Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dravik - (plantengeslacht (Bromus))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

dravik zn. ‘plantengeslacht (Bromus)’
Mnl. dravik ‘dravik’: So en sal gheen backer binnen Leyden ... dravic copen ‘zo mag geen bakker in Leiden ... dravik kopen’ [1406-48; MNW]; vnnl. drauick ‘kruid, plant’ [1559; Thes.], dravich [1608; WNT], nnl. dravik [ 1782; WNT zwenkgras].
Wrsch. is het Nederlandse woord met een achtervoegsel -ik- gevormd bij pgm. *dreb-, *drab-, dat wrsch. behoort bij dezelfde wortel als → draf 2. Het achtervoegsel -ik was vooral in het Nederlands-Nederduits en Fries-Engels gebied populair voor de vorming van namen van planten en dieren, bijv.dolik ‘soort gras’, → havik, → leeuwerik.
Me. drauk, drawk ‘zizania’ (mogelijk < mnl.). Zonder achtervoegsel: mnd. drepse, drespe ‘raaigras, dravik’; mhd. trefs(e) ‘id.’; nnl. drep, drepse ‘draverik, roggedravik’ [1854; WNT] < pgm. *dreb-, *drab-.
Lit.: H. Krahe-W. Meid (1967) Germanische Sprachwissenschaft III. Wortbildungslehre, Berlin, 212-14

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

draverik* [plantensoort] {1872} nevenvorm van dravik.

dravik* [plantengeslacht] {dravic 1406-1448} middelengels drauk (met hetzelfde achtervoegsel als bv. dolik), nederlands dial. drep, dreps, middelhoogduits trefse, middelnederduits drepse [wilde haver] (met ander achtervoegsel). De etymologie van dit op beperkt gebied voorkomend woord is niet achterhaald.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dravik znw. v., mnl. dravic ‘bromus secalinus’ (misschien ook ‘roggedravik’ = nnl. draverik), me. drauk (< oe. *drafoc) ‘zizania’. Met het suffix -ik (evenals dolik) van een grondwoord, dat dial. als drep, dreps voorkomt, vgl. mnd. drepse, drespe ‘lolium, zizania, quisquiliae’, mhd. trefse, trefs (nhd. trespe), vgl. noorw. drap-havre ‘avena elatior’. Het woord is uitsluitend germaans; zou de naam van dit onkruid niet van een substraattaal overgenomen kunnen zijn?

Men heeft ook gedacht aan herkomst uit het keltisch, wegens mlat. dravoca ‘lappa, klis’, vgl. kymr. drewg en ofra. droe ‘dolik’. — Aanknopingen aan de woordgroepen droef en drab hangen ook wat de bet. betreft, geheel in de lucht. Verbinding met lit. drebė́ti ‘sidderen’ (Petersson, Ar. und Arm. Studien 1920, 60) is ook onbevredigend; onmogelijk ontl. < lat. tetra-sperma (Sehrt, MLN 42, 1947, 39). Zie v. Haeringen Suppl. 37. — Mogelijk is het sinds 1325 bekende ne. drauk, drawk aan het nnl. ontleend (vgl. Bense 81).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dravik znw., mnl. drāvic “dravik, bromus secalinus”, misschien ook “roggedravik” (nnl. draverik). = meng. drauk (ags. *drafoc) “zizania”. Met ’t zelfde suffix als dolik gevormd. Ndl. dial. ook drep en dreps. Vgl. mhd. trëfse, trëfs m. “wilde haver” (nhd. trespe, dial. treff, trefz), mnd. drëpse, drëspe m. “lolium vel zizania, quisquiliae”, noorw. drap-havre “avena elatior”. De onderlinge verhouding van al deze vormen is niet vast te stellen. Misschien mogen wij van een germ. basis ðreƀ-, ðraƀ- uitgaan, die met die van droef (en eventueel drab(be) identisch kan zijn.

[Aanvullingen en Verbeteringen] dravik. Vgl. nog bret. dreok, draok, kymr. drewg, ofr. droe, droye, waalsch drâwe, drau, dro enz., namen van lolium temulentum e.dgl.; ze wijzen op verbreiding door ontl.; germ. oorsprong ís wsch.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dravik. Op grond van mlat. dravoca (10e eeuw) ‘lappa, klis’, bret. draok, dreok, kymr. drewg, ofr. droe ‘lolium temulentum, dolik’, waals drâwe ‘id.’ neemt men wel aan dat het woord ospr. gall. is. De geogr. verbreiding laat zich echter ook zeer goed verenigen met de mening van v.Wijk Aanv., dat het zich van het Germ. uit heeft verbreid. Of moet de ndl. meng. vorm uit het Gall. verklaard en van de duitse vormen gescheiden worden? Verwantschap van het germ. woord met lit. dreběti ‘sidderen’ vermoedt Petersson Ar. u. arm. Stud. 60 (vgl. nog trappen); niet beter dan de in het art. vermelde combinatie met de germ. woordfamilie van droef (: ‘verwarrend, bedwelmend kruid’?). — Onaannemelijk Sehrt MLN. 42, 39, die de hd. ndd. vormen uit gr.-lat. tetrasperma laat ontstaan zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

draverik, dravik v., Mnl. id. + Meng. drauk, verder dial. Hgd. treff, trefz, trespe: oorspr. onbek.; z. drep.

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

dravik
IJle dravik | Bromus sterilis L.
Zachte dravik | Bromus hordeaceus L. subsp. hordeaceus
Zwenkdravik | Bromus tectorum L.

Voor de herkomst en de verklaring van de naam Dravik worden vele verklaringen gegeven die alle onzeker zijn en waarop hier niet verder wordt ingegaan.

Alle grassen van het geslacht Bromus lijken in grote trekken op Gekweekte haver (Avena sativa L.).

De aartjes van de IJle dravik vallen bij rijpheid van de graanvruchten heel snel uiteen, wat Linnaeus deed vermoeden dat deze plant geen vruchtbare zaden voortbrengt en dus steriel is, zodat hij het gras de naam Bromus sterilis gaf. Het woord ijl betekent o.m. leeg en dan zou ijl in de naam van het gras erop wijzen dat de aftakelende aartjes van IJle dravik geen vruchten bevatten. Het is ook mogelijk dat het heel losse uitzicht van de pluim van de IJle dravik in vergelijking met de pluim van de Gekweekte haver tot ijl in de naam geleid heeft.

Van de bladeren van de Zachte dravik zijn de bladschijven en de bladscheden fluwelig behaard, zodat het gras in zijn geheel zacht aanvoelt en vandaar de naam. Zwenk in Zwenkdravik is afkomstig van het werkwoord zwenken. Zwenken betekent slingeren, zwaaien of zwieren en bij Zwenkdravik wordt bij dit gras gewoon verwezen naar de pluimen met de aartjes die neerhangen en zo ietwat kunnen rondslingeren of zwenken in de wind.

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Dravik (ijle), Anisantha sterilis
Anisantha: van Grieks anisos, a = ontkenning, ios = gelijk. Slaat waarschijnlijk op de op ongelijke hoogte ingeplante meeldraden
Sterilis: de plant is onvruchtbaar. In de praktijk zijn de betreffende soorten zeker vruchtbaar. Kan hier ook leeg betekenen, leeg slaat dan op de ijle bloeiwijze.
Ijle dravik: IJle dravik dankt haar naam aan haar losse, open pluimen die op lange zijassen staan Deze bouw geeft haar een doorzichtig, ijl uiterlijk.
Het woord dravik stamt van het niet nader te verklaren Middelnederlands woord drepse wat 'wilde haver' betekent.

Dravik (zachte), Bromus hordeaceus agg.
Bromus: heeft betrekking op het ruisende karakter van de plant, maar kan ook haver betekenen. De plant lijkt op haver.
Hordeaceus agg.: de plant lijkt op gerst, vandaar de soort aanduiding.
Zachte dravik: de bladeren en de stengel van Zachte dravik voelen door de vele lange en buigzame haren zacht aan, vandaar de naam zachte dravik. Het woord dravik stamt van het Middelnederlands woord drepse wat ‘wilde haver’ betekent.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal