Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

druppel - (bolletje vloeistof, vochtdeeltje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

druppel zn. ‘bolletje vloeistof, vochtdeeltje’
Mnl. dropel ‘kleine hoeveelheid vocht’ [1240; Bern.], druppele ‘waterdeeltje’ [1265-70; CG II, Lut.K], droppel ‘vochtdeeltje’ [1400-20; MNW-R]; vnnl. druppele ‘druppel’ [1562; Kil.], druppel na druppel ‘druppelsgewijs’ [1562; Kil.], druppel waters ‘kleine hoeveelheid, water’ [1562; Kil.], droppel ‘waterbolletje’ [1642; WNT verstijfd], druppel ‘kleine hoeveelheid’, zoals in “een druppel geleertheyts ofte wijsheyts” [1642; WNT vat I].
Druppel en droppel zijn verkleinwoorden met het achtervoegsel -el bij → drop 1. Het achtervoegsel -el (pgm *-ila-/*-ula- < pie. *-(e)lo-) duidde oorspr. afstamming aan (ook nog in het Gotisch) en dan ook verkleining, zoals in namen van kleine dieren als → krekel, → hommel, → kwartel, → wezel en in woorden als → korrel, → eikel, → ijzel, → kruimel, → trommel. Een andere groep woorden met dit achtervoegsel vormen werktuignamen, afgeleid van werkwoorden, bijv.beitel (bij bijten), → drevel (bij drijven), → schoffel (bij schuiven), (bij sluiten), → teugel (bij tijgen).
Os. drupil ‘druppel’ (mnd. drōpel), mhd. tröpfel, nfri. drippel.
Woorden met het achtervoegsel *-ila vertonen i-umlaut, bijv. druppel. In woorden met het achtervoegsel *-ula- ontbreekt deze, bijv. in droppel.
Van het verkleinwoord zijn later weer nieuwe verkleinwoorden gemaakt, omdat -el niet meer herkend werd als verkleiningsachtervoegsel: droppeltje [1657; WNT uitgaan] en druppeltje [1652; WNT zwaarhoofd]. Een ander verkleinwoord van drop, drup is drupje, dat ook wel ‘borreltje’ betekent [1786-93; WNT drop I].
Lit.: Schönfeld 1970, par. 79, par. 185; M. Philippa (1987) ‘Telwetenschap in de verkleining’, in: OT 56, 14-15

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

druppel*, droppel [vochtdeeltje] {dropel(e) 1201-1250} verkleiningsvorm van drup, drop.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

droppel znw. m. naast druppel met pp naast mnl. drōpel. nnl. dial. dreupel, mnd. drōpel m. ‘droppel’ en os. drupil ‘gummi’. Het woord is een verkleinwoord van drop 1; de vorm met pp kan intensief zijn of wijzen op afleiding van mnl. droppen, ohd. tropfōn en met iteratief-formatie nnl. druppelen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

drop I, drup, droppel, druppel znww. De umlautsvocaal u is klankwettig in het ww. druppen (reeds mnl. blijkens ’t znw. druppinghe v.) = mhd. trüpfen, mnd. druppen “druppelen”, ags. dryppan (eng. to drip) “doen druppelen”, wgerm. *drup(p)jan. Hierbij hoort het znw. mnl. druppe v. “droppel”, mhd. trupfe, trüpfe v., mnd. druppe v. “dakdrup”, fri. drip “druppel”. Mnl. (holl.) drop m. beteekent “strook grond onder de dakgoot”. Het germ. woord voor “droppel” was ðrupan-. In de zwakke casus ontstond pp uit idg. bn, vandaar de doubletten: 1. mnl. drōpe, onfr. dropo, ohd. troffo, os. dropo, ags. dropa (eng. drop), on. dropi m., 2. ohd. tropfo (nhd. tropfen) m., zw droppe “druppel”. Mnl. *droppe m. komt niet voor en ons drop I, Kil. droppe (naast druppe) zal wel niet direct op wgerm. *droppan- teruggaan. Wel kan ’t reeds mnl. droppel m. er van zijn afgeleid. Echter kan zoowel dit woord als drop I ook bij mnl. Teuth. droppen = ohd. tropfôn (nhd. tropfen) “druppelen” gevormd zijn (< vóórgerm. dhrub-nâ-). Gewoner dan droppel is mnl. drōpel (drȫpel) m. (nnl. dial. dreupel), mnd. drōpel m. “droppel”, os. drupil m. “gummi”. Al deze woorden komen van den stam van druipen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

druppel m., Mnl. id. + Mhd. tröpfel: diminut. van drop.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

dröppel (zn.) druppel; Vreugmiddelnederlands dropel <1240>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

drup’pel (de, -s), (ook:) een groen met witte tangara (vogel) met zwarte spikkels (Tangara punctata). Zie OJ. - Syn. stippelvink*.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

druppel, dropje Vooral in Vlaanderen en de Nederlandse provincie Limburg is druppel een zeer veelvoorkomende borrelnaam, maar hij is in zo’n beetje alle uithoeken van het Nederlandse taalgebied gesignaleerd, in bijna twintig verschillende vormen of schrijfwijzen. Die zullen we hier niet allemaal opsommen, maar de uitersten zijn drepke en druupke, met daar tussenin onder meer dripske (in Friesland), dröppel en druppie (onder andere in Amsterdam). Druppel en drop(je) komen het meest voor.
De naam is aan het eind van de 18de eeuw voor het eerst gevonden. Net als bijvoorbeeld traantje benadrukt dit eufemisme de geringe hoeveelheid drank per glaasje. Zoals voor de hand ligt bij zo’n wijdverbreide borrelnaam, is hij bij talloze schrijvers en dichters te vinden. Zo schreef A. Fokke Simonsz. in 1792:

Ze zit en schrijft nu den geheelen dag niet anders dan pamflets en satiren, en, tusschen ons, ze drinkt wel eens een druppeltje.

Ruim honderd jaar later, in 1896, schreef Justus van Maurik in Verspreide novellen:

Vader sloeg ook, maar alleen dan, als hij dronken was. Moeder altijd, maar toch was zij — de buren zeiden het — een knappe vrouw, die nooit een droppel proefde en eerbied had voor d’r godsdienst.

In West-Vlaanderen noemde men een grote borrel met een kop erop een druppel met een vooi. Een dialectwoordenboek uit 1873 geeft bij vooi, dat staat voor ‘alles wat op de rand van een hoed lijkt’, als voorbeeldzin: ‘Bazinne, geef mij eenen druppel, maar ’t moet een zijn met eene vooie.’
Speenhoff gebruikte de borrelnaam in 1904 in een liedje dat hij schreef naar aanleiding van de nieuwe drankwet:

Vroeger dronk je voor een duppie
Of een stuiver van dat vocht.
Tegenwoordig wordt je druppie
Enkel maar per kruik verkocht.
In zoo’n kruik gaan dertig proppies;
Sla die maar eens door je keel.
Door die kruiken met die doppies,
Drink je dertigmaal zooveel.

Bij twee dialectonderzoeken in 1980 gaven veel informanten op dat ze de borrelnaam kenden van een liedje met daarin de zin ‘Geef me nog ’n druppie, o wat is het leven schoon.’ Dit was indertijd een hit op bruiloften en partijen.
De druppel komt in verschillende uitdrukkingen voor. Zo zei men omstreeks 1865 in Vlaanderen een druppelken aan of op hebben voor ‘dronken zijn’. Een spreekwoordenverzameling uit 1874 vermeldt wie druppels koopt, moet geen spaarpot kopen en het laatste dropje heeft het hem gedaan. In Den Haag zegt men als een droppie voor ‘dronken’.
Iemand die wel een slokje lust, kan in het Engels van oudsher worden omschreven als fond of a drop. In het Frans betekende goutte ‘druppel’ oorspronkelijk een hoeveelheid sterke drank van 1 deciliter, later een borrel zonder meer. De Duitsers noemen sterke drank wel scharfe Tröpfchen ‘scherpe druppeltjes’, en het nuttigen van borrels vergelijken zij soms met het innemen van medicinale druppels: seine Tropfen (ein)nehmen.
Vergelijk beetje, goutte, over-het-IJ-kijkertje, traantje.

[Bo 1343; Collen 1979:8; Hoekstra 44; Joos 1887:172, & 1900:193; Ter Laan 1929:191; Mullebrouck 335; Nijm.vr. 80; NZ 4:100, & 26:467; PJM 55; Prikken 136; Schuermans 108; Staelens 20; Stoett 2:83; WFT 4:142; WNT III2 3522]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

droppel, druppel ‘vochtdeeltje’ -> Engels † droppell ‘vochtdeeltje’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds dröppel ‘gonorroe’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels druppels ‘eertijds vloeibaar merkgeneesmiddel’ ; Negerhollands druppel, drup, drőpl ‘vochtdeeltje’ (uit Nederlands of Engels); Papiaments drùp, drùpel (ouder: druppel) ‘vochtdeeltje’; Sranantongo dropu ‘vochtdeeltje’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

druppel* vochtdeeltje 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1832. Op een gloeiende plaat vallen,

eig. als een druppel water op een gloeiende plaat vallen (Harreb. I, 158), ook dat valt op een gloeienden of heeten steenVgl. Harreb. I, 360: Het valt op een' heeten steen (of op gloeiend ijzer); Brederoo II, 97 vs. 2390: Ick salder ten minsten een kinnetje of ses vaantjes inschieten. Ick heb brangt in myn keel, en een gloeyende steen in myn borst.... ik heb so onnatuurlycken dorst!, d.w.z. er is groot gebrek of behoefte aan; eig. gebezigd van een verkwikkenden dronk, doch meestal van geld, hetwelk men ontvangt op een oogenblik, dat men er juist zeer om verlegen is, en dat spoedig weer op is. Vgl. Tuinman I, 116: Haast ziet men den bodem van eene haalkan, byzonderlyk, wanneer de drinker een vonk, of exteroog, in de keel, en grooten dorst heeft, zo dat het valt als op een heeten steen; zie ook bl. 122; Nkr. IX, 6 Maart p. 6: We hadden het zoo bitter, bitter noodig. Wat een mooie mantelpakken stuurde je niet! Wat een flinken regenmantel! Och, 't viel altijd op een gloeiende plaat.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut