Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

droogkloot - (saai persoon)

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

droogkloot, droogpruimer, droogscheet, droogstok: saai, vervelend persoon. Bij Bredero lezen we al: ‘Ja siet dese Jan droogh-kloot, hoe ist hier, seck femel-laar?’ Droogkloot verwijst eigenlijk naar een brok klei, een droge kluit (kloot), onder meer gebruikt bij het kloot- en kleiduifschieten (zie Spruijt, 2001). Een droogpruimer is in feite iemand die veel eet zonder erbij te drinken. O. a. opgetekend door Boekenoogen en bij J. ter Gouw (De Volksvermaken, 1871). Zie verder nog Stoett.

In weerwil van ’t geen zij daar straks had ‘wèl beschouwd’, of ‘wèl ingezien’, was die onverwachte uitkomst toch allerverschrikkelijkst; zij had er zoo niets geen idée op gehad, ‘net zooveel, als die onnoozele droogstok.’ Bertus was goed, maar eigenwijs, niet degelijk genoeg. (J.J. Cremer, Daniël Sils, 1856)
Die smerige droogpruimer, die rooie Dommela, die armoedige anarchist was haar Molly niet waard geweest. Zij wou, dat zij hem achter de tralies kon brengen, die bommenwerper met zijn uitgestreken smoel en zijn fluimerig spraakje. (B. Canter, Kalverstraat, 1904)
Toen Vincent in aanraking kwam met Mauve (die aan hem geparenteerd was) zei deze tot hem: ‘Ik heb altijd gedacht, dat ge een droogkloot waart, maar nu merk ik wel, dat dit niet zoo is.’ (De Groene Amsterdammer, 19/07/1914)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal