Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dras - (vochtig, modderig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

drassig bn. ‘vochtig, modderig’
Nnl. (Holland is) zeer laag en drassig ‘zeer vochtig’ [1770; WNT]; eerder al het bn. dras: door 't overvloeyen der stroomen, somtijds drasch ‘zeer vochtig’ [1664; WNT dras II], dras ‘natachtig’ [1669; Ende], Hollands drasse gronden [1750; WNT dras II], en het zn. dras: Buijen stroomden 't veld tot dras ‘buien maakten van het veld modder’ [1871; WNT dras I], varianten in de dialecten: Goerees, Veluws dras ‘moerassig’; Limburgs, Antwerps dras ‘koffiedik’; Antwerps drats, dras ‘modderspat’, drats, drets, drits ‘regenvlaag’; Vlaams drets, drits ‘modder, drek’. Ook Fries dribs, dribze, dridze ‘drab, draf, dras’.
Afleiding met het achtervoegsel → -ig van het bn. dras ‘vochtig’ of het zn. dras ‘modder’.
Germaanse en Indo-Europese verwanten van dras zijn niet met zekerheid aan te wijzen. Een mogelijkheid is Oudzweeds thræsk ‘moeras’ (Nieuwzweeds träsk ‘moeras’), dat echter alleen in dialecten voorkomt en waarvan de herkomst onzeker is: men denkt wel aan pgm. *þranhiska-, waarbij misschien IJslands þrána ‘ranzig worden’ behoort, dat eventueel een verwant heeft in Litouws trèšti ‘rotten’. De Nederlandse vorm zou dan drasch moeten zijn. Deze vorm verschijnt echter alleen in de oudste vindplaats; de jongere vindplaatsen hebben volgens WNT alle dras. Het is daarom eerder aan te nemen dat het woord bij de groep van → draf 2 en → droesem behoort, en gezien deze verwantschap, de onzekere pie. verwanten en het betekenisveld een substraatwoord is.
De dialectische varianten met -t(s) zijn wrsch. jongere vormen met een affectief -ts of met invloed van woorden als → dreet.
Lit.: W. de Vries (1915-16) ‘Etymologische aanteekeningen’, in: TNTL 34, 1-22, hier 6-7

EWN: drassig bn. 'vochtig, modderig' (1770)
ANTEDATERING: drassig 'natachtig, vochtig' [1710; Halma]
Eerder: dras 'nat' in: Dras-broeck [1619; Bredero, 125] (EWN: 1664)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dras*, drassig [doorweekt (van grond)] {1664, drassig 1771} een jong woord, uitsluitend nl., dat in dialecten in ettelijke vorm- en betekenisvarianten voorkomt, verwant met draf1, drab, drijten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dras bnw., eerst na Kiliaen bekend; in de dialecten verschillende betekenissen: goerees, veluws dras ‘moerassig’, limb. Antw. ‘koffiedik’, nederbetuws drats ‘koffiedik’, Aalst dras ‘droesem’, Antwerpen drats, dras ‘moederspat’, drats, drets, drits ‘regenvlaag’, fries dribs dribze, dridze ‘drab, draf, dras’, Vlaams drets, drits ‘drek, modder’.

Klaarblijkelijk een sterk affectief woord; het schijnt niet nodig de vormen met ts anders dan als het resultaat van een affectieve versterking op te vatten; misschien met vormen als drets, drits, die FW 131 met dreet wil verbinden. Er bestaat een hele groep van dergelijke woorden, zoals draf, droesem, waaraan nog toe te voegen on. dregg ‘droesem’. Daar het woord dras uitsluitend nl. is en klaarblijkelijk een jonge formatie, zal het ontstaan zijn in aansluiting aan draf, al zou men ablaut met de stam van droesem voor mogelijk kunnen achten. — Naar aanleiding van ozwe. þrask ‘moeras’ wil W. de Vries Ts. 34, 1915-6, 6-7 uitgaan van een grondvorm *drasch.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dras znw. en bnw., in het beschaafde Ndl. komt drassig bnw. meer voor. Nog niet bij Kil. De dial. vormen wijzen er op, dat dras zoowel wat bet. als vorm aangaat onder den invloed van verschillende andere woorden heeft gestaan: Goer. dras bnw., veluwsch evenzoo, limb. Antw. dras “koffiedik” (Antw. ook draf, droes “id.”), Neder-Betuwsch drats “id.”, Aalstsch dras “droesem”, Antw. drats, dres “modderspat”, drats, dre(t)s, drits “regenvlaag”, fri. dribs, dribze, dridze “drab, draf, dras”, vla. drets, drits “drek, modder”. Dit laatste hoort zeker bij dreet. In hoeverre de andere geciteerde vormen hiermee samenhangen, is onzeker. In sommige diall. is dras met draf in associatie getreden (of is ’t soms er van gevormd?). Formeel zou verwantschap van dras met drek mogelijk zijn *þraχsa-, -ô-), maar wegens ’t late voorkomen is het eer een jong woord.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dras. Bij de dial. woorden kan nog gevoegd worden achterh. drös ‘drassige grond’, wsch. met ö < e (vgl. gras).
Het is niet geraden voor dit blijkbaar jonge woord ablautsverhouding tot droesem (droes Suppl., vgl. ald.) aan te nemen. Wel kan droes(em) met de in het art. vermelde andere dr-woorden als drek, draf bij het opkomen van dras van invloed zijn geweest.
De jonge overlevering en beperkte verspreiding vormt ook een bezwaar tegen de mening van W. de Vries Tschr. 34, 9, dat het (als *drasch) met ozw. þrask, þræsk ‘moeras’ (zw. träsk) verwant zou zijn. Voor laatstgenoemd woord, dat eveneens op een zeer beperkt gebied bekend is (buiten het Zw. komt het niet voor), is wel niet-germ. oorsprong vermoed.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dras v., + Ags. dros (Eng. dross), van denz. stam als droes; geen verband met Fr. drèche, Ofra. drache.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

dras (zn.) koffiedik; Nuinederlands drasch <1664> < Rienlands Dratz.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut