Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

druk - (zn.; bn.)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

druk 1 zn. ‘kracht; drang; het drukken, oplage’
Mnl. druc ‘angst, kwelling, droefheid’ [1350-1400; MNW-R], droc ‘id.’ [1400-50; MNW druck]; vnnl. Druck ende lijden ‘zwarigheid en lijden’ [1500; WNT verzoeten I], inden druck laten wtgaen ‘in druk uitgeven’ [1541; WNT uitgaan I], druckinghe, drucsel ‘druk, drang; angst’ [1562; Kil.], druk ‘last (van schattingen etc.)’ [1626; WNT zonder II], nnl. druk ‘uitgeoefende kracht’ [1792; WNT zoutig], druk ‘luchtdruk’ [1847; Kramers].
Afleiding van het werkwoord → drukken.
Mnd. dru(c)k ‘nood, druk’, ohd. druc ‘druk, samenstoten’ (nhd. Druck); Oud-West-Fries treck ‘last, moeite’ (nfri. druk); nzw. tryck; < pgm. *þrukki-.

druk 2 bn. ‘veel werk hebbend of met zich meebrengend’
Vnnl. druck, drock ‘veel werk hebbend of meebrengend’ [begin 17e eeuw; WNT].
Wrsch. voortgekomen uit het zn.druk 1. Het bn. kan zijn ontstaan in uitdrukkingen als Hi gaf mi droufheit ende druc ‘Hij gaf me droefheid en bedruktheid’ [1350-1400; MNW-R]; ook vnnl. kent druckelick, druckich ‘bedroefd’ [1573; Thes.]. Te vergelijken zijn misschien ook verbindingen als druk maken ‘verdriet aan de dag leggen’, in druk komen, zijn ‘bedroefd worden’.
drukte zn. ‘overvloed aan bezigheden; waar veel verkeer is’. Nnl. druktens (mv.) ‘id.’ [1736; WNT]. Wrsch. een tamelijk recente (18e eeuw?) afleiding met het achtervoegsel → -te bij het bn. druk, zoals Weiland in 1801 stelt: “drok, ook druk ... het is daar heel drok, daar is veel volk. Van hier drokte”.

EWN: druk 2 bn. 'veel werk hebbend of met zich meebrengend' (begin 17e eeuw)
ANTEDATERING: Het isser drang, en drock 'het is er vol gedrang en druk' [1613; Hooft, H1v]
EWN: ♦ drukte zn. 'overvloed aan bezigheden; waar veel verkeer is' (1736)
ANTEDATERING: in die drukte [1711; Boon, 12]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

EWN: druk 1 zn. 'kracht; drang; het drukken, oplage' (1350-1400)
ANTEDATERING: Tusschen dine drucke set bi wilen vermakinghe 'organiseer bij al je drukte soms ontspanning' [1301-50; iMNW vermakinge]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

druk* [het drukken] {druc, droc [druk, kwelling] 1351-1400} middelnederduits druck [druk, nood], oudhoogduits druc; daarnaast het bn. druk, drok [vol leven, bezig], vgl. middelnederduits druk (vgl. drukken).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

druk znw. m., mnl. druc ‘druk, kwelling’ (zelden), mnd. druck ‘druk, nood’, ohd. druc ‘druk, samenstoten’, owfri. treck ‘last, moeite’. — Daarnaast staat het bnw. druk, drok na Kiliaen, maar ook mnd. druk en in noordfri. dialecten (volgens Holthausen, Teuth 5, 1929, 268) een neerlandisme. — Zie: drukken.

Voor de verbreiding van dit woord tot ver in het Oosten van het nederduitse taalgebied vgl. W. Foerste, Der wortgeographische Aufbau des Westfälischen 1958.

druk znw. m., mnl. druc ‘druk, kwelling’ (zelden), mnd. druck ‘druk, nood’, ohd. druc ‘druk, samenstoten’, owfri. treck ‘last, moeite’. — Daarnaast staat het bnw. druk, drok na Kiliaen, maar ook mnd. druk en in noordfri. dialecten (volgens Holthausen, Teuth 5, 1929, 268) een neerlandisme. — Zie: drukken.

Voor de verbreiding van dit woord tot ver in het Oosten van het nederduitse taalgebied vgl. W. Foerste, Der wortgeographische Aufbau des Westfälischen 1958.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

druk znw., mnl. druc(ck) m. “druk, kwelling” (zeldzaam). = ohd. druc(cch) m. “druk, samenstooten” (nhd. druck), mnd. druck m. “druk, nood”, owfri. treck m. “moeite, last”. Bij drukken ww., mnl. drucken “drukken, benauwen, noodzaken”, ohd. drucchen (nhd. drucken, drücken), mnd. drucken, owfri.*þrekka (waarbij tracht “gedrukt”), ags. ðrycc(e)an, ozw. þrykkja “drukken” (èn afgeleide bett.). Germ. kk uit idg. qn (of ghn). Verwant zijn wsch. on. þrûga “dreigen” (voor de bet. vgl. dreigen), ohd. drûh, os. (hals-)thrûh v. “boei, klem”. Aangezien dit laatste woord germ. χ heeft, moeten wij hiervoor en wsch. ook voor de andere woorden van een basis met idg. tenuis uitgaan. Formeel laten zich lit. trúkstu, trúkti “scheuren” (intr.), trũkis “scheur”, tráukiu, tráukti “trekken” vergelijken; de grondbet. van idg. trū̌q- was dan “wrijven, een duwende resp. trekkende beweging maken”. Naast trū̌-q- ook trū̌-gh- in ier. trôg, truag “ellendig”, gr. trúkhō “ik wrijf”. Zie verder bij dreigen. — Het bnw. druk, drok, alleen ndl., komt nog niet bij Kil. voor. Wel bestaat mnl. druckelijc “bedrukt, treurig”. Druk is wsch. niet hieruit geabstraheerd, maar = druk znw. De geschiedenis van ’t woord is bezwaarlijk zonder materiaal na te gaan.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

druk. Over de germ. kk uit idg. qn in drukken vgl. bakken Suppl. 1e alin. — Het bnw. druk komt reeds mnd. (in Oost-Friesland), ook in noord-fri. diall. (Holthausen Teuth. 5. 268) voor, blijkbaar als neerlandisme.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

druk m. en bijv., verbaalabstr. van drukken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

druk ‘het drukken’ -> Madoerees drīk, drūk, ēddrīk ‘druk, het drukken’; Negerhollands dryk ‘bibliografische term voor alle exemplaren van een boek’.

druk ‘bezig, bedrijvig’ -> Fries drok ‘bezig, bedrijvig’; Vastelands-Noord-Fries druk ‘bedrijvig’; Duits dialect drok, druk, dröck ‘bedrijvig, haastig’; Javaans drègdrègan ‘jachtig, druk doen; veel werk meebrengend’; Menadonees drek ‘niet bij elkaar passende kleuren’; Creools-Portugees (Ceylon) drek ‘bedrijvig’; Papiaments drùk ‘bezig, bedrijvig’; Surinaams-Javaans dreg, drig ‘druk bezig zijn’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

druk* het drukken 1351-1400 [MNW]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

druk, druk, druk, cliché waarmee men duidelijk maakt dat men het buitengewoon druk heeft. Wellicht al erg oud, maar vooral sinds begin jaren negentig frequent in de pers.

Druk, druk, druk. (Titel van een column van Beatrijs Ritsema in NRC Handelsblad, 22/01/97)
De blinde tenor, die de afgelopen drie jaar in Noord-Europa een hit is geworden dankzij zijn licht verteerbare en typisch Italiaanse opera/popliedjes, is druk-druk-druk. (HP/De Tijd, 09/05/97)
Ik werd van het vliegveld opgehaald door twee beeldschone dames in een turquoise cabrio, lag een half uur later in het zwembad van mijn hotel, mocht met dezelfde dames tennissen, maar als ik meer van golfen hield dan gingen we golfen. Kortom: druk, druk, druk. (NRC Handelsblad, 21/06/97)
‘Druk, druk.’ Voor Nederlandse directeuren blijven de werkweken onverminderd lang. (Elsevier, 28/06/97)
Een wervingstabloid van ‘Het Parool’ stelt vast dat de huidige lezer ‘druk, druk, druk’ is... (Elsevier, 16/08/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

502. Drukte maken,

ook wel drukkie maken (o.a. bij Speenhoff VII, 17; Kmz. 187), d.w.z. te keer gaan, zich aanstellen, trotsch, voornaam handelen of spreken; zich druk maken, vroeger hem (zich) bont maken. Van zoo iemand zegt men, dat hij is een druktemaker, een drukkie, een drukkiewicht (o.a. Jord. 193), kale drukkie (in Boefje, 61), veel drukte op zijn lijf heeft of veel koude of kale drukte (fri. kâlde drokte) heeft, waarvoor men in de Zaanstreek ook zegt: kouwe drukte met lawaaisaus, waarin ‘koud’ de beteekenis heeft van onnoodig, overbodig, zooals ook in het 17de-eeuwsche koude grimassen, d.i. malle, onnoodige fratsenOf moeten we denken aan koud in den zin van: wat anderen koud laat, zooals in het eng. cold news?. Volgens Hoeufft, 202 zegt men in Breda: ‘veel gezwaai op zijn lijf hebben’; in Antw. het druk hebben; zie ook Schuermans, Bijv. 100 a; fri. drokte meitsje.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut