Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

drom - (deel van de ketting van een weefsel)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dreumel* [eindje touw] {dromel 1427} middelnederduits drom, drum [uiteinde, zoom], oudhoogduits drum [uiteinde], oudnoors þrǫmr [rand]; verkleiningsvorm van dreum, drom2.

drom2*, dreum [deel van de ketting van een weefsel] {1539, dreum 1860-1861, vgl. de plaatsnaam Thrimnithi nu Drumpt in Gelderland, met de betekenis ‘eindpunt’ <850>} middelnederduits drom, drum [uiteinde, zoom, dreum], oudsaksisch thrumi [uiteinde (van de speer)], oudhoogduits trum [einde, spaander], middelhoogduits drum, trum [uiteinde, afgesneden stuk], oudengels (tunge) þrum [(tong)band], oudnoors þrǫmr [rand]; buiten het germ. latijn terminus [grenssteen, eindpunt], grieks terma [einde, grens], oudindisch tarman- [eind van een offerpaal].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dreum znw. m. of drom ‘draad, die na het weven van de schering overblijft’ en dreumel ‘eindje touw, om een zak toe te binden’, mnl. drom, dreum, drōme en drōmel, droemel ‘eind der draden van een weefsel’, mnd. drom, drum ‘uiteinde, zoom, dreum’, drōmel, drōmelink ‘uiteinde, stuk akkerland’, ohd. drum ‘uiteinde, stuk’, mhd. drum, trum ‘uiteinde, afgesneden stuk’ (nhd. mv. trümmer), me., ne. thrum ‘uiteinde van een draad’. Daarnaast abl. mnd. dram, dremel ‘eind der draden van een weefsel’, on. þrǫmr ‘rand’. — gr. térma ‘grens, eind’, lat. terminus ‘grensteken’; idg. wt. *ter ‘naar de andere kant komen’ (IEW 1074-5). — Zie: dreumes en drommel.

Voor een andere verklaring, die uitgaat van het begrip ‘omheining’ en verder aanknoopt aan woorden van ‘bouwen’, zie AEW 621 onder þrep.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dreum, dreumel (draad, die van de schering overblijft), mnl. drom, drȫme, drȫmel (o. m.?) “id” Vgl. ohd. drum o. “uiteinde, stuk”, mhd. drum, trum o. “uiteinde, afgesneden stuk’’ (nhd. trümmer mv.), mnd. drom, drum o. “uiteinde, zoom, dreum”, drōmel, drōmelink “uiteinde, stukje akkerland”, drummel m. o. “boomstronk” (e.a.bett.), meng. eng. thrum “uiteinde van een draad”. Met a-trap on. þrǫmr m. “rand”, mnd. dram, drēmel (in bet. = drom, drōmel), wsch. ook mhd. drëmel m. “balk, grendel” (ook drâme m. “id.” waarnaast opvallende mhd. mnd. vormen met t-?). Germ. þram-, þrum-, idg. tro-m-, tro-m- (tṛm-) staan in ablaut met de bij darm besproken woorden.

[Aanvullingen en Verbeteringen] dreum, drommel. On. tré-drumbr m. “boomstronk” wijst op germ. ð; hierop zal ook de t der hd. vormen teruggaan. De vormen met germ. þ en ð zijn moeilijk geheel uit elkaar te houden; in ieder geval echter zullen we naast de woordgroep met þ een germ. woord met ð voor “blok, brok, stuk, boomstronk” moeten aannemen, wellicht met kymr. dryll enz. (zie druisen) verwant.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dreum. Zie drommel Suppl. en over het slot van het art. vgl. darm Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dreum, dreumel, drom, drum de eerste twee m., de laatste twee v. (eind van een draad, stuk stof), + Mhd. drum = uiteinde (Nhd. trümmer = overblijfsel), Ags. đrum (Eng. thrum = einde), On. þrǫmr = rand + Skr. tarma, Gr. térma, Lat. terminus = einde, grens; van denz. wortel als darm.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Dreumel, mnl. drommel, dromel, eindje draad of touw, b.v. om een zak toe te binden, dan ook de wrong van een dichtgebonden zak, eindelijk ook een klein kind. Witsen, Scheepsb. 182 a: “12 bossen dreumels”. Potgieter, 1, 8: “De dreumels van den daglooner, die.... op den weg spelen”. Van drom, dreum, mnl. drom, drome, dreum, eveneens eind touw, weefseldraad, en ook dweilengoed, waarvan het door Bredero gebruikte “Dreumde dweil” (2, 93).

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Dreumes. Een dreum is een afgesneden stuk, een eind, een brok; ook een balk (in „drempel”). Het is verwant met drom (van opdringen), dus dreumes is een ineengedrongen kereltje.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut