Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

droes - (duivel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

droes 2 zn. ‘duivel’
Vnnl. droes ‘sterke kerel’: Hercules ... Dit is een sterck droes. Een sterck Caerl [1561; WNT], droes ‘vechtersbaas, dolleman’ ook ‘duivel, drommel’ [1600; WNT].
De herkomst van dit woord is onbekend. Volgens De Vooys (1939) is het als scheldwoord in oostelijke streken overgenomen uit mnd. drōs ‘duivel, (boerenkinkel)’, dat in uitdrukkingen als mnd. Dat dī de drōs ‘Dat de pest, de duivel (je hale)’ voorkomt. Het is dan identiek met → droes 1. Het probleem is dat niet geheel duidelijk is of de klinker in het Middelnederduitse woord lang of kort was. Bovendien past de betekenis in de oudste Nederlandse vindplaats niet zo goed.
Lit.: C.G.N. de Vooys (1939) ‘Droes’, in: NTg 33, 34

EWN: droes 2 zn. 'duivel' (1561)
ANTEDATERING: droes 'duivel' [ca. 1524; Van Doesborch, 247]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

droes2 [duivel] {1561 in de betekenis ‘flink persoon’} middelnederduits drōs, drōst, druss [duivel, lomperd, reus]; etymologie onzeker, mogelijk aan het middelnd. ontleend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

droes 1 znw. m. ‘duivel’, sedert Kiliaen bekend, die het echter omschrijft als ‘reus, krijgsheld’, maar ook mnd. drōs, drōst, druss ‘duivel, lomperd, reus’. De Vooys, NTg. 33, 1939, 34 vergelijkt mnd. drōs ‘pestbuil’ in vloeken en verwensingen en acht het mogelijk dat het vandaar in het ndl. gekomen is (zie: droes 2). Van zulke affectieve woorden is de herkomst moeilijk te achterhalen. Kan het samenhangen met de groep van bedriegen? Daarin komen ook voor woorden als os. gidrog ‘drogbeeld’, on. draugr ‘spook’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

droes I (duivel), sedert Kil., die er de bet. “reus, krijgsheld” aan toekent. In het Mnd. reeds drôs (drôst, drûss) m. “duivel, lomperd, reus”. Oorsprong onbekend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

droes 1 m. (duivel), + Mndd. drôs, drusz, Eng. meerv. drows en trows: oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

droes II [+]: (eufem. v.) “duiwel”; Ndl. droes (by Kil droes, “reus, krygsheld”), soos in Afr. veroud.; v. ook broesa, herk. v. albei onbek.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

droes. Door de duivel een pseudoniem te geven, vermijdt men het noemen van zijn naam, waardoor hij niet echt aan- of opgeroepen wordt (Rooijakkers 1994). In de 16de en 17de eeuw kende men de bastaardvloek gans droes. Letterlijk betekent dat ‘bij de duivel waarover God macht heeft’. In het hedendaags Nederlands is droes ‘duivel, drommel’ niet meer gewoon. Het behoort vaak tot het passieve taalgebruik. De Grote van Dale (1999) geeft nog zonder enige restrictie de verwensingen de droes hale mij, als ik het weet en de of te droes!. In de 17de en 18de eeuw komt ook de verwensing brui voor den droes voor, o.a. in de Klucht van de Bedrooge Vryer [1649] van A. Boelens. De betekenis is waarschijnlijk gelijk aan ‘loop naar de duivel’. Ook zeventiende-eeuws zijn de verwensingen iemand voor den droes op Marken wenschen! en ick wou de droes u lyff had te Aken gevoert! De plaatsnamen in deze verwensingen duiden erop dat de verwenser zijn opponent ver uit zijn buurt wil hebben. De betekenis ervan is volgens Stoett (1943: nr. 1431) ‘ik veracht je, hoepel op’. Het woord komt ook voor als vloek en verwensing met een betekenis die gelijk is aan ‘wel verdomme (nog aan toe)’. Zinnetjes waarin het woord in deze betekenis nog in het hedendaags Nederlands voorkomt, heb ik niet gevonden. Het WNT geeft als jongste citaten een plaats uit Klaasje Zevenster van Jacob van Lennep [1866] en één uit Beets’ Camera obscura [1840]. → Aken, Marken; bruien, derde maat, droelie, droeskop, drommel, drommelskop, drumpel, duiker, duin, duivekater, duivel, duiventer, duizend, Heintjeman, Heintje Pik, Joost, nikker, pikken, vijand.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

droes duivel 1561 [WNT droes I] <?

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut