Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

drom - (menigte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

drom zn. ‘menigte’
Vnnl. drom, ghedrom ‘druk’ [1599; Kil.], drom ‘menigte’ [1642; WNT]. Daarnaast staat mnl. droom ‘gewoel’, dat echter maar een keer voorkomt: in dezen drome ‘in dit aards gewoel’ [ca. 1450; MNW].
Mogelijk verwant met → drammen ‘voorwaarts dringen, lawaai maken’.
Het valt op dat de vorm met de korte -o- pas bij Kiliaan verschijnt en de betekenis ‘menigte’ pas in de 17e eeuw. Misschien is drom dus een afleiding van het werkwoord drommen en niet omgekeerd zoals meestal wordt aangenomen.
Het zn. wordt in verband gebracht met os. thrumm ‘kracht’; oe. þrymm ‘leger, menigte, grote hoeveelheid’; on. þrymr ‘strijdgewoel’; < pgm. *þrumi- ‘gedrang, menigte’; in dat geval is drom misschien een ablautsvorm bij mnl. dremmen ‘drukken, kwellen’ [14e eeuw; MNW], < *dramjan, en mnd. dram ‘gewoel, gedruis; nood’ en drammen ‘voorwaarts dringen, lawaai maken’, zie → drammen. Ook mogelijk is verwantschap met os. drōm, oe. drēam ‘vreugde, gejubel’; het zou dan oorspr. ‘lawaai’ betekenen en zich verder hebben ontwikkeld tot ‘wat lawaai maakt’. Dit klinkt echter niet waarschijnlijk, zie → droom.
Pgm. *þrumi- ‘gedrang, menigte’ is (met metathese van de -r-) verwant met Latijn turma ‘schaar, groep’ en hoort bij de wortel pie. *twer-, *tur- ‘draaien’ (IEW 1100), maar bij deze wortel is veel onzeker.
drommen ww. ‘samendringen’. Mnl. dromen ‘dringen, opdringen’ [ca. 1350; MNW], drommen ‘dringen’ [ca. 1350; MNW]. Vnnl. drommen = dringhen [1562; Naembouck], drommen ‘samendringen’ [1642; WNT]. Afleiding van drom of ablautsvorm bij mnl. dremmen ‘drukken, kwellen’.

EWN: ♦ drommen ww. 'samendringen' (ca. 1350)
ANTEDATERING: Om hem te siene was menich droemen 'om hem te zien was er heel wat gedrang' [1285; VMNW] (ca. 1350)
Later: drommen 'dringen' [1301-25; iMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

drom1* [menigte] {1599} vgl. middelnederlands drommen [dringen], oudsaksisch thrum [geweld], oudengels ðrym [menigte]; het wordt ook wel verbonden met latijn turma [eskadron, troep, menigte].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

drom 1 znw. m. ‘dicht opeengeschaarde menigte’, dat ofschoon eerst nnl. vastgesteld, toch wel oud zal moeten zijn blijkens os. thrum ‘geweld’, oe. ðrym ‘drom, kracht, macht’, on. þrymr ‘strijdgewoel’; trouwens dat het reeds mnl. bekend moet geweest zijn, bewijst de afl. drommen, dromen ‘dringen’. — Verder zijn te noemen de woorden mnl. dremmen ‘drukken, kwellen’ (zie: bedremmeld), mnd. dram ‘gewoel, gedruis’, nnl. dial. dram ‘drukkend’, mnd. drammen ‘onstuimig voorwaarts dringen, lawaai maken’, nl. nd. dial. drammen ‘drenzen, zeuren’, on. þramma ‘zich log bewegen’.

De verklaring is moeilijk en misschien zijn de bovengenoemde woorden niet eens onmiddellijk verwant; zo zal men on. þrymr en þramma waarschijnlijk wel van elkaar moeten scheiden. Het eerste, dat dus aan nl. drom beantwoordt, wordt nu (ondanks v. Wijks tegenspraak) verbonden met lat. turma ‘schaar’ en dan op een wortel *tu̯er ‘draaien, wervelen’ teruggevoerd (IEW 1100). Het andere woord mnd. drammen enz. voert men terug op een idg. wt. *trem, die besproken is onder draven. Wil men de beide woorden toch verbinden, dan verdient de 2de etymologie de voorkeur.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

drom znw. Komt eerst nnl. voor. Toch is ’t een oud znw., = os. thrum(mm) m. “geweld”, ags. ðrym(mm) m. “drom, menigte, kracht, macht, heerlijkheid”, on. þrymr m. “strijdgewoel”; vgl. mnl. drommen, drōmen “dringen”, Kil. drom znw. “druk”, mnl. dremmen “drukken, kwellen” (vgl. bedremmeld), mnd. dram “gewoel, gedruisch”, ndl. dial. dram “drukkend”, mnd. drammen “onstuimig dringen, lawaai maken”, ndd. ndl. dial. drammen “drenzen, zeuren om iets”, on. þramma “zich log bewegen”. De bet. van deze woorden wijst er op, dat drom niet met lat. turma “menigte” verwant is — ook de vormen kloppen niet —, maar veeleer met ier. tromm “zwaar”, serv. trȍm “traag”. Soms is ’t moeilijk uit te maken, of een woord tot deze groep of tot die van trem- “beven” (zie draven) behoort: vgl. bijv. lit. tremiù, trem͂ti “neergooien”, lett. tremju, tremt “door stampen wegjagen”. — Een geheel ander woord is os. drôm m. “leven, gejubel”, ags. drêam m. “gejubel, lied, zang”, dat ook in ’t Mnl. eenmaal als droom m. “aardsch gewoel” voorkomt (Praet 2806): dialectisch zijn drom en droom later door elkaar geloopen blijkens wvla. drum, drom, druim, droom, dreum “samengedrongen menigte”. Dit germ. *ðrauma- is verwant met gr. thréomai “ik schreeuw luid”, thróos “geschreeuw”, thrúlos “geraas” en hoogerop met de bij dreunen besproken woordfamilie (idg. dhre-n-: dhre-u-).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

drom. Ier tromm ‘zwaar’ wordt ook wel als *trud-smo- bij de groep van verdrieten gebracht.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

drom m., Os. thrum = geweld, Ags. đrym = menigte, kracht, On. þrymr = gewoel, van den stam van ’t meerv. imp. van een werkw. *dremen (z. drammen) + Oier. tromin = zwaar, Serv. tröm = traag; soms is het samengevallen met dial. en Mnl. droom = gewoel, gedrang, Os. drôm = leven, Ags. dréam =gejubel, van een wrt. dhreu, verwant met wrt. dhren van dreunen. — In de bet. inslag echter is het bijvorm van dreum (z.d.w.).

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Drom, dichte menigte, ook troep gewapenden, van denzelfden stam als drommen, dringen; ags. drym, menigte, macht.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

drom ‘menigte, grote hoeveelheid van iets’ -> Frans † drome ‘verzameling houtstukken, vlot’; Italiaans droma ‘verzameling houtstukken, vlot’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

drom* menigte 1637 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut