Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

drop - (druppel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

drop 1 zn. ‘druppel’
Onl. (mv.) dropon ‘druppels’ [10e eeuw; W.Ps.], (genitief mv.) fol thero naghtdrophon ‘vol van de dauwdruppels’ [1100; Will.]; mnl. drope ‘druppel’ [1240; Bern.], drop ‘druppel, traan’ [1477; Teuth.]; vnnl. drup ‘neerdruppelend vocht’ [1552; Apherdianus], Droppe, droppele, druppe, druppele ‘druppel’ [1599; Kil.].
Vorming bij de wortel van het werkwoord → druipen.
Os. dropo (mnd. drope); ohd. troffo naast tropho (< *dropp-) (mhd. tropfe, trophe, mdd. troppe); oe. dropa; on. dropi (nzw. droppe); < pgm. *drupa(n) ‘druppel’.
De vocaal in → druppel vertoont i-umlaut voor de uitgang *-ila, evenals → druppen voor de uitgang *-jan. Als gevolg van analogie worden ook vormen met -u- aangetroffen waar geen umlautsfactor aanwezig was: drup naast drop, en omgekeerd: droppel naast druppel.
De dubbele -pp- in droppe en druppe kan uit het verkleinwoord → druppel zijn overgenomen, maar ook uit het frequentatieve werkwoord → druppelen.
Lit.: Schönfeld 1970 par. 79

EWN: drop 1 zn. 'druppel' (10e eeuw)
ANTEDATERING: dropp 'druppel' [801-1000; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

drop*, drup [druppel] {oudnederlands dropo 901-1000, middelnederlands drop, drup [druppel]} oudengels dropa, oudnoors dropi en middelnederduits droppe, oudhoogduits tropho; van druipen; (zoute) drop is hetzelfde woord, namelijk gestolde vloeistof (vgl. druppel). In de uitdrukking van de regen in de drup betekent ‘drup’ niet ‘druppel’, maar ‘het van de dakrand af druppende water’, waarvan je nog natter werd dan van de regen zelf.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

drop 1 znw. m. naast drup en de verkleinwoorden droppel, druppel. Wij vinden naast elkaar de germ. vormen *drŭpan: mnl. drōpe, onfrank. dropo, os. dropo, ohd. troffo, oe. dropa, on. dropi en *drŭppan: ohd. tropfo (nhd. tropfen), mnd. droppe, die het best als intensief-vorm te verklaren is. — Zie verder: druipen.

Mnl. drop betekent ook ‘strook grond onder de dakgoot’ (vgl. van de regen in de drop), vgl. mnd. druppe ‘dakdrup’, vgl. ohd. trouf, mhd. trouf m., troufe v., nhd. traufe (met ablaut).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

drop I, drup, droppel, druppel znww. De umlautsvocaal u is klankwettig in het ww. druppen (reeds mnl. blijkens ’t znw. druppinghe v.) = mhd. trüpfen, mnd. druppen “druppelen”, ags. dryppan (eng. to drip) “doen druppelen”, wgerm. *drup(p)jan. Hierbij hoort het znw. mnl. druppe v. “droppel”, mhd. trupfe, trüpfe v., mnd. druppe v. “dakdrup”, fri. drip “druppel”. Mnl. (holl.) drop m. beteekent “strook grond onder de dakgoot”. Het germ. woord voor “droppel” was ðrupan-. In de zwakke casus ontstond pp uit idg. bn, vandaar de doubletten: 1. mnl. drōpe, onfr. dropo, ohd. troffo, os. dropo, ags. dropa (eng. drop), on. dropi m., 2. ohd. tropfo (nhd. tropfen) m., zw droppe “druppel”. Mnl. *droppe m. komt niet voor en ons drop I, Kil. droppe (naast druppe) zal wel niet direct op wgerm. *droppan- teruggaan. Wel kan ’t reeds mnl. droppel m. er van zijn afgeleid. Echter kan zoowel dit woord als drop I ook bij mnl. Teuth. droppen = ohd. tropfôn (nhd. tropfen) “druppelen” gevormd zijn (< vóórgerm. dhrub-nâ-). Gewoner dan droppel is mnl. drōpel (drȫpel) m. (nnl. dial. dreupel), mnd. drōpel m. “droppel”, os. drupil m. “gummi”. Al deze woorden komen van den stam van druipen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

drop I, drup, droppel, druppel znww, druppen ww. Voor de verklaring van -pp- uit idg. -bn- zie bij bakken Suppl., 1e alin. Bij een woordfamilie als die van drop ligt het zeer voor de hand, de vormen met geminaat op te vatten als intensiefformaties.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

drup m., Mnl. id. + Ohd. tropfo (Nhd. tropfe), Eng. drop, van denz. stam als ’t meerv. imperf. van druipen met u = ö en pp = Idg. bn.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

druppel, dropje Vooral in Vlaanderen en de Nederlandse provincie Limburg is druppel een zeer veelvoorkomende borrelnaam, maar hij is in zo’n beetje alle uithoeken van het Nederlandse taalgebied gesignaleerd, in bijna twintig verschillende vormen of schrijfwijzen. Die zullen we hier niet allemaal opsommen, maar de uitersten zijn drepke en druupke, met daar tussenin onder meer dripske (in Friesland), dröppel en druppie (onder andere in Amsterdam). Druppel en drop(je) komen het meest voor.
De naam is aan het eind van de 18de eeuw voor het eerst gevonden. Net als bijvoorbeeld traantje benadrukt dit eufemisme de geringe hoeveelheid drank per glaasje. Zoals voor de hand ligt bij zo’n wijdverbreide borrelnaam, is hij bij talloze schrijvers en dichters te vinden. Zo schreef A. Fokke Simonsz. in 1792:

Ze zit en schrijft nu den geheelen dag niet anders dan pamflets en satiren, en, tusschen ons, ze drinkt wel eens een druppeltje.

Ruim honderd jaar later, in 1896, schreef Justus van Maurik in Verspreide novellen:

Vader sloeg ook, maar alleen dan, als hij dronken was. Moeder altijd, maar toch was zij — de buren zeiden het — een knappe vrouw, die nooit een droppel proefde en eerbied had voor d’r godsdienst.

In West-Vlaanderen noemde men een grote borrel met een kop erop een druppel met een vooi. Een dialectwoordenboek uit 1873 geeft bij vooi, dat staat voor ‘alles wat op de rand van een hoed lijkt’, als voorbeeldzin: ‘Bazinne, geef mij eenen druppel, maar ’t moet een zijn met eene vooie.’
Speenhoff gebruikte de borrelnaam in 1904 in een liedje dat hij schreef naar aanleiding van de nieuwe drankwet:

Vroeger dronk je voor een duppie
Of een stuiver van dat vocht.
Tegenwoordig wordt je druppie
Enkel maar per kruik verkocht.
In zoo’n kruik gaan dertig proppies;
Sla die maar eens door je keel.
Door die kruiken met die doppies,
Drink je dertigmaal zooveel.

Bij twee dialectonderzoeken in 1980 gaven veel informanten op dat ze de borrelnaam kenden van een liedje met daarin de zin ‘Geef me nog ’n druppie, o wat is het leven schoon.’ Dit was indertijd een hit op bruiloften en partijen.
De druppel komt in verschillende uitdrukkingen voor. Zo zei men omstreeks 1865 in Vlaanderen een druppelken aan of op hebben voor ‘dronken zijn’. Een spreekwoordenverzameling uit 1874 vermeldt wie druppels koopt, moet geen spaarpot kopen en het laatste dropje heeft het hem gedaan. In Den Haag zegt men als een droppie voor ‘dronken’.
Iemand die wel een slokje lust, kan in het Engels van oudsher worden omschreven als fond of a drop. In het Frans betekende goutte ‘druppel’ oorspronkelijk een hoeveelheid sterke drank van 1 deciliter, later een borrel zonder meer. De Duitsers noemen sterke drank wel scharfe Tröpfchen ‘scherpe druppeltjes’, en het nuttigen van borrels vergelijken zij soms met het innemen van medicinale druppels: seine Tropfen (ein)nehmen.
Vergelijk beetje, goutte, over-het-IJ-kijkertje, traantje.

[Bo 1343; Collen 1979:8; Hoekstra 44; Joos 1887:172, & 1900:193; Ter Laan 1929:191; Mullebrouck 335; Nijm.vr. 80; NZ 4:100, & 26:467; PJM 55; Prikken 136; Schuermans 108; Staelens 20; Stoett 2:83; WFT 4:142; WNT III2 3522]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

drop, drup ‘druppel’ -> Japans doroppu ‘druppel’; Koreaans tŭrop'ŭ, tŭrop' ‘druppel’ ; Sranantongo dropu ‘druppel; druppelen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

drop* druppel 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1920. Van den regen in den drup

d.w.z. van een onaangenamen toestand in nog erger geraken; van den wal in de sloot; vgl. Sewel, 725: Van den regen in de sloot; hd. aus dem Regen in (oder unter) die Traufe kommen; fri. fen 'e rein yn 'e drip komme; vgl. verder mlat. incidit in Scyllam cupiens vitare Charybdim (van de Scylla in de CharybdisOntleend aan Alexandreis van Gualtherus ab Insulis, 5, 301: de regel is eene navolging van een grieksch spreekwoord bij Apostolius, 16, 49 (Büchmann, 415).); de calcaria in carbonariam pervenire; gri. φευγων καπνονεις πυρ εμπιπτει; tendere de fumo ad flammam (Sart. I, V, 64: uyt de roock in 't vier loopen); fr. tomber de la poêle dans la braise; tomber de fièvre en chaud mal; eng. to fall out of the frying pan into the fire (Tuinman I, 298: uit de pan in 't vuur springen). In Groningen: van de Eems in de Dollert komen (Molema, 82 b); Rutten, 198 b: van een scheele op een blinde vallen; Joos, 115: van 't vagevuur in de hel loopen; van den kant in den gracht vallen; ndd. van der Matten up 't Stro kamen; van der Platten in der Matten kamen; zie Wander III, 1582; Taalgids V, 175-176; Volkskunde IX, 203-204; Antw. Idiot. 383; Harreb. I, 158; Ndl. Wdb. III, 3465 en no. 589. (Aanv.) Moet hier gedacht worden aan den drup van een goot, die behalve nat ook nog vuil is? komen,

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut