Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

drama - (toneelstuk; tragedie, schokkende gebeurtenis(sen))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

drama zn. ‘toneelstuk; tragedie, schokkende gebeurtenis(sen)’
Nnl. Drama's (mv.) ‘toneelstukken’ [1784; WNT vergenoegd], drama ‘tragedie, tragisch gebeuren’ [1851; WNT zedelijk], drama ‘reeks schokkende gebeurtenissen’ [1864; WNT].
Evenals Duits Drama en Engels drama overgenomen uit Latijn drāma ‘toneelspel’ < Grieks drãma ‘handeling’ bij het werkwoord drãn ‘doen’.
In het Nederlands waren sinds de 17e eeuw termen als schouw- en toneelspel in gebruik, vandaar de late overlevering van het woord, dat misschien onder invloed van het Duits is overgenomen. De betekenis ‘(reeks) schokkende of tragische gebeurtenis(sen), ’ heeft de neutrale betekenis ‘toneelstuk’ enigszins naar de achtergrond gedrongen.
dramatisch bn. ‘betreffende het drama, toneelachtig, hartstochtelijk; opzienbarend, schokkend’. Nnl. dramatisch “tooneelkunstig, tooneelmatig, de tooneelkunde betreffende” [1824; Weiland], ‘hartstochtelijk’ [1855; WNT zangerig I], ‘toneelachtig’ [1869; WNT verkiezing], ‘treffend, schokkend’ [1887; WNT], ‘schokkend, tragisch’ [1911; WNT verbeelding]. Wellicht ontleend aan Duits dramatisch ‘met het drama verbonden; schokkend’ of naar voorbeeld van Frans dramatique ‘betreffende het theater’ [1370; Rey], ‘treffend, aangrijpend’ [ca. 1835; Rey] < Laatlatijn dramaticus ‘betreffende het theater’, een afleiding van drama. ♦ dramatiek, zn. ‘toneelkunst; het opzienbarende’. Nnl. dramatiek ‘toneelkunst’ [1847; Kramers], ‘het treffende, de emotionele werking’ [1906; WNT Aanv.]. Ontleend aan Duits Dramatik ‘toneelkunst’ < Frans dramatique ‘poëtisch genre’ [1636; Rey] (thans ‘televisietoneelstuk’), een afleiding van drama. ♦ dramaturg zn. ‘toneelkenner, toneelschrijver’. Nnl. dramaturg ‘toneelleraar’ [1847; Kramers], ‘toneelschrijver’ [1875; WNT Aanv.]. Ontleend aan Duits Dramaturg [18e eeuw] of rechtstreeks aan Frans dramaturge [1773; Rey] < Laatgrieks drāmatourgós ‘toneelschrijver’, gevormd uit drãma ‘drama’ en -ergos, bij érgon ‘werk’, verwant met → werk en zie ook → energie.

EWN: drama zn. 'toneelstuk; tragedie, schokkende gebeurtenis(sen)' (1784)
ANTEDATERING: "Drama" en "Dramatische" Gedichten der "Hebreeuwen" omschreeven [1764; NLV, 673]
EWN: ♦ dramatisch bn. 'betreffende het drama, toneelachtig, hartstochtelijk; opzienbarend, schokkend' (1824)
ANTEDATERING: "Drama" en "Dramatische" Gedichten der "Hebreeuwen" omschreeven [1764; NLV, 673]
EWN: ♦ dramatiek, zn. 'toneelkunst; het opzienbarende' (1847)
ANTEDATERING: eerst dramatiek 'dramatisch' (bn.) in: over al dramatiek te zijn [1781; Feith, 170]
Later: dramatiek (zn.) in: met betrekking tot letterkunde en "dramatiek" [1839; Gids 3, 213] (EWN: 1847)
EWN: ♦ dramaturg zn. 'toneelkenner, toneelschrijver' (1847)
ANTEDATERING: de twee vermaarde "Dramaturgen" ('toneelschrijvers') [1808; Verhandelingen dichtkonst, 361]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

drama [toneelstuk] {1778} < latijn drama < grieks drama [handeling, verhandeling, toneelstuk], van drān [doen, verrichten, handelen] (vgl. drastisch); met ‘handeling’ werd niet bedoeld handeling van het stuk, maar de dienst voor Dionysos, op wiens feesten men slechts stukken opvoerde. Het gr. woord had aanvankelijk een algemene betekenis; ook de komedie viel onder drama. Het betrof meest treurspelen en de betekenisinhoud verschoof naar melodrama.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

drama znw. o., sedert de 18de eeuw, evenals nhd. drama (uit dezelfde tijd) < lat. drama ‘toneelspel’ < gr. drãma ‘handeling’, bij het ww. drãn ‘werkzaam zijn’.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

drama (Latijn drama)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Drama. (Gr.) In de epische poëzie (zie Epos) draagt de dichter zijn “verhalende” poëzie zelf voor; laat hij echter de handelende personen zelf optreden en spreken, zelf zóó handelen, alsof alles voor onze oogen geschiedt, dan ontstaat een drama of handeling. (“Dramatische” bewerking der leerstof in de school is dus: de kinderen als ’t ware zelf laten optreden.) De samenspraak heet dialoog (= twee-woord); spreekt echter een handelend persoon alleen tot zich zelf (om zijn gedachten te vertolken, ten einde den toeschouwer met de drijfveeren zijner handeling bekend te maken), dan noemt men dat een monoloog (= alleen-woord). Het drama verdeelt men in: 1°. blijspel of comedie, 2°. treurspel of tragedie en 3°. tooneelspel (zie die woorden). Het gebruik wil echter, dat men in het dagelijksch leven onder drama meestal een treurspel, een treurig voorval (het drama te...) verstaat; dramatisch is dan: indroevig, hoogst aandoenlijk.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

drama ‘toneelstuk’ -> Indonesisch drama ‘tragedie; tragische gebeurtenis’; Menadonees drama ‘toneelstuk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

drama toneelstuk 1778 [Picarta: titel van Hartsen] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal