Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

druipen - (in druppels vallen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

druipen ww. ‘in druppels vallen’
Onl. driepinda (teg.deelw.) ‘druipend’ en druppon (pret.) ‘dropen’ [10e eeuw; W.Ps.], driuphet ‘druipt’, drouph (pret.) ‘droop’ [ca. 1100; Will.]; mnl. drupen ‘druppen, druppelen’ [1240; Bern.], steen ... daer altoes water af drupet ‘steen waar altijd water af druipt/druppelt’ [1287; CG. Nat.Bl.).
Os. driopan; ohd. triofan (nhd. triefen ‘druipen’); ofri. driāpa (nfri. drippe); oe. drēopan (ne. (verouderd) dreep, drepe); on. drjúpa ‘druipen, druppelen’ (nzw. drypa); waarnaast causatieven met de betekenis ‘doen druppelen, vochtig maken’: mnl. drōpen (nnl. dial. drōpen); mnd. dröpen; ohd. troufen (nhd. träufen); oe. drīepan, drȳpan (ne. (verouderd) dripe); on. dreypa; < pgm. *dreup-an-, caus. *draup-jan-.
Verwantschap met Oudiers drúcht ‘dauw, druppel’ (zie ook → drop 1) lijkt mogelijk; verband met Grieks thrúptein ‘stukbreken, in stukjes breken’ is veel minder waarschijnlijk. Een Indo-Europese wortel is moeilijk te reconstrueren, pie. *dhreu- ‘vallen’ met een uitbreiding met -b lijkt onwaarschijnlijk. Mogelijk is er sprake van een substraatwoord.
De Oudnederlandse vormen driepinda en driuphet hebben een ander vocalisme dan de Middelnederlandse en latere vormen, wat misschien toe te schrijven is aan invloed van het Duitse origineel. In het Nederlands overheerst de vorm met -ū-, net als bij → sluiten en → kruipen; in de andere Germaanse talen komen alleen vormen voor die op pgm. *-eu- teruggaan.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

druipen* [in druppels neervallen] {oudnederlands druppon [zij dropen] 901-1000, middelnederlands drupen} oudsaksisch driopan, oudhoogduits triofan, oudfries driapa, oudengels dreopan, oudnoors drjúpa [druipen], vgl. Draupnir, de mythologische gouden ring waarvan om de 9 dagen 9 andere gouden ringen afdruipen. Naast causatief middelnederlands dropen, middelnederduits dröpen, oudhoogduits troufen, oudengels driepan, oudnoors dreypa; buiten het germ. grieks thruptein [in kleine stukjes slaan of wrijven], oudkerkslavisch drobiti [fijnwrijven, in kleine stukjes verdelen] → drop.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

druipen ww., mnl. drûpen, os. driopan, ohd. triofan, ofri. driāpa, oe. drēopan, on. drjūpa ‘druipen, druppelen’. Daarnaast een causatief nnl. dial. drōpen, mnl. drōpen, mnd. drö̃pen, ohd. troufen (nhd. träufen), oe. drīepan, on. dreypa ‘bedruppelen, vochtig maken’. — Idg. wt. *dhreub vgl. lett. drubazas ‘houtsplinter’ naast *dhreubh: gr. thruptō ‘stukbreken’ en *dhreup in lett. drupt ‘uiteenvallen’. Dit zijn afleidingen van *dhreu ‘stukbreken, stukbrokkelen’, waartoe ook *dhreus behoort, zie daarvoor: druisen (IEW 274-5). — Zie ook drop 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

druipen ww., mnl. drûpen. Vgl. ohd. triofan (nhd. triefen), os. driopan, ofri. driâpa, ags. drêopan, on. drjûpa “druipen, druppelen”. De mnl. nnl vorm veronderstelt oud û-vocalisme, vgl. bij buigen. Met û ook ’t zwakke mnd. drûpen, on. drûpa “slap neerhangen”. Deze bet. heeft ook *ðreupanan in sommige talen (vgl. ook nnl. druipstaarten, nog niet bij Kil.). Verwant met ier. drucht “dauwdroppel”, gr. thrúptō (aor. pass. etrúphēn) “ik verbrijzel, maak zwak”, lett. drubasas “splinter”: van de idg. bases dhrub-, dhrubh- “slap, brokkelig zijn, uiteen vallen, murw slaan, uit elkaar slaan”. Een causativum bij het sterke ww. *ðreupanan is ndl. dial. droopen, mnl. drôpen “laten druppelen, bedruipen”, ohd. troufen (nhd. träufen), ags. drîepan, on. dreypa “bedruppelen, bevochtigen”. Zie drop I. Idg. dhr(e)u-b-, dhr(e)u-bh- zullen hoogerop wel met dhreu-s- verwant zijn: zie druisen, en ook druif.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

druipen. Een zwak mnd. drûpen bestaat niet; mnd. drûpen komt als nevenvorm van het sterke ww. drêpen (= os. driopan) voor. Daarentegen moet bij de causativa (mnl. drôpen enz.) gevoegd worden mnd. drö̂pen ‘laten druppelen’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

druipen ono.w., Mnl. drupen, Os. driopan + Ohd. triofan (Mhd. en Nhd. triefen), Ags. dréopan, Ofri. driúpa, On. drjúpa = druppelen, drúpa = slap neerhangen + Oier. drucht = dauwdroppel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

drupe (ww.) druipen; Aajdnederlands driepin <901-1000>.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Drupen Oude N naam voor de Wulp ↑, voor het eerst in Schlegel 1858 (in Schlegel 1852 nog niet). Albarda 1897 zegt dat de naam in Noord-Holland voorkomt, maar de [uu]-klank is ongebruikelijk voor Noord-Holland (tenzij op Texel), aangenomen dat het woord iets met ‘druipen’ (vgl. E droop) te maken heeft, wat B&TS 1995 ook suggereren. In Drenthe is de naam Druper ‘Wulp’ [B&TS] dan meer op z’n plaats. Het benoemingsmotief kan eventueel de naar beneden gebogen snavel zijn; een andere mogelijkheid is dat verwezen wordt naar het (vermeende) regenvoorspellende geroep van de vogel (vgl. Regenwulp ↑).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

druipen ‘in druppels neervallen’ -> Deens dryppe ‘in druppels neervallen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors dryppe ‘in druppels neervallen’ (uit Nederlands of Nederduits); Sranantongo droipi ‘in druppels neervallen’.

druipen ‘zakken voor examen’ -> Papiaments druip ‘zakken voor examen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

druipen* in druppels neervallen 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

591. Van de galg druipen

komt thans alleen voor in de zegswijze: er uitzien alsof men van de galg gedropen is, dat wil zeggen het uiterlijk hebben van een schelm, een booswicht van de ergste soort, een galgetronie hebben; vgl. fr. avoir l'air d'un pendu ou une mine patibulaire; hd. aussehen wie vom Galgen gefallen; Galgenmiene en Galgengesicht; eng. a hangingface (-look), a hangdog look; gallowfaced. Ook wordt de zegswijze gebezigd van iemand, die er uitgeteerd en bleek uitziet. Zij komt voor bij Servilius, 262*: Hi siet al waer hi van der galghen ghedropen; ook in het dial. Duitsch kent men: er sihet als sei er drei tag am galgen, oder im rauch gehangen; er sieht aus, als wär' er vom Galgen gefallen; hei süt ut, as wenn 'e vam Galgen schüddet (snîen) wör (Wander I, 197-198; 207); in het fri.: hy sjucht er út oft er fen 'e galge fallen is (haveloos), welke laatste zegswijzen waarschijnlijk maken wat Winschooten, 51 zegt: Te scheep werd druipen gesegt als men het Anker soetjes laat afsakken tot op den boeg: waar van bij gelijkenis, iemand gesegt werd, van de galg te druipen, die soo lang gehangen heeft, dat hij daar afzaktVgl. door het bedstroo druipen, sterk vermageren; mnl. duer zyn stroyken sipen (Mnl. Wdb. VII, 1167); zie Noord en Zuid XXI, 172 en vgl. het Noordholl. druiper, appel die van den boom gevallen is.. Zie verder Mnl. Wdb. II, 445; De Brune, 291 (van de galg gevallen); Tuinman II, 87; Harreb. I, 199 b en Sewell, 228: Hy ziet 'er uit of hy van de galg gedroopen was, he looks as if he escaped the gallows. In Zuid-Nederland: Er uitzien gelijk eenen die van de galg gaan loopen is, mager en bleek (Antw. Idiot. 1692).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal