Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dragen - (sjouwen, bij zich hebben, aanhebben; verdragen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

dragen ww. ‘sjouwen, bij zich hebben, aanhebben; verdragen’
Mnl. druog (pret.) ‘(Christus) droeg (de doornenkroon)’ [1100; Will.], dragat (3e pers. ev.) ‘brengt, voert’, ordinleke cleder dragen ‘kleren van de (klooster)orde dragen’ [1236; CG I, 21], draghen ‘sjouwen’ [1285; CG I, 1017]; vnnl. draaghen ‘(leed, pijn) dulden, verdragen’ [1636; WNT].
Os. dragan ‘dragen’; ohd. tragan ‘dragen, brengen’ (nhd. tragen ‘dragen’); ofri. drega, draga ‘dragen, brengen’; oe. dragan ‘trekken’ (ne. drag ‘slepen’, draw ‘trekken’); on. draga ‘slepen’ (nzw. dra(ga) ‘trekken’; got. dragan ‘dragen’; < pgm. *dragan- ‘trekken, dragen’.
Wrsch. verwant met Lets dragāt ‘verpletteren’ en Russisch dërgat ‘rukken, trekken’. Ook Latijn trahere ‘trekken, slepen’ is misschien verwant, zie → tractor. De oorspr. betekenis zou iets kunnen zijn als ‘over de grond meeslepen’. Een Indo-Europese reconstructie is zeer moeilijk.
drager zn. ‘die iets draagt’. Onl. in de samenstelling uuitutdragere ‘wetgever’ (letterlijk ‘wet-drager’) [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. slotel draghere ‘persoon die houder van de sleutel is’ [1280; CG I, 527], dragher ‘die (een edelsteen) draagt’ [1287; CG II, Nat.Bl.D]; nnl. drager ‘iets dat iets anders meedraagt’ [1868; WNT xylo-], ‘iemand die besmet is met een ziekte’ [1875; WNT uitwerpsel], afleiding van dragen. ♦ draaglijk bn. ‘te verdragen; redelijk goed’. Vnnl. dragelijcker en min aenstotelijck ‘beter te verdragen en minder aanstotelijk’ [1659; WNT Supp. arbitrair]; nnl. draaglijk ‘te dulden, te verdragen’ [1779; WNT water], dragelijk ‘redelijk te verdragen’ [1830; WNT rep 1], ‘redelijk goed’ [1855; WNT opleveren]. Afleiding van dragen met het achtervoegsel → -lijk. De spelling dragelijk is ook erkend. De stemloze -g- die in de auslaut van draag- was ontstaan, blijft ook in deze drielettergrepige vorm overigens gehandhaafd, evenals bijv. in hogelijk.

EWN: ♦ draaglijk bn. 'te verdragen; redelijk goed' (1659)
ANTEDATERING: mnl. eerst ondragelijc als in: ondragelike bordinen 'ondragelijke lasten' [1332; MNW-P, Stuttgartse leven van Jezus]
Later: dragelic 'draagbaar' [1482-1501; MNHWS]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dragen* [ondersteunen, bij zich, aan hebben] {draghen 1236} oudsaksisch dragan, oudhoogduits tragan, oudfries draga, oudengels, gotisch dragan [dragen], oudnoors draga [trekken]; hoewel er klankwettig geen volledige overeenstemming is, is het wel verwant met latijn trahere [trekken]; de betekenis heeft zich ontwikkeld van lasten voorttrekken via opladen tot dragen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dragen ww., mnl. drāghen ‘dragen, brengen, werpen’, os. dragan ‘dragen’, ohd. tragan ‘dragen, brengen, voeren’, ofri. drega, draga ‘dragen, opbrengen’, got. dragan ‘dragen, opladen’; daarnaast met andere betekenis: oe. dragan (ne. draw), on. draga ‘trekken’. — lat. trahō ‘trekken’, russ. doróga ‘weg, reis’.

De idg. wt. *dherāgh staat naast *trāgh, waartoe ook lat. trahō kan behoren, evenals got. þragjan ‘lopen’, oe. drægan ‘lopen’, ohd. drigil ‘dienaar’ (on. þræll ‘slaaf’ is onzeker vgl. IEW 257). — Men moet dus uitgaan van de betekenis van ‘trekken’, en wel van lasten; dan overgaan op het dragen van lasten door lastdieren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dragen ww., mnl. drāghen “dragen, brengen, werpen”. = ohd. tragan “dragen, houden, brengen, voeren” (nhd. tragen), os. dragan “dragen”, ofri. drega, draga “dragen, opbrengen”, got. dragan “dragen, opladen”. Er is geen reden, om dit woord van ags. dragan (eng. to draw), on. draga “trekken” te scheiden. Dit sterke ww., waarbij nog on. drôg v. “streep”, ozw. drøgh “slede” behooren, kan identisch zijn met lat. traho “ik trek, sleep” (idg. *dhraghô; maar traho kan ook anders verklaard worden), hierbij dan verder lett. dragât “rukken” en wsch. russ. doróga “weg, reis”, očech. dráha, draha “schaar, leger” (oorspr. “trek, het trekken”). Minder waarschijnlijk is verwantschap van germ. *ðraʒanan met gr. trékhō “ik loop”, lett. drâst, lit. pa-droszti “snel loopen”. De combinatie met obg. drŭžati “houden”, av. dražaite “hij houdt, heeft bij zich” — met gh —, oi. dṛḍhá- “vast”, dṛ́hyati “hij maakt vast”, av. darəzayeiti “hij boeit”, lit. dir͂zas “riem” — met ĝh; zoo wsch. ook lat. for(c)tis “sterk” — is onaannemelijk met het oog op de bet. “trekken, sleepen” van het germ. woord, die wel ouder zal zijn dan “dragen”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dragen. Vormen met secundair vocalisme zijn mnl. drēghen, on. (oud-noorw.) drega.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dragen o.w., Mnl. draghen, Os. dragan + Ohd. tragan (Mhd. en Nhd. tragen), Ags. dragan (Eng. to draw), Ofri. draga, On. draga (Zw. id., De. drage), Go. dragan + Skr. wrt. dhrāgh = pogen, Lat. trahere (*dhragh-) = trekken, Lett. dragat = rukken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

drage (ww.) dragen; Aajdnederlands dragen <1100>.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

dregen, ww.: dragende houden, voor de wind houden (scheepsterm). Umlautsvorm van dragen.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

dragen (droeg, heeft gedragen), (ook:) aantrekken (kleren), opzetten (hoed e.d.). Ze waren warm geworden van het werken in de stal en ook een beetje moe. Ze namen een lekker fris bad en droegen een schone bloes (Maynard a: 17). Ook: Geef dat kind een glas melk voor me, maar draag eerst haar bavetje* voor d’r. Hier: slabbetje voordoen. - Etym.: Vgl. S weri, E to wear, die beide behalve ‘aanhebben’ ook kunnen betekenen ‘aantrekken’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

dra: – draag/drae – ; Ndl. dragen, Hd. tragen, Eng. draw, wsk. verb. m. Lat. trahere, “trek”.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

dragen ‘van stem’ (bet. van Italiaans portamento)

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

[verkeerd gebruik van een voorzetsel o.i.v. het Frans]
dragen. - Zeer gewoon in Zuid-Nederland is de constructie voor titel, voor opschrift dragen, welke reeds boven onder I, 1 behandeld is. Zie derhalve aldaar (blz. 252) en ook nog het volgende voorbeeld. || Rond het hoofdeinde der kapel bevinden zich vier tafereelen; een draagt voor opschrift enz., ROOSES, Op Reis 93.

dragen (voor titel dragen). - Het ww. dragen is in onze taal bedrijvend en vereischt derhalve een lijdend voorwerp; men zegt dus een titel dragen, en wel meestal met betrekking tot personen, zoo b.v.: de vertegenwoordiger der Koningin in Oost-Indië draagt den titel van Gouverneur-Generaal. Waar het een boek geldt, zegt men dat het dezen of genen titel draagt of dat het zus of zoo getiteld is. In Zuid-Nederland gebruikt men echter vaak voor titel dragen met eene bijstelling, doch dit is eene navolging van fr. avoir titre, porter pour titre, dat, in het Nederlandsch vertaald, luidt als titel dragen, maar deze constructie is gewoonlijk overbodig; zie verder de aanhalingen. || Zijne pennevruchten … dragen voor titel enz., V. D. BRANDEN, Biogr. Wdb. 197a. Dit belangrijk stuk draagt voor opschrift enz., MATHOT, Jozef II 9. Kapittel veertien van Christiaan Christiaensen … draagt voor titel deze volgende woorden enz. DAEMS, Kruiw. III. Een belangrijk werk … kon deze woorden (t.w. “de vermaarde zotten”) voor titel dragen, 182. In het Museum van Antwerpen zien wij nog een stuk van Floris, dat hem ons onder een eenigszins ander opzicht leert kennen. Het is het nr 113 en draagt voor titel: de Aanbiding der herders, ROOSES, Antw. Schildersch. 1, 155. In onze Vlaamsche Gewesten draagt voor tweeden titel Politieke Schetsen, ROOSES, Derde Schetsenb. 243 (in Noord-Nederland is tweede titel hetzelfde als deeltitel; wat in de aanhaling bedoeld wordt, kan beter uitgedrukt worden door ondertitel, waarover zie echter beneden). Een van die stukken (t.w. van Cornelis Everaert) draagt in het handschrift van Brussel voor titel enz., FREDERICQ, De Nederl. o. K. Kar. 5. In de stukken, waar de ontroering doorstraalt, is hij wezenlijk grootsch. Ten bewijze daarvan zijn fragment Licht, dat voor ondertitel draagt: “bij ’t genezen mijner blindheid”, WATTEZ in Holl.-Vl. 2, 112. (het woord ondertitel is niet zeer gebruikelijk: in het Wdb. d. Nederl. Taal wordt het niet vermeld; maar, ofschoon blijkbaar een vertaling van fr. soustitre, is het heel goed bruikbaar, daar zijn vorming niet in strijd is met de Nederlandsche taalwetten). Voor vandaag is mijne taak een monstertje te laten zien van die Sehnsucht, welke sommige jonge leeraars voor Holland en zijne schrijvers heeft aangegrepen. … Bedoeld monstertje draagt voor titel enz., WATTEZ in Het Belfort 1895, I, 83. Eene groote compilatie … van romans uit den Arthurkring, die voor titel draag “Lancelot”, HAERYNCK, Boendale 163.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dragen ‘ondersteunen, bij zich hebben, aan hebben; (verouderd) trekken’ -> Frans dialect draglé ‘vluchten, trekken’; Negerhollands draag, drā, drāg, drāk, dra, drag ‘ondersteunen, bij zich hebben, aan hebben’; Berbice-Nederlands draki ‘ondersteunen, bij zich hebben, aan hebben’; Skepi-Nederlands drag ‘ondersteunen, bij zich hebben, aan hebben’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

ijsappel [Surinaams-Nederlands begrip] (1939). De taalkundige C.W. Schoonhoven publiceert in 1939 als eerste een artikel over het Surinaams-Nederlands: ‘Het Nederlands in Suriname’. Hij vermeldt ongeveer honderdvijftig Surinaams-Nederlandse woorden, waarvan een deel was ontleend aan het Sranantongo. Een voorbeeld is ijsappel: ‘een gekoeld ingevoerde en bewaarde appel’. Andere woorden zijn bijvoorbeeld: krokken ‘zeuren’, demmen ‘opspelen’, dresneger ‘kwakzalver’, prodo maken ‘zich mooi maken’, granman niet alleen voor ‘stamhoofd’ maar toen ook voor ‘de gouverneur’ (nu de president), slijsje ‘plakje’, bintegaar ‘bindgaren’, dragen ‘aantrekken (van kleding)’, plane ‘vliegtuig’, stroop ‘limonade van siroop’. Veel woorden zijn inmiddels verdwenen.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dragen* ondersteunen, bij zich hebben, aan hebben 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2521. Water in zee dragen,

d.w.z. iets brengen, waar er overvloed van is; veelal gebruikt wanneer men rijke menschen nog meer geld bezorgt, vertaling van lat. aquas in mare fundere; hetzelfde als nml. die den riken gevet sijn goet, hi ghietet water in de vloet (Sp. Hist. I6, 52, 61); water in den Rijn draghen (Servilius, 4); sperren in Noorwegen senden (Servilius, 4); turf in 't veen brengenDe Brune, 212: 't Is turven stieren naer de venen; fri. turf yn 't fean bringe.; uilen naar Athene zendenDit uit het Grieksch vertaalde gezegde behoeft zijn oorsprong niet te danken aan de omstandigheid, dat er te Athene vele tempels stonden gewijd aan Pallas Athene, die tot attribuut een uil had, maar kan evengoed ontleend zijn aan het in grooten getale voorkomen van dit dier in de rotsspleten van den Acropolis; Büchmann, 346., lat. ululas Athenas mittere, dat hetzelfde beteekent als in littus harenas fundere; in silvam ligna ferre; poma dare Alcinoo; sidera coelo addere; mlat. Danubio quasi mittat aquam, dat ovi capra lanam; ovis ad capram lanam petitum venit, enz. De uitdr. komt o.a. voor bij Servilius, 7; Sart. I, 2, 54: Ululas Athenas, water in zee dragen, sparren in Noorwegen senden; Spieghel, 295; Hooft, Brieven, 323; Brederoo, II, 13: Soo souwde ick Water in Zee, of Zant in Duyn willen brenghen; Idinau, 304:

 De sulcke water in de zee draghen,
 Die iet toe-bieden, daer 't over-loopt.
 Raedt, rijck-dom, of wijsheydt iemandt toe-iaghen
 Daer 't al af krielt, ghespijst en ghehoopt.
 Wee hem, die den duyvel sijn siele verkoopt.

Zie verder Van Effen, Spect. X, 97; Tuinman I, 229; Adagia, 33: Houdt in den bosch draegen, en water inde Zee, ululas Athenas mittere; Halma, 768: Water in de zee dragen, verlooren arbeid doen, porter de l'eau à la mer, battre l'eau; Harreb. I, 158 a; afrik. water in die see dra; Schuermans, 845 b; Waasch Idiot. 732; Antw. Idiot. 1420: het water naar de zee dragen; Taalgids IV, 259; vgl. het hd. Wasser ins Meer, in die Elbe, Werra, Reuss, Limmat, Donau, in den Rhein, in den Brunnen tragen; Ablasz nach Rom tragen; Adler nach Berlin tragen; fr. porter l'eau à la rivière, à la mer; eng. to cast water into the Thames.

2532. In de eene hand water en in de andere vuur dragen,

d.w.z. zich nu op de eene wijze, dan weder op eene andere wijze voordoen; dubbelhartig zijn; uit twee monden spreken. De zegswijze wordt aangetroffen in het Grieksch bij Plutarchus: τη μεν υδωρ εφορει δολοφρονεουσα χειρι, τη δε ετερη το πυρ. Vgl. voor onze taal Rose, 989:

 Daer es menich verradere fel,
 Die vor die liede can smeken (vleien) wel
 Ende vore blusschen ende achter bernen,
 Daer si goede liede mede ernen (boos maken).

Vad. Mus. I, 326, 73: 't Fier draghen si in die ene hant ende dander hant es selden sonder water; Scaecspel, 75; Goedthals, 62: in deene hant watere, in dandere vier draghen, porter le feu et eaue; Campen, 36: hy draecht het water in deene hant, ende tvuyr in dander; Sart. I, 8, 97: altera manu fert lapidem, panem ostentat altera: hy dracht het vier in de een handt, ende water in dander handt, qui coram blandiuntur clam obtrectantes, palam amicos agunt, clanculum nocent cet.; III, 10, 48; Erasmus, VIII; Idinau, 24; Winschooten, 122: Vuur in de eene hand draagen, en het waater in de andere hand: schoon voor het oog: maar vals agter de rug; Tuinman I, 186; II, 216; Adagia, 42: In d'een handt heeft hy waeter, in d'ander handt heeft hy vier, altera manu fert lapidem, panem ostentat altera; Harreb. I, 279 a; Antw. Idiot. 1420; Waasch Idiot. 711 b; Rutten, 272; Ten Doornk. Koolm. III, 521. Syn. was heet (of warm) en koud uit één mond blazen (vgl. Ndl. Wdb. VI, 399; II, 2807); eng. to blow hot and cold. Op Goeree en Overflakkee beteekent hij blaast hitte en kou uit één gat, hij spreekt zich zelf tegen. Vgl. fr. souffler le chaud et le froid.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

dherāgh- ‘ziehen, am Boden schleifen’, gleichbed. mit trā̆gh- (s. d.).

Anord. draga, got. u. ags. dragan, engl. draw ‘ziehen’, anord. drag n. ‘Unterlage eines gezogenen Gegenstandes’, norw. drag ‘Luftzug, Wellenschlag, Wasserlauf, Zugseil’, dial. drog f. (*dragō) ‘kurzer Schlitten, Weg(spur) eines Tieres, Tal’, anord. dregill ‘Band’, drōg f. ‘Streifen’, aschwed. drøgh ‘Schlitten’, ags. dræge f. ‘Schleppnetz’, mnd. dragge, nnd. auch dregge ‘Bootsanker’, engl. dredge ds.; ablautend norw. dorg f. (*durgō, idg. *dhr̥̄ghā) ‘Angelschnur, die man hinter dem Boot herzieht’; mit der Bed. ‘tragen’ (aus ‘schleppen’, s. Berneker 212), ahd.tragan ‘tragen’, sih (gi)tragon ‘sich betragen’.
Wohl hierher sl. *dārgā in: serb.-ksl. draga ‘Tal’, russ. doróga ‘Weg, Reise’, dial. ‘Angel’, serb. drȁga ‘Tal’, poln. droga ‘Weg, Straße, Reise’, russ. doróžitь ‘aushöhlen’, čech. drážiti ‘einen Falz oder eine Furche machen, aushöhlen’; vielleicht auch čech. z-dráhati se ‘sich weigern’, poln. wz-dragać się ‘sich sträuben, nicht daran wollen’ (als ‘hinziehen’) und aksl. podragъ ‘Saum, Rand eines Kleides’ u. dgl. (anders unter dergh- ‘fassen’).
Lat. trahō ‘ziehe’, traha ‘Schleife’, trāgum ‘Schleppnetz’, trāgula ‘ds., kleine Schleife’ können durch Spirantendissimilation (*ðragō zu *dragō) auf dhrā̆gh- zurückgehen, aber auch idg. t- haben (: air. traig ‘Fuß’ usw., s. trā̆gh-).

WP. I 862, Trautmann 45.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal