Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

drommel - (beklagenswaardig persoon)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

drommel zn. ‘duivel; beklagenswaardig persoon’
Vnnl. drommel ‘gedrongen, dik voorwerp’ [1599; Kil.], ‘duivel’ [1652-62; WNT], arme drommels ‘zielige figuren’ [1657; WNT wapen].
Mogelijk is het woord in de Vroegnieuwnederlandse betekenis via oostelijke dialecten aan het Nederduits ontleend, vgl. Nedersaksisch drömmel ‘langzaam, onhandig persoon’ (Nieders. Wb.). Wrsch. is het dan een verkleiningsvorm van mnd. drom, drum, zoals ook in mnl. (mv.) dromellen ‘drommen’ [1427; MNW]. De betekenisontwikkeling is te vergelijken met die van → drol.
Mnd. drummel, drümmel ‘ klein gedrongen persoon; drol; naam van de duivel’.
Lit.: L. Dieter Stellmacher (Hg.) (1985) Niedersächsisches Wörterbuch III, Neumünster

EWN: drommel zn. 'duivel; beklagenswaardig persoon' (1599)
ANTEDATERING: drommel 'gedrongen, dik voorwerp' [1588; Kiliaen]
Later: arme Drommels [1748; Referyntje, 4] (EWN: 1657*)
{* De attestatie van arme drommels uit 1657 in het EWN moet aldus gewijzigd worden: domme drommels 'domme sukkels' [1657; WNT wapen].}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

drommel* [beklagenswaardig persoon] {1632} van dreum (vgl. drom2, dreumes); de betekenissen, behalve de jongste (duivel) stammen van ‘kort, dik mannetje’ en lopen vrijwel parallel met die van drol1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

drommel znw. m. ‘duivel’, eerst na Kiliaen bekend, maar vgl. mnd. drummel ‘boomstronk, klein ineengedrongen mannetje, drol, duivel’, dus volkomen analoog aan de betekenissen van drol. Het behoort tot de onder dreum behandelde woordengroep. Het late optreden in het nl. kan er op wijzen, dat het woord uit oostelijke dialecten overgenomen is (in de 16e of 17e eeuw).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

drommel (duivel), nog niet bij Kil. Wel reeds mnd. drummel m. o. “boomstronk, klein ineengedrongen mannetje, drol, duivel”. Waarschijnlijk in al deze bett. één en ’t zelfde woord; bij dreum. De bet. “duivel” is de jongste. Het ndl. woord zal wel uit de oostelijke provincies of uit het Ndd. komen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

drommel. De hier en bij dreum genoemde woorden zullen ten dele berusten op een grondvorm met germ. ð, vgl. on. tré-drumbr m. ‘blok’, ijsl. drambr ‘kroest, kwast’, die wel — zeer onzeker — met gr. thrómbos ‘bloedprop, klomp’, lit. drimbù, drìbti ‘langzaam, in dikke druppels afdruipen’, en andere bij drab(be), draf genoemde woorden worden gecombineerd. Zie ook v.Wijk Aanv.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

drommel 2 m. (duivel), wellicht een bijvorm van dreumes.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

drommel s.nw.
1. Sukkelaar. 2. (eufemisties) Duiwel.
Uit Ndl. drommel (1632 in bet. 1, 1652 - 1662 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. in bet. 2 in Patriotwoordeboek (1902).

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

drommel . Door de duivel een pseudoniem te geven, vermijdt men het noemen van zijn naam, waardoor hij niet echt aan- of opgeroepen wordt (Rooijakkers 1994). Drommel betekende oorspronkelijk ‘klein, ineengedrongen mannetje’ en werd door betekenisoverdracht een wat gemoedelijk klinkend woord voor duivel. In het Middelnederlands vinden wij de verwensing de drommel sla de vent ‘moge de duivel die man met onheil treffen’. Als bastaardvloek en uitroep komt drommel vooral voor na vraagwoorden. Bij P.A. de Génestet [1871] lezen wij bijvoorbeeld “Wie, drommel, leerde u toch zoo lief En geestig Uw woordjes te schikken?” In de 17de eeuw komt ook voor iemand voor den drommel op Marken wenschen! in de betekenis ‘ophoepelen’. Als bastaardvloek is sinds de 19de eeuw ook in gebruik de drommel moet me halen; voor de drommel! De verwensing loop naar de drommel! is kenmerkend voor een bepaald stijlregister en zeker geen gemeengoed van alle moedertaalsprekers. Als markies de Cantecleer in de albums van Heer Bommel en Tom Poes van Marten Toonder niet verknocht was aan parbleu! en fi donc!, dan zou je drommels en wat drommel! bij hem verwachten. Zelf zou ik het schertsend gebruiken. De krachttermen voor de(n) drommel! en de drommel lijken mij, als zij nog in het actieve taalgebruik voorkomen, versteende fossielen waarmee men aandacht probeert te trekken. Ook volgens de woordenboeken is het een zwakke, vaak schertsende verwensing. → derde maat, droelie, droeskop, drommelskop, drumpel, duiker, duin, duivekater, duivel, duiventer, duizend, Heintjeman, Heintje Pik, Joost, Marken, nikker, pestilentie, pikken, pokken, popelsie, vijand.

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Drommel, verzachtende benaming voor den duivel; voor gewone personen: een beklagenswaardige persoon, een arme drommel; waarschijnlijk ontleend aan mnd. drummel, klein ineengedrongen mannetje, duivel, Ook in bet. = drom (menigte) en dan van gelijken stam. Vondel 6, 507: “Harten, door het vlacke velt, in eenen drommel rennende.”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

drol ‘(verouderd) eufemisme voor de duivel’ -> Deens drol ‘eufemisme voor de duivel’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

drommel beklagenswaardig persoon 1782 [WNT] <Nederduits

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1886. Van den prins geen kwaad weten,

d.i. zich geen kwaad bewust zijn, geen kwaad vermoeden, argeloos zijn; syn. van den drommel geen kwaad weten (Harreb. I, 155 b of van God geen kwaad weten, dat in de 17de eeuw voorkomt bij Heinsius, Verm. Avant. I, 325; Poirters, Mask. 188 en thans nog in het Friesch bekend is, naast van Rodermont geen kwaad weten; vgl. Ndl. Wdb. V, 211; XIII, 657 en W. Dijkstra II, 362 a: hy wit fen 'e prins gjin kwea, hij is onnoozel in het geval; ook hy wit fen God gjin kwea. Vermoedelijk dagteekent de zegswijze uit den tijd, dat velen den Prins van Oranje hoog vereerden en geen kwaad van hem wilden hooren. Zoo kon van den prins geen kwaad zeggen de algemeene beteekenis aannemen van zich stil houden, niemand te na spreken, niets misdoen, en van den prins geen kwaad weten, doen alsof men geen kwaad kent, aan iets onschuldig zijn; argeloos zijn. Vgl. Pamfl. Muller, 662 (anno 1608), bl. 4 v: Wy hebben van den prins geen quaet geseyt noch daer en is niemant te na gesproken; Pers, 608 a: Rydende voorts totten Deken, Heer Adriaen van Zuylen, wierde hy (de Prins) met soodanige blijdschap onthaelt en verwellekomt, dat yder hem ten Hemel verheffende, niemant van de Prins hadde quaed geseyt; 669 b: Dan kost hy (broer Cornelis) wederom den smeerpot op de zyde hangen, als of hy van 't Prinsken geen quaet hadde geseyt; Middelb. Avant. 780: De oude Beul, die wegens zyne doofheid van de Prins geen kwaad wist. Tuinman I, 62 beweert dat de spreekwijze afkomstig is van Broêr Kornelis ‘die na 't uitbraaken van zyn dulle gal tegen den Prins van Oranje op den predikstoel, uit vreeze van toon veranderde en zeide: Ik ben bly, om dat ik van den Prins geen quaad gezegt heb; Harreb. I, 460 b; Ndl. Wdb. VIII, 652. (Aanv.) Syn. Hij doet net alsof zijn neus bloedt, hij houdt zich onnoozel.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut