Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

drieling - (drie tegelijk geboren kinderen van één ouderpaar)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tweeling zn. ‘twee uit één dracht geboren kinderen’
Mnl. tweilinc ‘lid van een tweeling’, tweilinge (mv.) ‘tweelingen’ [1240; Bern.], twee twillinge [1350; MNW], Twie twilingh twie broeders [1460; MNW], waarnaast als variant ook tweelinge ‘twee gelijktijdig geboren kinderen van dezelfde moeder’ [1477; Teuth.], twelingen ‘id.’ [1526; WNT] en tweelinck ‘lid van een tweeling’ [1574; Kil.] verschijnen; dan ook het enkelvoud tweelingh in de betekenis ‘beide leden van een tweeling’ [1678; WNT].
De varianten en de moderne vorm gaan vermoedelijk terug op invloed van het telwoord → twee. De vorm uit 1350 wordt door het MNW als schrijffout voor twilinge opgevat, maar zou eventueel ook een assimilatie van ouder *twinling kunnen zijn.
Indien dat het geval is, dan is die vorm vergelijkbaar met Oudhoogduits zwiniling, zwilling ‘tweeling’. Dat is afgeleid met het achtervoegsel → -ing van het Oudhoogduitse bn. zwinal, zwinil ‘tweeling’, dat op zijn beurt is gevormd is met een achtervoegsel -il- bij pgm. *twina-, dat ook voorkomt in Oudengels (ge)twin ‘tweeling’ (> Nieuwengels twin). Te vergelijken zijn verder Oudzweeds tvinlinger en Ouddeens tvinling, die worden afgeleid van Oudnoords tvinnr, tvennr ‘dubbel’.
Pgm. *twi-na- is vergelijkbaar met Litouws dvỹnas ‘tweeling’; Russisch dvójnja ‘tweelingen’; < pie *dui-no-, afleiding met pie. achtervoegsel -no- van pie. *dui- dat behoort bij de wortel van → twee.
Indien MNW wel gelijk heeft, gaat het om een afleiding met het achtervoegsel → -ling bij pgm. *twi-.
drieling zn. ‘drie uit één dracht geboren kinderen’. Vnnl. drijelinghen [1562; Tetraglotton trigēmini]; nnl. Drielingen (mv.) [1773; WNT]. Gevormd bij → drie naar het model van tweeling. In het Middelnederlands bestond weliswaar het woord drielinc, maar dat was een landmaat.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

drieling* [drie kinderen van dezelfde dracht] {1773} het middelnl. kende drielinc [¾ erf], in de moderne betekenis is het een navolging van middelnederlands tweelinc [tweeling].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

drieling znw. m., eerst na Kiliaen; mnl. drieling ‘¾ erf’ (evenals nog vla. ‘¾ van een maat’). Het woord tweeling bestond echter reeds in het mnl. en daarnaar werd drieling, vierling gevormd.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

drieling znw., nog niet bij Kil. Vgl. tweeling. Mnl. drielinc m. = “¾ erf”. In ’t Vla. nog = “¾ van een maat”. Met verschillende bett. ook mhd. (nhd.) mnd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

drieling ‘drie tegelijk geboren kinderen van één ouderpaar’ -> Duits dialect Drelink ‘baksteen voor schoorstenen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

drieling* drie tegelijk geboren kinderen van één ouderpaar 1773 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut