Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

droef - (bedrukt, mistroostig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

droef bn. ‘bedrukt, mistroostig’
Al Oudnederlands in het afgeleide werkwoord druouon ‘verwarren, troebel maken’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. droue ‘bedroefd’ [1201-25; CG II; Floyr.], droeue ‘troebel’ [1287; Nat.Bl.D, CG II], droeue ‘somber’ [1287; Nat.Bl.D, CG II].
Os. drōbi, ohd. truobi (nhd. trübe ‘bedroefd; troebel’), oe. drōf; < pgm. *drōbi- ‘troebel’.
Misschien verwant met → draf 1; het woord betekende dan oorspr. iets als ‘taai, slecht vloeibaar’, wat via ‘troebel’ naar ‘donker, duister’ kan leiden. Het is misschien afgeleid van pie. *dhrebh- ‘stollen’ (IEW 272), maar gezien de ongewone ablaut (-a- / -ō-) en het gebrek aan pie. verwanten is hier eerder sprake van een niet-Indo-Europees substraatwoord.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

droef* [troebel, neerslachtig] {droeve, droef [duister, troebel, somber, bedroefd, ellendig] 1201-1225} oudsaksisch drovi, middelnederduits dröve, oudhoogduits truobi, oudengels drōf; buiten het germ. vermoedelijk grieks tarachè [storing, verbijstering], litouws dirgti [in verwarring raken].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

droef bnw., mnl. droeve ‘duister, troebel, droevig’, mnd. drȫve, os. drōƀi ‘donker, somber, droevig’, ohd. truoƀi ‘duister, troebel, onrustig’, vgl. ook oe. drōf ‘onrustig, in verwarring’. — Indien men verband legt met de groep drab en draf, dan moet men uitgaan van een bet. ‘dikvloeibaar, taai’ wat over ‘troebel’ tot ‘duister’ kan voeren. Voor de overdracht op een gemoedstoestand is te herinneren aan nhd. heiter ‘helder, opgewekt’. — Zie: bedroeven.

Men kan ook aanknopen aan lat. fraces ‘oliedroesem’, olit. drages ‘gist’, on. dregg ‘droesem’ (IEW 251) bij een idg. wt. *dherǝgh. Daartoe behoort ook gr. thrássō ‘verwarren, verontrusten’, maar dat mag geen aanleiding zijn voor het germ. woord van een grondbetekenis ‘verwarring, onrust’ uit te gaan (FW 135). — Opmerkelijk is het, dat het noordgerm. dit woord niet kent; behoort het tot de woordengroep, die het got. alleen met het westgerm. gemeen had, waarvoor zie de Vries, Leuv. Bijdr. 48, 1957, 5-39)? Dat zou er dan op wijzen, dat het woord eig. alleen westgerm. is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

droef bnw., mnl. droeve “duister, troebel, droevig”. = ohd. truobi “duister, troebel, onrustig” (nhd. trübe), os drôƀi “donker, somber, droevig”; vgl. verder ags. drôf “onrustig, in verwarring” en mnl. nnl. bedroeven (mnl. droeven = “droevig zijn”), ohd. truoben “troebel, verward, bedroefd maken” (nhd trüben), os. gi-drôƀian “verontrusten” (drôƀian intrans.), ags. drêfan “in beweging brengen, verontrusten”, got. drobjan “in onrust, oproer brengen”. Men vergelijkt drab(be) en draf wel, zie aldaar en vgl. zw. dial. drôv o. “drabbe, droesem”. Van ouds is bij germ. ðrôƀ het begrip van “verwarring, onrust” overheerschend, derhalve is de combinatie met gr. tarakhḗ “verwarring”, thrássō “ik breng in onrust”, lit. dírgti “in de war raken”, dérgti “slecht weer zijn” niet onaannemelijk: idg. dherā̆x-gh- naast dherāxz-bh-. Van dherā̆z-gh- ook deze woorden voor “bezinksel”: on. dregg v. (waarvan eng. dregs), obg. droždĭję mv., opr. dragios id., alb. drâ.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

droef. Bij ohd. truobi, os. drôƀi wellicht ook ofri. drêve ‘slecht’(?). Hierbij ook met abl. os. *druoƀon ‘terneergeslagen zijn’ (ŭ, û?)? Minder wsch. opgevat als verschrijving voor *druoƀon, waarmee mnl. droeven, dat ook in de intr. bet. overeenstemt, identisch zou kunnen zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

droef bijv., Mnl. droeve, Os. drôƀi = donker, onrustig + Ohd. truobi (Mhd. trüebe, Nhd. trübe) = troebel, onrustig, Ags. dréfe = onrustig, Go. werkw. drobjan = in onrust brengen. Verwant met draf.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

droef bn.: stout, ondeugend, slecht van gedrag, ernstig ziek. Ook Vl. Mnl. drove ‘bedroefd’, droeve, droef ‘duister, troebel, ellendig’; Vnnl. drouve ‘marry, triste, dolent, doloreux ou qui faict froide chere’ (Lambrecht), droef ‘droevig, onrustig’ (Kiliaan). Onl. druovon ‘verwarren, troebel maken’ (W.Ps.), Ohd. truobi ‘donker, ondoorzichtig, troebel, onrustig’, Mhd. trüebe ‘glansloos, duister’, Mnd. dröve ‘bedroefd’, Os. drôvi ‘somber’, Oe. drôf ‘onrustig, vuil’. Voor de dial. betekenis, vgl. D. trüben ‘storen’, Mhd. trüeben ‘in de war brengen’, Os. gidrôvian ‘verontrusten’, Oe. drêfan ‘verontrusten, opwinden’, Got. drôbjan ‘gek maken’, Got. drôbnan ‘onrustig worden’. Afl. droeverik, droefzak.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

droef (G, W, ZO, ZV), bn.: stout, ondeugend; slecht van gedrag, ernstig ziek (ZV). Ook Wvl. Mnl. drove ‘bedoefd’, droeve, droef 'duister, troebel, ellendig'; Vnnl. drouve 'marry, triste, dolent, doloreux ou qui faict froide chere' (Lambrecht), droef 'droevig, onrustig' (Kiliaan). Onfr. druovon ‘verwarren, troebel maken’ (W.Ps.), Ohd. truobi 'donker, ondoorzichtig, troebel, onrustig', Mhd. trüebe 'glansloos, duister', Mnd. dröve 'bedroefd', Os. drôvi 'somber', Oe. drôf 'onrustig, vuil'. Voor de dial. betekenis, vgl. D. trüben 'storen', Mhd. trüeben 'in de war brengen', Os. gidrôvian 'verontrusten', Oe. drêfan 'verontrusten, opwinden', Got. drôbjan 'gek maken', Got. drôbnan 'onrustig worden'.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

droef, bn.: ondeugend, stout. Mnl. droeve, droef ’duister, troebel, ellendig’. Ohd. truobi ‘donker, ondoorzichtig, troebel, onrustig’, Mhd. trüebe ‘glansloos, duister’, Mnd. dröve ‘bedroefd’, Os. drôvi somber’, Oe. drôf ‘onrustig, vuil’. De Wvl. bet. begrijpen we uit D. trüben storen’, Mhd. trüeben ‘in de war brengen’, Os. gidrôvian ‘verontrusten’, Oe. drêfan ‘verontrusten, opwinden’, Got. drôbjan ‘gek maken’, Got. drôbnan ‘onrustig worden’. Afl. droeverik, droevaard ‘stoute jongen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

droef* neerslachtig 1201-1225 [CG II1 Floyris]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal