Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

droog - (niet nat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

droog bn. ‘niet nat’
Onl. mit drugon fuozen ‘met droge voeten’ [1100; Will.]; mnl. droge ‘droog’ [1240; Bern.].
Vermoedelijk betekent het woord ‘waaruit het water is weggesijpeld’; het hoort bij een pgm. wortel die beperkt is tot het Noordzee-Germaans. Meer landinwaarts werden vormen van een mogelijk verwante pgm. wortel gebruikt, die ook in het Middelnederlands verschijnt als drocken, drucken ‘droog’ [1477; Teuth.]. De verhouding tussen beide wortels is niet duidelijk. Gezien de beperkte verspreiding en het betekenisveld kan aan een substraatwoord gedacht worden.
Mnd. droge, druge ‘droog’; < pgm. *draugi- ‘droog’. Daarnaast ook oe. dryge ‘droog’ (ne. dry), mnl. drughe, drueghe; < pgm. *drūgi- met dezelfde betekenis; de vorm in Will. hoort hier vermoedelijk bij. Bij deze Noordzee-Germaanse wortels *draug-, *drug- vermoedelijk ook oe. drēahnian ‘doorsijpelen’; mnd. drōg ‘fijne zeef’, drōgen ‘zeven’. Verder landinwaarts zijn mogelijk verwant ohd. truckan ‘droog, dorstig’ (> nhd. trocken ‘droog’), os. drokno ‘droog’, druknian ‘drogen’; < pgm. *drukn-.
drogen ww. ‘droog maken’. Mnl. drogen ‘drogen’ [1240; Bern.], (verbogen infinitief) te droghene ‘te drogen’ [1277; CG I,364]. Afleiding van droog.
Lit.: J. Verdam (1884) ‘Druugh (druigh)’, in: TNTL 4, 205-8; N. van Wijk (1913) ‘Mnl. drughe “droog”’, in: TNTL 32, 184-7; Willy Krogmann (1937) Die Heimatfrage des Heliand im Lichte des Wortschatzes, Wismar, 22-33; Willy Sanders (1970) “Der altniederländische ‘Leidener Williram’. Eine präkursorische Skizze”, in: Festschrift für William Foerste (Niederdeutsche Studien 18), Köln-Wien, 412-23; Heidermanns 157-58, 162-63

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

droog* [niet nat] {droge, drooch 1220-1240} oudsaksisch drōgi, oudengels drȳge, fries drūgje [drogen], oudhoogduits trucchan; er zijn geen verwanten buiten het germ. gevonden; de etymologie is onbekend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

droog bnw., mnl. drôghe naast dröghe (dit ook in nnl. dial.), os. drōgi uit een grondvorm germ. *draugia (vgl. on. draugr ‘boomstam’, waarsch. eig. ‘droge stam’). Daarnaast abl. *drūgia in oostnnl. drûge (dat vroeger ook in het Westen bekend was, maar verdrongen werd door droog, vgl. van Wijk Ts. 32, 1913, 184-7), oe. drȳge (ne. dry) ‘droog’. Met andere formatie *drugna > *drukka zoals in os. drukno, drokno bijw. ‘droog’, ohd. trockan, trucchan (nhd. trocken).

Geen bevredigende verklaring. Onwaarsch. verbinding met lit. drugỹs ‘koorts, vlinder’, russ. drozú ‘sidderen, beven’ (IEW 275) bij een idg. wt. *dhreugh ‘sidderen, ineenschrompelen’. Bij een zo uitsluitend germ. woord misschien herkomst uit substraattaal.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

droog bnw., mnl. drôghe, dial. nnl. (en mnl.) met ö̂. De dialectvormen wijzen op een grondvorm wgerm. *drauʒia-, = os. *drôgi, westf. (Soest) dròěʒə. Vgl. on. draugr “droog hout”. Daarnaast *drûʒia- in ags. drŷge “droog” (eng. dry). De û ook in ags. drûgian “droog worden”, drûgoð v. “droogte” (eng. drought). Met germ. ŭ ohd. trockan, trucchan (nhd. trocken), os. bijw. drukno, drokno “droog”, met kk uit idg. ghn of qn. Verwanten van deze germ. basis ðrŭʒ-, ðrauʒ- zijn niet bekend. Verwantschap met lit. drungnas, drugnas, drugnus “lauw” of met ier. droch “slecht” is mogelijk, maar beide combinaties zijn vage hypothesen.

[Aanvullingen en Verbeteringen] droog. Mnd. oostmnl. ook drûge = ags. drŷge.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

droog. Mnl. drûghe = ags. drŷge is niet uitsluitend oostmnl. (v.Wijk Aanv.), maar kwam ook in het Westen voor, in de latere ME. nog slechts sporadisch. Ook mnd. komt drü̂ge voor, naast drö̂ge. (Het bij droogte vermelde mnd. woord stelt drö̂gede voor). [Over de kk van ohd. trockan vgl. nog Frings PBB. 59, 456 vlg. — Corr.]

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

droog bijv., Mnl. droge + Ags. drýge (Eng. dry), On. draugr (= droog hout); daarnevens vormen met -n- suffix, en dubbele k uit Idg. ghn’ of kn’: Os. drukno + Ohd. truchan (Mhd. trucken, Nhd. trocken): niet verder op te sporen. In ’t Ndl. zijn vormen met zachtl. ō (uit ŏ, ŭ) en met scherpl. ô (uit au) samengevallen; het Ags. heeft een umlaut van û.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

druug (bn.) droog; Aajdnederlands drug <1100>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

droog, (ook:) mager. Je bent droog! Een droge vent.
— : droog bakken (bakte, heeft gebakken), bakken in dun laagje olie, vet of boter (vlees, vis e.d.). De rest van het zoutvlees* droog bakken in eigen vet of met 1 theelepel margarine (S&S 58). - Etym.: Droog bet. hier dat er maar weinig olie o.i.d. op de bodem van de pan is.
— : droge noot (de, noten), rijpe kokosnoot. - Etym.: Bevat geen of weinig melkachtig sap. De naam wordt alleen gebr. als onderscheid t.o.v. waternoot* nodig is.
— : zie droge ogen* hebben.
— : droge tijd (de, -en), 1. een van de twee seizoenen met een tekort aan regen: zie grote en kleine droge* tijd. Ik moet aan vliegers denken in de droge tijd, zei hij en luisterde opvallend naar het geritsel van het witte papier (Vianen 1972: 55). - 2. (i.h.b.) grote droge* tijd: z.a. In den regentijd*, dus vooral in Mei en Juni, groeit het onkruid zeer snel, in den drogen tijd echter (September-November) behoeft men niet het wieden zoo spoedig te herhalen (Enc.NWI 189). - Etym.: Oudste vindpl. van 2 plak. van 1670 (S&dS 58). - Zie ook: regentijd*, natte* tijd.
— : grote droge tijd, lang seizoen met een groot tekort aan regen, in Noord-Suriname gemiddeld van half augustus tot begin december. Het openkappen [van grondjes*] geschiedt door de mannen. Zij hakken de bomen om in de ‘grote droge tijd’, in oktober en november (Enc.Sur. 92). - Etym.: Oudste vindpl. 1776 (zie De Beet 216). Herlein (1718: 23) noemt dit seizoen Grote Droogte. - Zie ook: natte* tijd, regentijd*.
— : kleine droge tijd, kort seizoen met een klein tekort aan regen, in Noord-Suriname gemiddeld van begin februari tot eind april. De kleine droge tijd, die normaal van begin februari tot eind april loopt, is in de eerste weken van maart [1983] ingetreden (WS 7-5-1983). - Etym.: Oudste vindpl. 1776 (zie De Beet 216). Herlein (1718: 24) noemt dit seizoen Kleine Droogte. - Zie ook: natte* tijd, regentijd*.
— : droge verkoudheid (de, -heden), naam voor aandoeningen (vroeger i.h.b. tuberculeuze) van de luchtwegen, zonder slijmvorming. Ik ken een medicijn tegen droge hoest en droge verkoudheid (tbc) (Wooding 445).
— : droge vis (de), sterk gebarbakotte* (gedroogde en gerookte) vis. Degenen die vanwege geloofsredenen geen varken* of rund* mogen eten, kunnen kip* gebruiken. Verder kan er [in moksi-alesi*] ook vis, liefst droge vis gebruikt worden (A&P 1980a: 14). - Zie ook: warme* vis.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

droge hannes, droge klaas: saaie vent; houten klaas; droogstoppel. De tweede benaming wordt vermeld door o.a. Tuinman, Winschooten en Huizinga. Zie ook: droge haring*.

Omdat gy zo een drooge Klaas op myn fête waart. (E. Bekker, Wed. Wolff, Historie van den Heer Willem Leevend. 8 dln. 1784-1785)
Allo, jij Paljassie, dansen, dansen, allo! Ze omringden hem en éen van hen, Droge Hannes, noemden ze hem, pakte Jakob beet en begon met den jongen in ’t rond te springen, tot groot vermaak der anderen. (A.C.C. de Vletter, Paljas, 1902)

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

droge In het gebied rond Den Bosch wordt een biertje in de kroeg een natte genoemd. Een glaasje jenever wordt daar wel met het tegenovergestelde aangeduid, dus droge. In Groningen zei men aan het begin van deze eeuw hij heeft een droge zweer in zijn nek voor ‘hij heeft trek in een borrel’.

[Ter Laan 1929:87]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

droog ‘niet nat’ -> Engels drug ‘geneeskrachtige stof, verdovend middel; onverkoopbaar product’ ; Duits Droge ‘verdovend middel, medicijn, grondstoffen voor medicijnen’ ; Deens drug ‘verdovend middel’ ; Deens droge ‘grondstoffen voor medicijnen of voor technisch gebruik’ ; Zweeds drog ‘verdovend middel, drug’ ;? Frans drogue ‘ingrediënt bij de bereiding van medicijnen (verouderd); kwakzalversmiddel; vies drankje; verdovend middel’; Italiaans droga ‘kruiderij, specerij; drogerij; drug, opwekkend middel’ ; Spaans droga ‘drogerij; verdovend middel, geneesmiddel, oppepper; smoes; iets vervelends’ ; Portugees droga ‘bijzondere ingrediënten voor ververij, chemie, farmacie e.d.; verdovend middel; (fig.) iets triviaals, van weinig waarde; verdovend’ ; Baskisch droga ‘grondstof voor de chemie of de geneeskunde’ ; Bretons drog ‘grondstoffen voor medicijnen of voor technisch gebruik’ ; Kroatisch droga ‘geneesmiddel, verdovend middel’ ; Macedonisch droga ‘geneesmiddel, verdovend middel’ ; Servisch droga ‘geneesmiddel, verdovend middel’ ; Sloveens droga ‘geneesmiddel, verdovend middel, oppepper’; Bulgaars droga ‘geneesmiddel, verdovend middel’ ; Grieks drogè /drógi/ ‘verdovend middel, drug’ ; Maltees droga ‘verdovend middel, drug’ ; Esperanto drogo ‘substantie die in de chemie of medicijnen gebruikt wordt (verouderd); verdovend middel (hedendaags)’ ; Negerhollands droog, drok, drōk ‘niet nat’; Berbice-Nederlands droko ‘niet nat’; Skepi-Nederlands dróg ‘niet nat’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

droog* niet nat 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

496. Niet droog (of nog nat) achter de ooren zijn,

d.w.z. jong en onervaren zijn; eigenlijk nog zijn als een pasgeboren wezen. Meestal wordt het gezegd, wanneer een kind praat over dingen, die alleen groote menschen kunnen beoordeelen; ook van jongelieden die vroeg huwen. De oorsprong der uitdr. kan op de volgende wijze worden verklaard: ‘Een levende cel komt bijna nooit in rechtstreeksche aanraking met de buitenlucht voor. Vandaar dat de huid van 't pasgeboren kind weldra harder en droger wordt dan die in 't moederlijf was; waar nu huidplooien de werking van de lucht belemmeren, duurt dit proces langer dan elders, dus aan de liezen, aan den bilnaad en ook aan de ooren, die bovendien dikwijls door een mutsje tegen het hoofd worden gedrukt. Die laatste plek valt 't meest in het oog en daar konstateert de volkswijsheid dan bij voorkeur dat zeer jonge kinderen op enkele plekken nog eenigen tijd na de geboorte een vochtige huid behoudenTijdschrift XXVI, 69.. Volgens Schrader, Wunderg. 142 moet niet gedacht worden aan kinderen, maar aan een dier, bijv. een kalf: ‘Wenn ein Kalb geboren ist, so trocknen die Haare des ganzen Körpers sehr schnell an der Luft; nur die Stelle hinter den Ohren bleibt noch längere Zeit nasz oder feucht, weil die auf den Hals liegenden Ohren den freien Zutritt der Luft hindern’. De uitdr. dateert uit de 17de eeuw; men vindt haar o.a. bij De Brune, 464 en bij Brederoo I, 232; zie het Ndl. Wdb. XI, 39; Kluchtspel III, 53; Taalgids V, 159; Uit één pen, 115; P.K. 188, enz. Opmerking verdient, dat men in de 17de eeuw in denzelfden zin ook zeide: de handen kleven hem nog. Volgens Tuerlinckx, 404 zegt men in het Hagelandsch: gij zijt nog te nat, voor over die zaken mee te spreken; 165: nog nie druëg achter de oeëre zijn, nog jong en dom zijn, dat ook in het Antw. Idiot. 381 vermeld wordt naast nog geel zijn achter zijn ooren of nog geel zien onder zijn armen (bl. 455); in het Zuiden van Antwerpen: nog nat achter de ooren; in het Land van Waas: het geel is nog niet van achter zijn ooren of van zijnen does (achterste). In het fri.: hy is mar just droech efter de earen, hij is pas droog achter de ooren; in 't gron. hy is nog nijt dreug achter de ooren. Ook in het hd. er ist noch nasz (nicht trocken) hinter den Ohren; voor het westph. zie Woeste, 58 b en vgl. Wander IV, 1329. Eene synonieme uitdr. citeert Servilius, 10: Hi draecht den wendel noch aen den buyck, en wil preken (ante barbam doces senes); in de Snorp. II, 16: Hij draeght de swachtel noch om den buyck. De Engelschen zeggen: the cradle straws are scarce out of his breech, wat overeenkomt met het wiegestroo nog achter de ooren hebben (Goeree en OverflakkeeN. Taalgids XIII, 133.) en het wiegestroo is nog niet van zijn gat (Antw. Idiot. 2159). Vgl. fr. si on le pressait derrière les oreilles (ou si on lui tordait le nez) il en sortirait encore du lait.

497. Op 't droge zitten,

d.w.z. vast, verlegen zitten; ook: geen geld meer hebben (Waasch Idiot. 192 a). De uitdr. is ontleend aan het zeewezen. Onder het droge verstaan de zeelieden land dat droog ligt of ook platen, banken ‘en in het gemeen alle ondieptens, daar een schip niet vlooten kan’ (Winschooten, 51). Raakt dus een schip op eene bank of eene ondiepte, dan zit het op het droge, vast, welke uitdr. ook overdrachtelijk gebruikt wordt voor iemand, die verlegen zit en niet verder kan. Thans is ook bekend: ‘Hij zit als een visch op het droge’ (Potgieter), waarbij men natuurlijk te denken heeft aan een visch, die op het strand ligt. De zegswijze vinden wij o.a. bij Van Effen, Spectator V, 36: Het heucht me noch dat ik na den eersten January als een vis na 't water snakte, want tegen die tyd lag myn beurs gemeenlyk op 't droog. In Vlaanderen zegt men ook: op het zand zitten (Joos, 82). Vgl. nog het lat. haeret in salebra (bij Cicero de fin. 5, 28, 84); zie ook Wander IV, 1329; Woeste, 58 b; fr. être à sec; hd. auf dem Trocknen sitzen; eng. to get aground; fri. droech wêze, geen geld hebben; op 'e droechte sitte, op zwart zaad zitten (wat te vergelijken is met het Zuidndl. op droog zaad zitten); op 't strân sitte, geldeloos zijn.

952. Hoog en droog,

vooral in verbinding met het ww. zitten, d.i. ergens veilig, goed zitten (Waasch Idiot. 192 a); eig. op het hooggelegen terrein, de kant van een slootVgl. kantteekening op Haggai, 2, 7: Menschen die op het hooge drooge lant woonen; Huygens I, 130; De dorre schorre hey, het hooghe drooghe sandt.; vgl. Hooft Ger. v. Velzen. Inhoudt: Maer tot by Muyderberch ghetoghen, ende aldaer van een laeghe Naerders bespronghen zijnde, ende door sulcx ghenootsaeckt den Graeve te verlaeten, wort de selve.... uyt een sloote ghetrocken ende op 't hooge ghebracht. Ook: goed en wel, zooals ‘wij zaten al hoog en droog (syn. lang en breed) thuis, toen hij eindelijk kwam’; Harreb. I, 328: Hij zit hoog en droog, de kraaijen zullen hem niet op het hoofd sch.....; vgl. Vondel VII, 440: God de Heer zit hoogh en droogh; Huygens VI, 160: Hoogh en droogh gehangen (van dieven); Korenbl. II, 317: Ick soud hem eerst eens hangen en dan soo hoogh en droogh na 't drinckgeld doen verlangen; Sewel, 195: Hy hangt al hoog en droog, he hangs already at the gallows; vgl. Ndl. Wdb. VI, 1006; eng. high and dry; fri. heech en dreech.Moet men hier denken aan het I7de-eeuwsche hangen en drogen, zoolang aan de galg opgehangen blijven tot het lijk verdroogd is? vgl. Ndl. Wdb. V, 2067.

1378. Een droge (of heete) lever hebben,

d.w.z. veel dorst hebben, ook: gaarne zijn glas leeg drinken (Harreb. II, 20); een slappe lip hebben, een droge keel hebben (Ndl. Wdb. VIII, 1932). De lever wordt beschouwd als de zetel van den dorst. In de 18de eeuw staat de uitdr. opgeteekend bij Halma, 313: Eene heete lever hebben, tot den drank genegen zijn, avoir le foye chaud, aimer à boire. Zie verder Villiers, 73; Joos, 79; Teirl. II, 210; Tuerlinckx, 366; Antw. Idiot. 381; Wander II, 1867; Woeste, 159: He het ne droege lever; De Bo, 271: Een droogen lever hebben, genegen zijn tot den drank, veel drinken; bl. 628: Den lever doen zwemmen, drinken dat de lever zwemt, overvloedig veel drinken. In het hd. eine zu grosze Leber haben; in het nd. hä hiät 'ne dröge liäwer (Eckart, 317); er hat eine durstige Leber (Wander II, 1867); die Leber feuchten, zechen (Wander V, 1546); in Transvaal: ek is droge lewer (Hesseling, 112); eng. (verouderd) hotlivered, opvliegend; hot liver als teeken van grooten dorst (Prick2, 65).

1602. Zijn natje en zijn droogje lusten,

d.w.z. goed kunnen eten en drinken, veel van drank en spijs houden. In de 16de eeuw bij A. Bijns: Zy mach haer drooghe wel, en niet min haer natte (Leuv. Bijdr. IV, 324); Sart. II, 3, 84: Hy mach sijn drooghjen wel, ende sijn natjen niet qualijck; Brederoo I, 224, vs. 334: 't Is een goed etend gesel, en hy siet wonder gaeren vrouwen; hy mach zyn natje en zyn drooghje wel; Van Moerk. 238; Tuinman I, 99; 109; Falkl. VI, 48: Twintig jaren is in natje- en droogje-uren berekend een soliede hoeveelheid; Slop, 27: Ze nam haar natje en droogje op tijd, liet zich aan niets ontbreken; Falkl. IV, 124; VI, 126: Maar nou Laura d'r betrekking verloren had, werden natje en droogje eerst bedenkelijk klein; De Arbeid, 30 Mei 1914, p. 1 k. 1: Zij (de priesters) hebben hun natje en droogje op hun tijd en ook wel eens extra; Ndl. Wdb. IX, 1578; Molema, 276 a: hij lust zien nat en dreug wel = hij ken zien nat en dreug wel op, hij is een goed eter, heeft steeds goeden eetlust; Land v. Waas: geren zijn nat hebben (of meugen); Antw. Idiot. 847: äij mag zijn nat en zijn droog goed of hij mag zijn dik en zijn dun wel; in Jord. II, 24 is sprake van iemands bikkie en likkie. In het Friesch zegt men: hy is goed by syn sûpe en stút naast hy mei syn wiet en droech wol. Vgl. eng. a wet, een borrel, een spatje (zie no. 1633).

1977. Hij heeft zijne schaapjes op het droge,

d.w.z. hij is een welgesteld man; hij heeft genoeg verdiend, om nu rustig en onbezorgd te kunnen leven; hd. er hat sein Schäfchen im Trocknen. De uitdrukking komt in de 16de eeuw voor bij De Pauw, Mnl. Ged. en Fragm. II, 353 (anno 1510): Al heeft menich sijn scapen op trooghe ende mine int water staen toten knien; Campen, 120: hy heft syn schapen opt droege gebracht; Tijdschr. XXI, 108: U dunckt ghi hebt nu u scapen opt droge; Sart. I, 1, 82: sijn schapen op droogh hebben, waar de opmerking gemaakt wordt, dat wij, met het oog op het lat. in portu navigare, beter zouden zeggen: ‘sijn scheepen op droog hebben’, welke verandering evenwel door de plaatsen uit Campen en De Pauw onnoodig wordt gemaaktDe uitdr. zelve komt echter in de 17de eeuw wel voor, nl. bij Hondius, Moufeschans, bl. 37: Al mijn schepen zijn opt droogh.. Zie verder Huygens I, 120; Winschooten, 8 en 50; Kluchtspel II, 244; Adag. 33: hy heeft sijn schaepkens in 't droog; Van Effen, Spect. VIII, 157; W. Leevend I, 209; Sewel, 694; Harreb. I, 156 b; Ndl. Wdb. XIV, 144; Afrik. sy skapies op die droë hê; Waasch Idiot. 567 a; Antw. Idiot. 2009; Eckart, 449; Reuter, 22; Goedthals, 63: Tvuelen binnen stal hebben, de gage reconfort; Broeckaert, 30: 't Schaepken es emmers binnen der koye? enz. In Zuid-Nederland kent men eveneens zijne schaapjes in 't drooge hebben (De Bo, 637 b) naast het schaap is in huis, het schaap is binnen; zijn voetjes op t droog hebben (Antw. Idiot. 2138); zijn musschen liggen onder de pannen (Waasch Idiot. 449); synon. van de beuter bachten den lijs hebben, de koorde bachten den knoop hebben (Schuerm. 277 b), zijne handen aan den dokter getoond hebben (niet meer behoeven te werken) en wordt in 't drooge zijn gebruikt voor binnen zijn, onder dak zijn (De Bo, 272 a; 1150 b) en in 't droog steken voor verbergen, wegstoppen (zie Volkskunde XIII, 166). Volgens Joos, 77 zegt men ook: wij zijn met onze koei van 't ijs, dat herinnert aan onze uitdr. zijne koetjes op 't droge hebben (Halma, 363; C. Wildsch. IV, 237; V. Janus, 244; Nkr. IV, 22 Mei p. 2; Het Volk, 3 Jan. 1914, p. 9 k. 4), waar op 't droge niets anders wil zeggen dan in veiligheid; de Vlamingen hebben wellicht bij ‘in 't droog’ gedacht aan hetzelfde wat wij bedoelen met ‘onder dak, binnen zijn’. De uitdr. kan ontleend zijn aan de gewoonte om schapen, die men liet grazen op gorzen, schorren en kwelders, bij hoogen vloed tijdig naar hooger gelegen of door dijken beschermde gronden in veiligheid te brengen, gelijk men de koeien ook doet, die op de uiterwaarden grazen, bij hooge rivierstanden. Wie zoo gedaan had, kon den dag van morgen, de toekomst onbezorgd tegemoet gaanZie H. Beckering Vinckers in Tijdschrift XXXIX, 153. In N. Taalgids XI, 290 wordt voor den oorsprong aan een sprookje gedacht - wat niet zeer waarschijnlijk is.. In het Nederduitsch is de uitdrukking ook zeer gewoon; zie Taalgids V, 189: he het sine Schäpken in 't Dröge; he hett se in 't Dröge brogt = in veiligheid gebracht; Eckart, 449.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut