Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

drammen - (aandringen, zeuren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

drammen ww. ‘aandringen, zeuren’
Mnl. dat dremde hem sere ‘dat bedrukte, beklemde hem zeer’ [14e eeuw; MNW], drammen ‘lawaai maken’ [1477; Teuth.]; nnl. drammen ‘dwingen van kinderen’ [1872; Dale], dremmen, drammen “In Oostelijke dialecten. Lastigvallen door drang, jachten; dreinen, drenzen, zeuren.” [1914; WNT dremmen], drammen ‘(door)zeuren’ [voor 1927; WNT ziegezagen], drammen ‘aandringen, dwingen, drenzen’ [1961; Dale].
Wrsch. moet men het woord verbinden met een pgm. wortel met de betekenis ‘menigte, herrie’, waarbij wrsch. ook Nederlands → drom ‘dichte menigte’ hoort.
Mnd. drammen ‘lawaai maken, aandringen, zeuren’, ook zn. dram ‘lawaai, benarde toestand’. Wrsch. te verbinden met os. thrim ‘leed, nood’ en thrum(m) ‘kracht’; oe. þrymm ‘menigte, kracht, glorie’ en on. þrymr ‘lawaai’.
Zeer onzeker is verwantschap met Latijn turma ‘menigte’ < pie. *tuer-, *tur- ‘draaien’ (IEW 1100).
doordrammen ww. ‘hinderlijk blijven doorpraten; (besluiten) doordrukken’. Nnl. doordrammen ‘maar blijven doorzeuren’ [1969; WNT Aanv.], doorgedramd (verl.deelw.) ‘(het besluit) erdoor heeft gedrukt’ [1970; WNT Aanv.]. Gevormd uit → door- ‘voortdurend’ en het werkwoord drammen.

EWN: ♦ doordrammen ww. 'hinderlijk blijven doorpraten; (besluiten) doordrukken' (1969)
ANTEDATERING: na nog enkele maanden van doordrammen [1962; Het Parool 12/5]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

drammen* [aandringen] {1477 in de betekenis ‘lawaai maken’} vgl. middelnederlands drommen [dringen], dremmen [kwellen, drukken], middelnederduits drammen [onstuimig voorwaarts dringen, lawaai maken]; de verhoudingen zijn niet geheel doorzichtig (vgl. drom1).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

drammen o.w., denomin. van *dram + Mhd. id. = pers, drukte, hetwelk van enk. imp. van een werkw. *dremen, Os. thriman, terwijl Mnl. dremmen, waarvan bedremmelen, het factit. is van ditz. *dremen (z. drom).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

drammen* aandringen 1477 [Teuth.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut