Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

drossen - (ervandoor gaan, weglopen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

drossen ww. ‘ervandoor gaan, weglopen’
Nnl. in de afleidingen opdrossen ‘ervandoor gaan, ophoepelen’ [1707; WNT opdrossen] (maar volgens de WNT-redactie “reeds 17e-eeuws in de volkstaal van Holland”) en weggedrosr ‘ervandoor gegaan’ [1776; WNT weg II]. Als simplex drossen pas een eeuw later [1863; WNT]. Daarnaast de betekenis ‘doen afdrijven’, zoals in de stroom drost het schip [1872; Dale].
Herkomst onbekend. In andere Germaanse talen (behalve het Fries) komt het woord niet voor en de relatie met Frans drosser ‘doen afdrijven naar de kust (van een schip)’ [1777; Rey] is onduidelijk. Dat zou aan het Nederlands ontleend kunnen zijn, alwaar deze betekenis echter pas veel later verschijnt. Eerder gaat het hier om een betekenisontlening aan het Franse drosser (dat dan misschien een afleiding van drosse ‘touwwerk van een schip’ is < Italiaans trozza), die werd toegevoegd aan het al bestaande drossen ‘ervandoor gaan’, dat eerder alleen onovergankelijk was. FvW oppert dat dit woord via een stam pgm. *drohsōn- verwant zou kunnen zijn met → dragen, wat niet wrsch. is gezien de datering en de beperkte verspreiding.
Nfri. drosse ‘gaan’, opdrosse ‘ophoepelen’.
Vooral in de scheepvaart werd de term gebruikt voor het weglopen/deserteren van onder contract gestelde bemanningsleden. Zo is het woord als dros ‘het weglopen’ en droster ‘weggelopen slaaf’ ook in het Afrikaans terechtgekomen.

EWN: drossen ww. 'ervandoor gaan, weglopen' (1707*)
ANTEDATERING: 'k Gae mitje opdrossen [1712; Langendyk, 57]
Later: waar denkje naar toe te drossen ? [1730; Avantuurlyke reize, 155] (EWN: 1863)
{* De 1e attestatie in het WNT is niet uit 1707, maar uit De gedichten van Langendijk uit 1721.}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

drossen [deserteren] {1707} de herkomst van het woord is onbekend, evenals zijn relatie met frans drosser [doen afdrijven (naar de wal)]. De fr. woordenboeken menen dat het fr. woord ontleend is aan het nl., wat gezien de oudste datering van het fr. woord (1777) goed mogelijk is.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

drossen ww. ‘weglopen’ als schippersterm ‘meevoeren’, dial. ‘met volle zeilen varen’, vgl. nog fri. drosse ‘gaan’, opdrosse ‘zich wegpakken’. — > fra. drosser sedert 1771 in de bet. ‘naar de kust afdrijven’ (Valkhoff 119).

Daar het woord op een zo beperkt gebied voorkomt, is het moeilijk daarvan een etymologie te geven. FW 138 stelt voor een afleiding uit *drohsōn, dat hij dan met dragen verbindt; dat verklaart z.i. ook beter de overgankel. bet. van het woord. Verband met idg. *teres ‘in onrustige beweging zijn’ (vgl. gr. tréō ‘beven, vluchten’, lat. terreō ‘bang maken’ e.a.) is al heel weinig waarschijnlijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

drossen ww., met de bett. “meevoeren” en (dial.) “met volle zeilen varen” een schippersterm, in de bet. “wegloopen” algemeener. Ook fri. drosse “gaan”, opdrosse “zich wegpakken”. Men heeft aan ontleening uit fr. drosser “meevoeren, drossen” gedacht, maar ook ’t omgekeerde is mogelijk. Nog niet bij Kil. Mocht drossen toch een oud, in Holland aldoor gebruikt woord zijn, dan zou men het van de idg. basis teres- “in onrustige beweging zíjn” kunnen afleiden, een variant van terem-, terep- (zie draven). Hiervan ier. tarrach “bang”, lat. terreo “ik maak bang”, gr. tréō “ik beef, vlucht”, étersen· ephóbēsen (Hes.), obg. tręsą “ik schud” (óf genasaleerd tre-s- of van tre-m-, event. onder invloed van tre-s-), lit. tresiù “ik ben loopsch”, oi. trásati “hij beeft”, volgens sommigen ook arm. erer “het beven” en got. þrasabalþei v. “twistzucht”. Met ’t oog op de ss zou voor drossen een grondvorm wgerm. *droχsôn, verwant met dragen, dat in sommige talen “trekken” beteekent, nog waarschijnlijker zijn; dezelfde vocaaltrap vinden wij in ohd. mhd. truht v. “wat gedragen kan worden”. Deze etymologie verklaart ook beter de trans. bet. van het ww. In beide gevallen zou fri. drosse een neerlandisme zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

drossen o.w. (meevoeren, wegloopen), oorspr. onbek.; indien uit drohsôn, dan verwant met dragen; van hier Fr. drosser.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

drossen (Frans drosser)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

drossen ‘weggaan, deserteren’ -> Frans drosser ‘(maritiem) doen afdrijven; (fig.) duwen’; Zuid-Afrikaans-Engels droster ‘wegloper, voortvluchtige’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

drossen deserteren 1707 [WNT opdrossen] <?

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut