Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dries - (braakliggende akker)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dries* [braakliggende akker] {driesch, dries, dreesch [braakland] 1251-1300} hoogduits Driesch, verwant met latijn terere [wrijven, glad wrijven (bij het ploegen)].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dries znw. m., mnl. driesch ‘braakland, onvruchtbare plek’, (dial. ‘braakland, slechte weide’ in N.-Holland, Gelderland, Overijsel; ook ‘weide, die later zaadland wordt’ in Zuid-Holland en Leuven; ‘land met gras bezaaid, later met klaver’ in Vlaanderen, en verdere betekenissen ‘tijdelijk, later ook wel duurzaam onbebouwd veld; met gras begroeid dorpsplein’), mnd. drēsch ‘braakland’, nnd. dreis ‘onbebouwde akker waar het vee graast’, fri. treesch, tresk, treaske, traask. Het nhd. driesch is door nl. kolonisten naar Duitsland overgebracht, vgl. Teuchert, Die Sprachreste der ndl. Siedlungen 1944, 195).

Daar het woord uitsluitend tot het gebied der Nederlanden en Westfalen beperkt is, kan men er moeilijk een etymologie van geven. Zij is wel beproefd: 1. Mansion, Gentse Naamkunde 106 gaat op grond van de oudgentse vorm thriusca uit van een betekenis ‘begroeide akker’ en vergelijkt on. þroskr ‘rijp, krachtig’, þroski ‘rijpheid’ bij þrōast ‘groeien’ dat men gesteld heeft bij av. tuþrūye ‘heeft gevoed’, þraoš ‘tot rijpheid komen of brengen’. Het is de vraag of men het braakland als een ‘vruchtbaar’ land mag beschouwen. — 2. Gaat men uit van de gedachte, dat de dries juist een uitgeput land is, dan kan men uitgaan van een vorm *þreutska en aan verband met de groep van verdrieten denken (Sperber, WS 6, 1914-5, 24 vlgg. — Geheel anders Lindemans, Leuv. Bijdr. 16, 1924, 1-7 die van het drieslagstelsel wil uitgaan; de dries is de toestand van de akker in het derde jaar van de wisselbouw, dan tot zaailand gemaakt braakland; dan zou men het woord van drie moeten afleiden, bijv. þrīwiski, dat Gijsseling, Topon. Wdb. 1960 zelfs als ‘driesprong van wegen’ > ‘dorpsplein’ wil opvatten. — Al deze pogingen berusten op de hoop, dat voor zo een sterk gelocaliseerd woord een herkomst uit een oergerm., zelfs een idg. voorvorm zou zijn af te leiden. Eerder zou ik denken aan de mogelijkheid van een substraatwoord. — Uit het nl. drong het woord ook in noordfra. dialecten, zoals Waals tries(c), trieu (het laatste kan wellicht op zeer oude ontlening wijzen), Poitou: trechain, Vendée: trechèn (Gamillscheg, Rom. Germ. I, 193).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

driesch (braak liggende akker, tijdelijk als weiland gebruikt), mnl. driesc m. = Teuth. dryesch, mnd. drêsch m. “driesch” (> nhd. driesch). Misschien idg. *dhreus-qo-, ablautend met lett. druska “brok, kruimel”; voor verdere verwanten zie bij druisen. De grond-bet. was dan òf “land dat na den oogst gebroken blijft liggen” (vgl. braakland, braak liggen) òf — als de vla. bet. van dries(ch) “weide die men in zaailand verandert” (NB. = vla. gescheurde blik) ’t oudst ís — “versch opengeploegd land”. Is deze etymologie juist, dan heeft N.Holl. dres “dries” (reeds bij Kil. “Holl.”) secundair vocalisme.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dries[ch]. De verschillende bett. laten zich behoorlijk afleiden uit een ospr. bet. ‘onbebouwd stuk grond, waarop allerlei planten en kruiden groeien’: Mansion Leuv. Bijdr. 17, 134 vlgg. (vgl. ook Mansion Leuv. Bijdr. 15, 96 vlgg.; Lindemans Leuv. Bijdr. 16, 1 vlgg.).
Op grond van oudgentse vormen (in Gegninga thriusca ‘in de dries der Gegnings’) gaat Mansion Oudg. Naamk. 106 uit van germ. þ- en brengt het woord dan als ‘begroeid land’ in verbinding met on. þroskr ‘rijp, krachtig’, þroski m. ‘rijpheid, mannelijke leeftijd, vooruitgang’, av. θraoš- ‘rijpen’, waarnaast de kortere wortelvorm in ohd. trouuen (t- = th-) ‘crescere’, av. θrav- ‘voeden’, waarschijnlijk ook in ags. ðrŷð v. ‘sterkte, macht’, on. þrûðigr, þrûðinn ‘sterk, machtig’. Deze etymologie moge met het oog op de juist vermelde ospr. bet. van het ndl. woord niet zonder bezwaren zijn, zij is in ieder geval waarschijnlijker dan die van Sperber WuS. 6, 24 vlg., die eveneens germ. þ- aanneemt en bij de groep van verdrieten aansluit: dries[ch] zou ospr. een bnw. zijn met de bet. ‘vermoeid, uitgeput’.
Als de beginconsonant þ- was, behoeft hd. driesch niet uit het Ndd. afkomstig te zijn; ook de vocaal van het bij Sperber vermelde zwa. dreusche pleit tegen deze herkomst.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

driesch m., Mnl. driesc, dries, Kil. en dial. dres + Ndd. dresch, Hgd. äriesch = braakland: wellicht van drie (cf. tusschen), wijzende op het gebruik om alle drie jaar een derde van den akker te laten braak liggen; de klinker geeft echter moeilijkheid.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

dries I: gew. in ss. driesland, “saaigrond, tydelik of nog nie bewerk nie en braak”, volkset. ook ghriesland; Ndl. dries(ch)/driest (Mnl. driesc(h), by Kil dries/dres), Hd. driesch – Germ. en Idg. verw. nog in dispuut (dVr J NEW).

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

dries 'onbebouwd stuk land, tijdelijk braakliggend land'
Onl. thriusca, drisch, mnl. driesch 'braakland, onvruchtbare plek', mnd. drêsch 'braakland', nnd. dreis 'onbebouwde akker waar het vee graast'. Het woord is in verspreiding beperkt tot de (met name zuidelijke) Nederlanden en Westfalen. Vaak samengesteld met de kleuraanduidingen grijs en vaal: 1396 Valendriesch (bij Vollenhove)1.
Bij de oudste attestatie in plaatsnamen is het onzeker of hier wel sprake is van dries: 1139 kopie 14e eeuw Suanesdrisch (ligging onbekend, bij de Gouwe), echter in 1179 in Swanesdrifth2. In combinatie met zwaan gaat de voorkeur uit naar onl. swanesdrifth 'water waar zwanen worden gehouden'3.
Lit. 1NGN 3 (1893) 330, 2Künzel e.a. 1989 338, 3Künzel e.a. 1989 338.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dries ‘braakliggende akker’ ->? Duits dialect Driesch ‘braakliggende akker’ (uit Nederlands of Nederduits).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut