Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

drop - (snoepsoort uit zoethoutwortelextract)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

drop 2 zn. (NN) ‘snoepsoort uit zoethoutwortelextract’
Nnl. Huismiddelen tegen de Hoest, bestaande in Tabletten van drop [1746; WNT], Om zijn jongeren broeder af te leeren, bij den Apothecar doosjens drop op krediet te halen [1862; WNT], dropjujube ‘uit drop bereide lekkernij’ [1865; WNT], dropje [1923; Koenen].
Oorspr. hetzelfde woord als → drop 1 ‘druppel, klein bolletje’, maar dan in de specifieke betekenis ‘een drop zoethoutwortelextract’, dat het basisbestanddeel is van drop.
Al in de oudste attestatie is drop een stofnaam voor het verdikte sap uit de wortel van de zoethoutboom (Glycyrrhiza glabra), waarvan toen al de hoeststillende werking bekend was. Niet alleen het extract zelf wordt zo genoemd, maar ook middelen die daaruit bereid zijn. Dat waren vroeger geneesmiddelen, maar al in de tweede helft van de 19e eeuw werd drop ook als lekkernij gegeten en als zodanig in de handel gebracht. Dan wordt ook opnieuw dropje gevormd als telbaar begrip voor een dropsnoepje.

EWN: drop 2 zn. (NN) 'snoepsoort uit zoethoutwortelextract' (1746)
ANTEDATERING: vnnl. Soet hout of drop soet hout ('verdikt sap van zoethout') ghenutticht, gheneest den borste [1603; Jacobs, D5v]
Later: "drop" van "Soethout" [1681; Winschooten] (EWN: 1746)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

drop 2 znw. v. ‘geneesmiddel’ eerst na Kiliaen, is hetzelfde als drop 1: het zijn de gestolde droppels van een stroperige vloeistof. — Zie: drops.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

drop II (geneesmiddel), nog niet bij Kil. Hetzelfde woord als drop I. Vgl. eng. drops o.a. “een soort suikerballetjes”, ndl. peredrops, -drups < eng. peardrops.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

drop s.nw.
Ingedikte ekstrak van die wortels van soethout, gebruik as smaakmiddel, lekkergoed en geneesmiddel.
Uit Ndl. drop (1746) in bg. bet., maar ook in die bet. 'druppel', so genoem omdat die sap van die soethout se wortels drupsgewys verkry word voordat dit stol.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

drop ‘lekkernij van zoethout’ -> Fries drop ‘lekkernij van zoethout’; Duits dialect Drop ‘lekkernij van zoethout’; Indonesisch drop ‘lekkernij van zoethout’; Petjoh derop, d'rop ‘lekkernij van zoethout’; Papiaments dròp ‘lekkernij van zoethout’; Sranantongo drop ‘lekkernij van zoethout’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut