Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dronken - (onder invloed van alcohol)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dronken bn. ‘onder invloed van alcohol’
Onl. drinket ande werthet drunken ‘drinkt en wordt dronken’ [1100; Will.]; mnl. drunken [1240; Bern.], dronkin [1230-31; CG I,28]; nnl. dronken.
Verl.deelw. van → drinken. Het voorvoegsel ge- is pas later een vast onderdeel van het verl.deelw. geworden, vgl. → brood en oudbakken, letterlijk ‘oud gebakken’ bij het vroeger sterke werkwoord → bakken 1.
Os. drunkan; ohd. trunkan; ofri. drunken, oe. druncen; on. drukkin; < pgm. *drunkan- ‘dronken’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dronken* [beschonken] {1201-1250} oude vorm van het verl. deelw. van drinken zonder ge-.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dronken bnw., mnl. dronken, os. drunkan, ohd. trunkan, ofri. drunken, oe. druncen, on. drukkinn, got. drugkans is het verl. dlw. van drinken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dronken bnw., mnl. dronken. = ohd. trunkan (nhd. trunken), os. drunkan, ofri. drunken, ags. druncen (eng. drunk, drunken), on. drukkinn, got. drugkans “dronken”, verl. deelw. van drinken met actieve bet., evenals lat. pôtus, oi. pîtá- “gedronken hebbend”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dronken bijv.(bedronken), Mnl. id. + Ohd. trunchan (Mhd. en Nhd. trunken), Ags. druncen (Eng. drunken), Go. drugkans, is het verl. d. zonder ge van drinken, maar met actieve bet., namelijk = hebbende gedronken. Vergel. Lat. potus en Fr. un homme bu.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

dronk: (in bet.) “duiselig” (bv. v. draaibeweging, ongesteldheid, vermoeidheid, ens.); Ndl. dronken (in 17e eeu nog gew. in Afr. bet., tans hoofs. nog in kindt.), Eng. drunken, Hd. (be)trunken, vb. v. gebr. by Wik en Trig (Scho TWK/NR 7, 1, p. 36-7); ablv. uit verl. dw. van die ww. Ndl. drinken, Afr. drink.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dronken ‘beschonken’ -> Japans dialect doronken ‘beschonken’; Negerhollands dronk, drun, drunk ‘beschonken’ (uit Nederlands of Engels); Berbice-Nederlands drunggu ‘beschonken’; Sranantongo drungu ‘beschonken; dronkenschap’; Saramakkaans dòongò ‘beschonken’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dronken* beschonken 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1069. Hij is kanon,

d.w.z. hij is stomdronken, eig. hij is zoo vol geladen als een kanon. Vgl. Landl. 32: Maar die kerel die zuipt en astie kanon is, slaat ie dat wijf; bl. 153: Ik ben er (van champagne) maar één enkele keer van me leven zoo zalig kanon van geweest; Jord. II, 444: Toen de meiden en het vaarvolk op den Zeedijk weerkeerden, was Corry kanon. Ze lalde, vloekte en zoende. - Eenigszins anders in Sjof. 28: Zuipen deeën ze allemaal, de een liep as een kanon over de straat; bl. 239: Daar zit ie (de dronkaard) als een kanon bij de melkboer voor de deur. In Zuid-Nederland: Zoo zat als een kanon (Antw. Idiot. 1471; hd. betrunken wie eine Kanone), dat te vergelijken is met Hij is geladen (of zoo vol) als een kanon (Harreb. II, XXXI); syn. van Hij is zoo vol als een kartou (Van Effen, XI, 207; Ndl. Wdb. VII, 1683), waarvoor in het hd. gezegd wordt Er ist kanonenvoll oder voll wie eine Kanone oder Er hat einen kanonenrausch, er ist sehr stark betrunken (Wander II, 1131Het door Kluge, Studentenspr. 97 vermelde die völlige Kanone, betrunkenheit, zal wel niets met deze uitdr. te maken hebben. Kanon toch was de naam van een bierglas; vgl. ook het fr. canon, glas wijn; canonner, drinken. Ook zoo dronken als een katrol in Handelsblad 12 Juni 1921 (O.) p. 9 k. 3: Een grooten moordenaar heb ik aangereden. Die was zoo dronken als een katrol en vloekte erger dan een katrol.); fri. in rûs as in kartou of in kartouwer; Maastricht: zat wie kertong (= hd. kartaune; Houben, 99Mogen we dronken zijn als een stoel (Tuinman II, 49) of als een kakstoel (Bergsma, 21) als komische navolgingen beschouwen?). Voor het ontstaan der zegsw. vergelijk Hij is zeil (hij is dronken; eig. hij loopt met een nat zeil); hij raakt knel (Sjof. 209), welk adj. knel ontleend is aan in de knel raken; hij is kous, hij heeft niets gevangen, komt met een ledige schuit terug (Boekenoogen. 503), ontleend aan met de kous op den kop thuiskomen; het 17de-eeuwsche brief, pochhans, ontleend aan een brief hebben, zich veel inbeelden (Ndl. Wdb. III, 1324); hij is kriek, krankzinnig, ontleend aan het voor zijn kriek hebben (Boekenoogen, 515); het hd. barg. er ist Flanell ontleend aan Flanellwache stehen, Flanellwache halten, von verheirateten Dieben, wenn sie sich durch die Flitterwochen abhalten lassen, ihren alten Verkehr zu frequentieren (Rabben, 49); enz.

1145. Kinderen en dronken menschen zeggen de waarheid.

Bij ons komt deze gedachte reeds voor in de Middeleeuwen, blijkens Van Zeden, no. 38:

Wiltu weten heymelichede
Der dinghen, kindre ende sotte mede
Ende dronckaerts, elc so hijt peinst,
Werpt huut zijn woort ongheveinst.

Zoo ook in den Lekensp. III, 5, 281; Bienb. hs. A, fol. 108 c: Vanden kijnderen ende vanden bedruncken menschen verneemt mep die waerheitVan der Vet, Het Biënboéc van Thomas van Cantimpré en zijn Exempelen, 61.; Matthyszen, 108, 3: Droncken luden, dwaze ende kinder pleghen garn wair te segghen; bij Servilius, 173: Jonge kinderen ende droncken luyden segghen ghemeynlijck de waerheit; De Brune, 189: Kinders, droncke lien, en zotten, lieghen nimmers, noch en spotten; Korenbl. II, 487: De waerheit werdt geseght door kinderen en gekken. Zie verder Bebel, 276; Suringar, Erasmus CI, bl. 496, waar gewezen wordt op de woorden van Alcibiades in Symposio Platonis: οινος ανευ τε παιδων, και μετα παιδων ην αληθης; Matth. 21, 16; Harrebomeé I, 214; Eckart, 261; Wander II, 1297. Variant: kinderen en gekken zeggen de waarheid; vgl. Goedthals, 9: Kinderen en sotten gheraken waer te seggen, enfants et sots sont divins; Afrik. Kinders praat die waarheid; Breuls, 90: Kinder en zate lui zekge de woerheid; hd. Kinder und Narren reden die Wahrheit; oostfri. Kinner un dune lii (of un narren) seggen de wârheid (Dirksen I, 51); eng. Childern, drunckers and fooles can not lye (anno 1539); Plinius, Nat. Hist. 14, 141: Vulgoque veritas iam attributa vino est; mlat. Interdum pueri vox est prenuncia veri (Werner, 43); fri. fen dronken ljue en lytse bern (kinderen) hjaart man de wierheit.

1145. Kinderen en dronken menschen zeggen de waarheid.

Bij ons komt deze gedachte reeds voor in de Middeleeuwen, blijkens Van Zeden, no. 38:

Wiltu weten heymelichede
Der dinghen, kindre ende sotte mede
Ende dronckaerts, elc so hijt peinst,
Werpt huut zijn woort ongheveinst.

Zoo ook in den Lekensp. III, 5, 281; Bienb. hs. A, fol. 108 c: Vanden kijnderen ende vanden bedruncken menschen verneemt mep die waerheitVan der Vet, Het Biënboéc van Thomas van Cantimpré en zijn Exempelen, 61.; Matthyszen, 108, 3: Droncken luden, dwaze ende kinder pleghen garn wair te segghen; bij Servilius, 173: Jonge kinderen ende droncken luyden segghen ghemeynlijck de waerheit; De Brune, 189: Kinders, droncke lien, en zotten, lieghen nimmers, noch en spotten; Korenbl. II, 487: De waerheit werdt geseght door kinderen en gekken. Zie verder Bebel, 276; Suringar, Erasmus CI, bl. 496, waar gewezen wordt op de woorden van Alcibiades in Symposio Platonis: οινος ανευ τε παιδων, και μετα παιδων ην αληθης; Matth. 21, 16; Harrebomeé I, 214; Eckart, 261; Wander II, 1297. Variant: kinderen en gekken zeggen de waarheid; vgl. Goedthals, 9: Kinderen en sotten gheraken waer te seggen, enfants et sots sont divins; Afrik. Kinders praat die waarheid; Breuls, 90: Kinder en zate lui zekge de woerheid; hd. Kinder und Narren reden die Wahrheit; oostfri. Kinner un dune lii (of un narren) seggen de wârheid (Dirksen I, 51); eng. Childern, drunckers and fooles can not lye (anno 1539); Plinius, Nat. Hist. 14, 141: Vulgoque veritas iam attributa vino est; mlat. Interdum pueri vox est prenuncia veri (Werner, 43); fri. fen dronken ljue en lytse bern (kinderen) hjaart man de wierheit.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut