Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

druiloor - (lijzig persoon)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

druilen ww. ‘talmen, lusteloos zijn’
Vnnl. druylen ‘sluipen, stil gaan, lijzig gaan’ [1555; WNT aandruilen], druilen ‘zich uit de voeten maken, wegsluipen’ [1561; WNT], ‘suffen, lusteloos zijn of handelen’ [1642; WNT]; nnl. druilen ‘talmen, langzaam te werk gaan; sluimeren’ [1801; Weiland], (Zuid-Nederlands) ‘soezen, suffen’ [1875; WNT].
De herkomst is onduidelijk. Er wordt wel gedacht aan verwantschap met → dralen (NEW, Vercoullie).
Mnd. sik drullen ‘zich uit de voeten maken’; nfri drúlje ‘druilen, talmen, dralen’, Oost-Fries drölen, drauelen ‘talmen, zeuren’.
druiloor ‘lijzig, sullig persoon’. Nnl. druiloor ‘id.’ [1719; WNT druiloor I]. Letterlijk iemand die de oren laat hangen als een ziek paard of zieke koe.

EWN: ♦ druiloor 'lijzig, sullig persoon' (1719)
ANTEDATERING: vnnl. eerst het ww. druiloren als in: Wel hoe druloorje dus? 'wel, wat doe je suf' [1615; iWNT]
Later: zn. in: Druyloor jy wordt te groef genoodt 'druiloor, jij wordt in het graf genood' [1654; Kortswylige, 39] (EWN: 1719)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

druiloor: lusteloos iemand; sloom, saai persoon. Eigenlijk: iemand die de oren laat hangen. Het eerste lid komt van het werkwoord druilen (sluipen, zachtjes lopen). ‘Oor’ komt wel meermaals voor als onaangename karakteraanduiding. Zie bijvoorbeeld domoor*, kniesoor*, neetoor*. Een overtreffende trap is overgehaalde druiloor.

… Susanna, die mij beschuldigde van een druiloor te zijn, en een zeer slecht gezelschap voor jonge Dames. (Jacob van Lennep, De lotgevallen van Ferdinand Huyck, 1840)
Wat een druiloor, die Den Dulk. (Piet Bakker, De slag in de Javazee, 1951)
Die Smurf, die druiloor met dat snorretje. (Jan Cremer, Ik Jan Cremer. Tweede Boek, 1966)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

druiloor* lijzig persoon 1719 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut