Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

drillen - (schudden, trillen; africhten, oefenen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

drillen ww. ‘schudden, trillen; africhten, oefenen’
Mnl. drillen ‘(door)boren’ [1357; MNW] en ‘trillen, zwaaien’ [1400-50; MNW]; vnnl. drillen ‘boren’ [eind 16e. eeuw; WNT wijnazijn], ‘trillen, dansend bewegen’ [1612; WNT zang I], ‘africhten (van paard)’ [1615; WNT traf], ‘winden’ [1671; WNT], ‘africhten (van militairen)’ [1721; WNT recruut].
Nhd. drillen ‘draaien, africhten’ < pgm. *þreljan- ‘draaien, boren’; vergelijkbaar is oe. þȳrlian ‘boren’ (ne. thrill ‘beven; aangrijpen’, zie → thriller), een afleiding van het zn. þȳrel ‘gat’, welk woord verwant is met → door.
De oorspr. betekenis is ‘boren, draaien’; in die zin hoort het bij pgm. *þrel- < pie. *terh1- ‘draaien’ (IEW 1071-72). In de betekenis ‘africhten’ is het wrsch. overgenomen uit het Duits, zoals ook Engels drill ‘africhten’ in de 17e eeuw aan het Duits is ontleend. Deze betekenis zal zijn voortgekomen uit ‘rond laten lopen’.
Engels drill in de betekenis ‘boren’ is ontleend aan het Middelnederlands.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

drillen* [africhten, boren] {1460 in de betekenis ‘boren, zwaaien’; de betekenis ‘africhten’ 1724-1726} middelnederduits drillen [rollen, draaien], middelhoogduits drillen [draaien, rond maken], engels to thrill [doorboren]; in fries en nd., waaruit ook sedert de 17e eeuw in hd., komt de betekenis ‘africhten op’ voor, vermoedelijk via de betekenis ‘kwellen’, die nog voorkomt in deens drilledrol1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

drillen 1 ww. ‘trillende beweging maken; boren met een drilboor; africhten van soldaten’, mnl. drillen ‘boren; zwaaien’, mnd. drillen ‘rollen, draaien’, mhd. drillen ‘draaien, rondmaken’, ne. thrill ‘doorboren’. — Afl. van de onder draaien behandelde idg. wt. *ter; zie ook: dral en drol.

Het is mogelijk, dat de bet. ‘een trillende beweging maken’ eerder te verklaren is als een affectieve nevenvorm van trillen (met verzachting van de beginconsonant evenals in drentelen). — De bet. ‘africhten van rekruten’ kan ontstaan zijn uit die van ‘steeds maar laten rondlopen’ (zo ook in nnd, waaruit sedert de 17de eeuw nhd. drillen en fri.). Dat leidt dan verder tot ‘het iemand lastig maken, foppen’, dat eveneens in nnl. nnd. en fri. bekend is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

drillen ww. (boren), waarvan ’t znw. dril “drilboor” (dial. ook “klap om de ooren”) gevormd is, mnl. drillen “boren, zwaaien”. = mhd. drillen “draaien, rond maken” (sterk deelw. gedrollen “rond”), nhd. ook “boren” (die bet. is in het Ndd. ouder), mnd. drillen “rollen, draaien”, eng. to thrill “(door-)boren”. Evenals het wgerm. bnw. *þralla- (zie dra) en de bij drol besproken woorden van den idg. wortel ter- “doorboren”. Drillen kan germ. “þreljanan of *þreðlîanan zijn of een secundaire formatie evenals Zaansch drijlen “garen op klossen winden”. De secundaire bet. “africhten (van recruten enz.)” en (dial.) “het iemand lastig maken, foppen, bedriegen” komen ook in ’t Fri. en in het Ndd. voor, waaruit nhd. drillen “africhten” ontleend is (sedert de 17e eeuw). De. drille en zw. drilla “boren”, uit het Ndd., beteekenen ook “kwellen, voor den gek houden”, in het oudere De. ook “africhten”. De ndl. dial. bet. “dribbelen”, reeds bij Kil., is uit “draaien, zwaaien” ontstaan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

drillen o.w.en ono.w., z. dril 1, dril 2 en dril 3. — In de bet. van in rijen zaaien is het uit Eng. to drill, dat aan dril ontleend is.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

drillen, ww.: hard lopen, veel lopen, op stap gaan; foppen, bedriegen. Mnl. drillen ‘zwaaien’, Vnnl. drillen, trillen ‘wankelen, wandelen, ronddraaien’ (Kiliaan). Ndl. drillen ‘lopen, draaien, dansen, slenteren’, Mnd. drillen ‘rollen, draaien’, E. thrill ‘doorboren’. Germ. *þ^yrlian ‘boren’, *þrel < Idg. *terhi ‘draaien’. Freq. van draaien. De betekenisovergang ‘zwaaien’ > ‘uitgaan’ kan worden vergeleken met zwieren in b.v. aan de zwier gaan, aan de draai zijn. De Mnd. bet. ‘rollen’ vinden we ook terug in studententaal rollen ‘aan de zwier gaan’. Uit de bet. ‘rond laten lopen’ kan de bet. van drillen ‘africhten’ worden verklaard, en vandaar ‘ringeloren, kwellen, plagen’ en ten slotte ‘bedriegen’.

drullen, ww.: rollen, snel ronddraaien. Met geronde klinker naast Mnl. drillen ‘zwaaien’, Mnd. drillen ‘rollen’, Mhd. drillen ‘zwaaien’, E. thrill ‘doorboren’. Hoort bij draaien.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

dreilen ww.: glijden (op schaatsen); keilen. Zie dreil.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

drillen (G), ww.: zwieren, op stap zijn. Zie dril.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

drulle rollen, snel ronddraaien (Brabant, Bommelerwaard, Oudbeierland, Zeddam). = geldov. drillen ‘ronddraaien’ = mnl. drillen ‘zwaaien’, mndd. drillen ‘rollen’ = mhgd. drillen ‘zwaaien’ = eng. thrill. ‘doorboren’. ~ drol, ~ draaien.
Opprel 70, TT VII 25, WBD 443-444.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

I. drillen (drilde, heeft gedrild), dooreen roeren, klutsen (beslag e.d.). Ze klaagde nooit over het verleden en bleef de tijd idealiseren van de prapi* en de prapistok* waarmee ze uren achtereen de suiker en de eieren moest drillen voor haar beroemde cakes* en Engelse bollen*, gebakken in Wijsmanboter* (Vianen 1972: 7). - Etym.: Vgl. (veroud.) AN d. = o.m. (overg.) doen trillen; winden. E to drill = ronddraaien (sedert 1681, nu veroud. of dial.); vermoedelijk van N d. (Onions). S dreri.

II. drillen (drilde, heeft gedrild), terecht wijzen, mores leren. Ik laat* je voor Jan, hij zal je drillen! - Etym.: AN d. = o.m. volgens strenge regels africhten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

drillen ‘boren; africhten; (verouderd) ringeloren, plagen; heen en weer lopen’ -> Engels drill ‘boren; ronddraaien; africhten, exerceren’;? Duits drillen ‘boren’; Deens drille ‘boren, plagen, moeilijkheden geven’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors drille ‘boren met drilboor; africhten; (verouderd) plagen’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans † driller ‘rennen, ervandoor gaan’; Maltees drill ‘volgens strenge regels africhten; lichamelijke oefening’ ; Indonesisch dril ‘africhten, exerceren’; Ambons-Maleis dril ‘exerceren’; Jakartaans-Maleis derèl ‘neerschieten’; Javaans drèl ‘gelijktijdig geweervuur, salvo’; Kupang-Maleis drel ‘africhten, exerceren’; Madoerees drel, ēddrel ‘pelotonvuur maken of afvuren’; Menadonees drel ‘africhten, exerceren’; Ternataans-Maleis drel ‘africhten, exerceren’; Papiaments drel (ouder: dril) ‘boren, africhten, exerceren; militaire mars’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

drillen* boren 1460 [MNW]

drillen* africhten 1724-1726 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal