Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dreef - (brede landweg met bomen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

dreef zn. ‘brede landweg met bomen’
Mnl. dreve ‘(land)weg’ [1285; CG I,978]; vnnl. dreve ‘dreef; met bomen beplante weg’ [1596; WNT], later met apokope: De dreef met boomen [1879; WNT].
Het woord behoort met ablaut bij de wortel van het sterke werkwoord → drijven. Zie ook → drift.
Mnd. drēfwech ‘weg voor het vee’; nhd. Trieb oorspr. ‘drijven van vee; weide’; < pgm. *dribō- ‘weg waarlangs het vee wordt gedreven’.
De uitdrukking op dreef zijn ‘aan de gang zijn’ komt al in het Middelnederlands voor: als dit paert wel op zijn dreve was ‘als het paard goed op weg was’ [1488; MNW] en betekent van origine dus ‘op weg zijn’, wat overdrachtelijk kon worden gebruikt, zoals ook op weg zijn.
In het Frans van België en Noord-Frankrijk ontleend als drève ‘berijdbare weg, omzoomd met bomen’ [1420; PRobert].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dreef* [brede landweg] {dreve 1285} afgeleid van (vee) drijven, vgl. hoogduits Trieb [het drijven van vee], engels drive [weg (zn.)], van to drive [drijven]. De uitdrukking op dreef zijn betekent letterlijk ‘aan het drijven, aan de gang zijn’, waarnaast op dreef zijn [zich behaaglijk voelen], waarin de betekenis van dreef is ‘land, weide’ (vgl. in zijn knollentuin zijn).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dreef znw. v., mnl. drēve m. is afgeleid van drijven. Zo ook nhd. trieb ‘drang, veedrift’. De dreef is dus de weg, waarlangs het vee naar de weide gedreven werd.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dreef znw., mnl. drēve m. Een ndl. afl. van den stam van drijven, naar analogie van beet I (bēte), schrede e. dgl. gevormd. Evenzoo nhd. trieb m. “drang, veedrift enz.”, mnd. drēve “slag”. Vgl. drift.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dreef v., Mnl. dreve + Hgd. trieb, van denz. stam als ’t meerv. imp. van drijven; voor de bet. vergel. gang en paan; hieruit Fr. drève.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

dreef: (veral in uitdr.) op dreef kom, ablv. v. dryf/drywe; Ndl. drijven, Eng. drive, Hd. treiben – Ndl. s.nw. dreef.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Dreef (laan) van drijven, eig. de weg, waarlangs men het vee naar de weide drijft. (Vgl. gang: de weg, waarlangs men gaat; de loop: waarlangs men loopt; de vaart, enz.) Hetzelfde woord is drift (ook van drijven), dat in ’t Hgd. Trift heet en daar weide beteekent. Bij ons heeft drift de beteekenis van: haastig gedreven worden, voortvarendheid, haast, opvliegendheid; de eigenlijke bet. komt nog voor als zeestroom, bijv.: de noordwestelijke drift.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dreef ‘brede landweg’ -> Frans dialect drève ‘grote oprijlaan met bomen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dreef* brede landweg 1285 [CG I2, 978]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

488. Op dreef zijn (-raken, -helpen),

d.w.z. aan het drijven, d.i. aan den gang zijn of komen; op gang helpen; goed overweg kunnen met hetgeen men om handen heeft. Het znw. dreef, mnl. dreve, is eene afleiding van het intr. wkw. drijven in den zin van voortdrijven, voortgaan. De uitdr. wordt aangetroffen bij Hooft, Ned. Hist. 405, 15: Die den handel pooghde weder op der dreeve te helpen. Sewel, 192 citeert: Iets weder op den dreef helpen, to restore a thing to its former course, waarmede te vergelijken is het Groningsche op drift wezen en op drift moaken (Molema, 89 b); de fr. uitdr. être en train; mettre en train; fri. op 'e dril, op 'e gleed, op gang, en het Zuidndl. op den drevel, op den drets zijn; hd. im Zuge sein, in Gang (Zug) bringen; eng. to be in gear. De uitdr. in haar tegenwoordigen vorm vindt men o.a. Sjof. 233; 329.

489. Op (zijn) dreef zijn,

d.w.z. zich behaaglijk gevoelen, in een goede luim zijn. Gewoonlijk met de ontkenning ‘niet al te wel zijn’. Vgl. Sewel, 192: Niet op zyne dreef zijn, to be out of order; to be ill at ease. Sartorius I, 9, 74 geeft reeds de juiste verklaring dezer zegswijze: Op syn oude doffdoft, roeibank., op syn oude dreef, in eos dicebatur, qui e vita quapiam lautiore excussi, ad pristinam tenuitatem rediguntur. Translatum ab animantibus, quibus nota familiariaque praesepia solent esse gratissima. Het znw. dreef wil derhalve hier zeggen: land, weide (vgl. In zijn knolletuin zijn). Volgens het Mnl. Wdb. II, 399 komt de uitdrukking reeds in de middeleeuwen voor. Men vindt haar ook Spelen v. Sinne, 6 r:

 By gans macht, waer ic recht op myn dreve,
 Ic en zoude om dat springhen zoo haest niet gapen.

De Brune, Bank. II, 313; Brederoo III, 68, 1702; Snorp. II, 26; Hooft, Ged. I, 262:

 O geestighe Natujr vol jujster zinlijkheit,
 Wat moest ghij op uw' dreef, en op uw sneedighst wezen.

Focqenb. Melis 105: Doen ick noch op mijn dreef en in mijn jongheyt was; Van Effen, Spectator, IX, 105: Ik heb een ruimen tyd herwaarts geen goede luim gehad, ja ben thans zelfs noch niet veel beter op myn dreef. Volgens Halma, 124 beteekent in de 18de eeuw ‘op zijne dreef zijn’, aan den gang zijn, être en train, dus hetzelfde als op dreef zijn, hetgeen te begrijpen is, wanneer men er mede vergelijkt de Zuidndl. uitdr. in zijnen kets (eig. gang) zijn, d.i. ‘in zijne goede of kwade luim zijn’, naast op den kets zijn, ‘op den gang zijn’ (zie De Bo, 515 a); Bergsma, 94: he is op dreve naast hij hef't op dreef, het gaat naar zijn zin. Vgl. ook Eckart, 85: he is up sinen rechten Dreft (in guter Laune); he is up kênen goden Dreft, schlechter Laune; oostfri. up sîn drefe wesen (Dirksen I, 26); in het fri.: op yens drê (of dreef) wêze, in zijn schik zijn. Op zijn dreef geraken leest men bij V. Moerk. 223.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut