen van ‘De Tribune’ juist zijn; 15 Mei 1914 p. 1 k. 3: Kasteleins en kleine neringdoenden, die veel ‘poffen’, worden veelal verdacht, dat ze dubbel boekhouden, doch niet ‘dubbel of Italiaansch’, maar ‘met dubbel krijt’. Volgens Joos, 71; Antw. Idiot. 716; Teirl. 329 en Waasch Idiot. 177 is de uitdr. ook in Zuid-Nederland bekend, waar men eveneens zegt met herbergierskrijt schrijven, dat gelijk staat met ons 17de-18de eeuwsche met hoerenkrijt rekenen (zie V. Paffenrode, 103; Sewel en Halma); in Limb.: hij schrijft dubbel (of met herbergierskrijt). In het Haspengouwsch en Hagelandsch gebruikt men hiervoor met vet krijt schrijven (Rutten, 258; Tuerlinckx, 691). Ook in het Friesch: hy skriuwt mei dûbeld kryt of kastlynskryt, dat twee streepjes te gelijk maakt (zie W. Dijkstra II, 333 b; I, 404); in het hd. mit doppelter Kreide anschreiben; voor het nd. zie Eckart, 291.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal