Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dreunen - (dof geluid voortbrengen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dreunen ww. ‘dof geluid voortbrengen’
Vnnl. droent (3e pers. ev.) ‘maakt geluid, dreunt’ [1550; MNW], het dreund' in yders ooren ‘het weerschalde in ieders oren’ [1648; WNT zee I].
Mnd. dronen ‘dreunen’; on. drynja ‘dreunen’; got. zn. drunjus ‘geluid’; < pgm. *drun-j- ‘lawaai (maken)’, een vorm met ablaut bij *dren- ‘herrie maken’; zie → dreinen, → drenzen.
De verdere herkomst is onduidelijk. Wrsch. is het een klanknabootsing. Zeer onzeker is verwantschap met pie. *dher-, *dhren- ‘geluid maken’ (IEW 255-56).
dreun, zn. ‘dof geluid, schok, smak; eentonig ritme; oplawaai’. Vnnl. dreun ‘dof geluid’ [ca. 1626; WNT]; nnl. dreun ‘eentonig ritme’ [1789; WNT], ‘klap, oplawaai’ [1952; Koenen]. Afleiding van dreunen.

EWN: dreunen ww. 'dof geluid voortbrengen' (1550)
ANTEDATERING: mnl. droenen 'schudden' [1477; Teuth.]
Later: hi sloech den ruese op sijn harse becken dattet droonde 'hij sloeg de reus op zijn hersenpan dat het dreunde' [1516; MNW-P]; dreunen, dronen 'daveren' [1588; Kil.] (EWN: 1648)
EWN: ♦ dreun, zn. 'dof geluid, schok, smak; eentonig ritme; oplawaai' (ca. 1626)
ANTEDATERING: longen stijf van dreun 'longen met een stevige ademstoot' [1620; Vondel 2, 251]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dreunen* [met een zwaar geluid trillen] {1620} in oorsprong een klanknabootsend woord, vergelijkbaar met drenzen, dreinen, druisen; vgl. middelnederduits dronen, gotisch drunjus [geluid]; buiten het germ. grieks throos [rumoer, klank], thrèneō [ik jammer], oudindisch dhranati [hij weerklinkt].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dreunen ww., mnl. drōnen, ‘dreunen, weerklinken’, mnd. drōnen, drȫnen ‘dreunen, hoorbaar natrillen’ (> nhd. dröhnen); nijsl. drynja ‘dreunen, lawaai maken’ (maar on. drynhraun ‘het gerol van stenen die van een berghelling afvallen’), vgl. ook got. drunjus ‘weergalmen, geluid’, behoort tot de onder drenzen behandelde groep.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dreunen ww., mnl. drōnen, (drȫnen) “dreunen, weerklinken”. = mnd. drōnen (drȫnen) “dreunen, hoorbaar natrillen” (waaruit nhd. dröhnen), nijsl. drynja “brommen, loeien” (alg. ngerm.). Het nndl. znw. dreun zal wel jonger en postverbaal wezen, ofschoon in het Nijsl. drynr m. “geloei, gebrom” en in het Got. drunjus m. “het weergalmen, geluid” voorkomt. Buiten het Germ. vgl. behalve de bij drenzen genoemde woorden: gr. thrẽnos “weeklacht”, oi. dhrâṇati “hij weerklinkt”, Idg. dhren- is een verlenging van dher-, waarvan ier. dordaim “ik loei, huil (van een hert)”, lett. dardêt “knarsen, ratelen”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dreunen. Bij de idg. wortel *dher- uit het Germ.: ags. dora m. ‘hommel’ (eng. dor ‘meikever’). Zie ook nog dar Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dreunen ono.w., Mnl. dronen + Hgd. dröhnen, On. drynja, Go. subst. drunjus (= geluid) + Skr. wrt. dhran = dreunen, Gr. thrẽnos = klacht.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dreunen* met een zwaar geluid trillen 1620 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut