Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

drogist - (geneesmiddelen- en cosmeticahandelaar, -winkel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

drogist zn. ‘geneesmiddelen- en cosmeticahandelaar, -winkel’
Vnnl. droguist ‘“die droguen vercoopt”’ [1574; Claes 1994a], drogist ‘handelaar in “drogen”’ [1607; WNT zijde II], droogist ‘handelaar in geneesmiddelen etc.’ [1636; WNT].
Ontleend aan Frans droguiste ‘verkoper van medicijnen en kruiden, drogist’ [1549; Rey], gevormd uit het achtervoegsel -ist en Frans drogue ‘medicinaal kruid’, eerder al drocque [1462; Rey] → drugs. Frans drogue is op zijn beurt een ontlening aan mnl.droog of aan mnd. droge ‘id.’. Drogue komt voor het eerst in Noord-Frankrijk voor en is dan ook wrsch. ontleend aan mnl. droghe in verbindingen als droghe vaten ‘vaten voor droge waren’ wat dan werd opgevat als ‘vaten met droge’, zodat droge ook ‘droge waren’ ging betekenen. In oudere teksten komen ook verbindingen als drooghe waere, droogh kruydt voor en het zn. drooghe met de betekenis ‘droge waren’ voor.
Frans droguerie ‘specerijen, geneesmiddelen’ is al 1386 geattesteerd (Rey), en werd ook ontleend in het Vroegnieuwnederlands: droegerie ‘specerij’ [1545; MNHWS].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

drogist [verkoper van drogerijen] {droguist 1574} < frans droguiste [idem], van drogue [drogerij] < middelnederlands droge, drooch [droog], droegerie [specerij] {1410, droochgoet [droge koopwaar] 1462, droochvat [fust voor droge koopwaren] 1486-1487} (vgl. droog, drug).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

drogist znw. m., eerst sedert Kiliaen, evenals drogerij(en) ‘heelkruiden, chemicaliēn’, waarnaast ook drooghe waere, droogh kruyd en drooghe (in de 17de eeuw gewoon), vgl. ook ne. drug (sedert c. 1400). — < fra. drogue (sedert de 14de eeuw) < mnd. dr̥oge-fate (of mnl. droge vaten) ‘vaten voor droge waren’ en dan ook ‘de droge waar’ zelf. Het franse woord komt het eerst in Noord-Frankrijk voor (Baist, Zeitschr. fūr franz. Sprache und Lit. 32, 298 vlgg).

Met deze verklaring vervallen alle oudere pogingen voor het fra. woord een herkomst uit Oosterse talen aannemelijk te maken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

drogist znw. Komt evenals drogerij(en) “heelkruiden, chemicaliën” sedert Kil. voor, die ook drooghe waere., droogh kruyd en het in de 17de eeuw gewone drooghe “pharmaca, aromata”‘ opgeeft. Drooghe (= droge) en drogist komen van fr. drogue, droguiste, evenals nhd. droge v., drogist m. (sedert ± 1600) en eng. drug (sedert ± 1400), druggist, oud-it. en -spa. droga. Drogerij is óf uit fr. droguerie ontleend óf het is een ndl. formatie, bij droge en drogist ontstaan. Het fr. drogue is vaak uit germ. (ndl.) droog afgeleid. Wat de bet. aangaat aannemelijk, maar wegens den vorm onwsch. is de afl. uit arab. dowâ “sämtliche rohstoffe der materia medica”. ’t Aannemelijkst is de afl. uit arab. dŭrâwa “kaf”: drogue was dan oorspr. = it. garbellatura “kleinere minderwaardige stukken, die bij ’t zeven door de zeef vallen”; deze bet. past goed voor ’t oudste voorbeeld, van 1327. Voor deze verklaring pleit ook, dat uit arab dŭrâwa en verwanten er van ook fr. drogue in geheel andere bett. verklaard kan worden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

drogist. Tegen de afl. van fr. drogue uit het Arab. is een ernstig bezwaar, dat een bevredigend grondwoord nog niet is gevonden. Littmann Morgenl. Wörter 52 denkt, daar de arab. geneeskunde sterke invloed van Perzië uit heeft ondergaan, aan uiteindelijke perz. oorsprong: perz. dârû, dârûi ‘drogerij’. Dit woord is echter uit het Arab. niet bekend. — Weinig overtuigend is de verklaring uit arab. tirjâq, dirjâq ( < gr. thēriakós) ‘triakel’, egypt.-arab. ‘drogerij’: Jacob bij Littmann 152.
Onder deze omstandigheden blijft de afl. van fr. drogue uit het Ndl. of Ndd. een goede kans houden, temeer daar het fr. woord het eerst in het N. van Frankrijk voorkomt, en eng. drug nog vroeger. Men heeft wel vermoed, dat mnd. mnl. drōge vat ‘vat voor droge waren’ zou zijn opgevat als ‘vat voor kruiden, drogerijen’ en dat daaruit eng. drug, fr. drogue zou zijn geabstraheerd. Baist bij Valkhoff Mots français d’or. néerl. 116.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

drogist m., uit Fr. droguiste, afgel. van drogue (z. drogerij).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

drogist (Frans droguiste)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

drogist verkoper van drogerijen 1574 [Claes] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal