Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

drift - (stuwende beweging; hevige opwelling; weg voor vee)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

drift zn. ‘drijvende beweging; hevige opwelling’
Mnl. in de samenstelling copmanscap drift ‘werkzaamheid als koopman’ [1240; Bern.], dreft ‘kudde’ [1291; CG I, 1564], drift ‘geestdrift’ [14e eeuw; MNW].
Met een achtervoegsel -ti- gevormd bij pgm. *dreiban- ‘drijven’, zie → drijven.
Os. thrift, drift (mnd. drift o.a. ‘het drijven’); mhd. trift o.a. ‘het drijven’ (nhd. Trift (verouderd) ‘veeweide; waterstroming’, Drift < mnd.); ne. drift; on. dript ‘sneeuwstorm’; < pgm. *drifti-.
De vele betekenissen van dit woord zijn alle gebaseerd op het werkwoord (voort)drijven, in de oudere vindplaatsen nog alleen met betrekking tot beweging, waaronder ook de betekenis ‘terrein of weg waar men over drijft (bijv. vee)’, zie → dreef. Een schip op drift is buiten controle, en zo kan het ook met emoties gaan.
driftig bn. ‘vurig; opvliegend’. Mnl. driftige verken ‘loslopende varkens’ [1421; MNW varken], uut driftiger begeerten ‘uit hartstochtelijke begeerte’ [1534; MNW]. Regelmatige afleiding van drift met → -ig.

EWN: ♦ driftig bn. 'vurig; opvliegend' (1421)
ANTEDATERING: dat ghi … driftegere sijt 'dat u vuriger bent' [ca.1393-1402; MNHWS]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

drift* [hartstocht, plotselinge woede] {drift, dricht [onstuimigheid, kudde, ijver, drift] 1291} afgeleid van de germ. vorm van drijven, vgl. ook drichten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

drift znw. v., mnl. drift, dricht, drecht v. ‘onstuimigheid; ijver, aandrift; veekudde; district’ (westvl. dricht ‘bewerking van het bouwland’), mnd. drift ‘drift, onstuimigheid, gedreven kudde, weide’, mhd. trift ‘weide, kudde, het laten drijven van hout, bedrijf, levenswijze’, ofri. ūr-drift ‘het verdrijven’, ne. drift ‘aandrift, bui, stroming; drevel’, on. dript ‘jagende sneeuwbui’. Het germ. *drifti is een afl. van drijven. — Zie ook: dreef.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

drift znw., mnl. drift, dricht, drecht v. “aandrang, onstuimigheid, district, bewerking van bouwland”, in de laatste bet. nog wvla. dricht. = mhd. trift v. “weide, kudde, het laten drijven van hout, bedrijf, levenswijze” (nhd. trift), mnd. drift v. “drift, onstuimigheid, het drijven, weide, troep die gedreven wordt”, ofri. ûr-drift v. “het verdrijven”, eng. drift “aandrift, bui, drevel, strooming”, on. dript v. “sneeuwbui”. W.- en ngerm. *drifti- v. is een afl. van drijven. Dergel. bett. vertoont ook dreef.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

drift. Hiervan het bnw. † driftig = mnl. driftich ‘drijvend; haastig, onstuimig’, ook mnd. in verschillende, bij het grondwoord zich aansluitende bett.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

drecht 1 v. (weide), Mnl. drecht, dricht, drift + Hgd. trift, hetz. als drift: z. akker.

drift v., van denz. stam als ’t meerv. imp. van drijven.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

drif I: “drang, geesdrif”, mv. drifte; Ndl. drift (Mnl. drift/dricht/dreft/drecht) Hd. trift (in ouer bet. “hartstog”, tans meer bep. i.v.m. drif II); hou verb. m. dryf (v. dreef).

drif II: “deurgang v. mens en/of dier deur spruit of rivier”; mv. (soms) drifte, (meestal) driwwe, in Afr. is drif I en II feit. doeb.; Ndl. (vlgs. WNT nie meer in Afr. bet. nie, maar al by Kil drift, “brevia, locus vadosus”, d.w.s. “kort/vlak plekke, deurwaadbare plek”, vRieb (d.d. 9 en 26.8.1659) het ondersk. overdrift en deurdrift, “strook veld waaroor vee gedryf word”) en in 17e-eeuse Kaapse Stukke meermale doordrift en 18e eeu drift (vgl. Scho TWK/NR 7, 1, p. 35 en 36 s.v. deurdrif en drif ondersk.· in Afr. bet.), v. ook opdrifsel.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

drift* hartstocht 1657 [WNT]

drift* plotselinge woede 1689 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut