Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

droplul - (onhandig persoon)

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

droplul: 1) onhandig persoon; stommeling; wereldvreemd persoon. Wellicht een verwijzing naar iemand die geen erectie kan krijgen. Politieambtenaren gebruiken het woord dan weer in de betekenis van ‘wapenstok’.

Ik voelde me een droplul met m’n dunne benen in die geile poetties. (Haring Arie, Een leven aan de Amsterdamse zelfkant, 1968)
Dat die twee oerstomme droplullen voor de deur niks gehoord hebben, tenzij… (Arie B. Hiddema, Kif Kif, 1973)
Ga ze zelf maar smeren, droplul. (Bert Jansen, Zweedse meisjes, 1979)

2) (oorspr.marinetaal, racistisch) neger. Syn.: bimbo*.

De Bimbo’s konden nergens terecht bij de meisjes. Omdat ze eigenaardig roken en vreemde dingen van de meiden wilden. Daar moet je maar net trek in hebben, giechelden de deernen. ‘Aan zo’n knoert van een droplul in je gat!’ (Jan Cremer, Wolf. Het autobiografische verhaal uit De Hunnen, 1993)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut