Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

drachtig - (jongen dragend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

drachtig bn. ‘jongen dragend’
Mnl. drachtech ende goet ‘(van een vruchtboom) vruchtbaar en goed’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], Die nv ondrachtech wesen Selen drachtech sijn ‘degenen die nu onvruchtbaar zijn, zullen vruchtbaar/zwanger worden’ [1340-60; MNW-R], haer scaep sijn drachtich ... har coye sijn vet ‘hun schapen zijn vruchtbaar ... hun koeien zijn vet’ [1380-1400; MNW-P], dijn volc ... dats so drachtich van groten goede ‘jouw volk dat zo veel potentiële goedheid in zich draagt’ [1390-1400; MNW-R], drachteghe kemels ‘drachtige kamelen’ [1460-62; MNW-P], sijn vrou is ... drachtich van hem geworden ‘zijn vrouw is zwanger van hem geworden’ [15e eeuw; MNW-R]. Eerder al mnl. ghedrachtech ‘vruchtbaar (van land)’ [1285; CG II, Rijmb.].
Afleiding van → dracht ‘vrucht, zwangerschap’ met het achtervoegsel → -ig.
Mnd. drachtich ‘jongen dragend’, nhd. trächtig; nfri. drachtich ‘jongen dragend’.
In de betekenis ‘vruchtbaar’ kon drachtig gezegd worden van bodem, bomen, gewassen, dieren en mensen; de toepassing is in het NN na de Middeleeuwen eerst verengd tot ‘vruchtbaar’ en ‘dragend, zwanger’, gezegd van vrouwen en vrouwelijke dieren, en in de Nieuwnederlandse periode tot ‘dragend’, alleen gezegd van vrouwelijke dieren. In het BN kon drachtig begin 20e eeuw nog gezegd worden van bodem en gewassen (WNT).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

drachtig* [zwanger] {drachtich, drechtich 1285} middelnederduits drachtich, drechtich, hoogduits trächtig, afgeleid van dracht(e), drecht [het dragen, het zwanger zijn, aandrang, toedracht, zet in een spel, etter].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

drachtig bnw. “zwanger”, mnl. drachtich “id “ is van mnl. dracht “zwangerschap” resp. “vrucht” afgeleid; evenzoo hd. trächtig, mnd. drachtich “drachtig”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

drachtig ‘zwanger’ -> Deens drægtig ‘zwanger’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors drektig ‘zwanger’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds dräktig ‘zwanger’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

drachtig* zwanger 1285 [CG Rijmb.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut