Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

draak - (fabeldier)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

draak zn. ‘fabeldier’
Mnl. drake ‘fabeldier’ [1240; Bern.], draco ‘id.’ [1287; CG II, Nat.Bl.D].
Een zeer oude ontlening aan Latijn draco (genitief dracōnis) < Grieks drákōn ‘draak’.
Hetzelfde woord is ook ontleend in de andere Germaanse talen: mnd. drake ‘id.’; ohd. drahho (mhd. drache, nhd. Drache); oe. draca (ne. dragon < Frans dragon < Latijn draco); on. dreki ‘draak; vikingschip’ (< oe. of mnd.) (nzw. drake ‘draak’, drakkar ‘vikingschip’, letterlijk ‘draken’ < mnd.).
Vanwege de zogenaamde ‘scherpe blik’ van dit wezen wordt het Griekse woord meestal in verband gebracht met het werkwoord dérkesthai ‘kijken’ (édrakon ‘kijkte’), verwant met Sanskrit darśa- ‘zien’; Avestisch darštis ‘gezicht’; Oudiers derc ‘oog’; ohd. zoraht ‘helder’; bij de wortel pie. *derḱ- ‘kijken’ (IEW 213).
Een andere hypothese (Maak 2001) gaat uit van een verband met pgm. *drak-, dat voorkomt in ohd. anutrehho, mhd. antreche, mnd. āntdrake, me. drake, ne. drake, alle met betekenis ‘woerd’, dat met pgm. *drakan- ‘ergens naar toe trekken, vliegen’ zou samenhangen, zoals pgm. *snakaz- ‘slang’ (ne. snake) met *snakan- ‘kruipen’. Dat zou ook Opperduitse vormen met t- zoals Beiers track verklaren (die overigens bij vroege ontlening ook het resultaat van hoogduitse klankverschuiving zou kunnen zijn). De betekenis ‘draak’ zou dan volksetymologisch onder invloed van Latijn draco zijn ontstaan.
De draak komt bij de Germanen al voor in de oudste heldensagen. Verder was het woord in de taal van de Vikingen van de 6e tot de 10e eeuw ook de benaming van een vaartuig, waarvan de voor- en achterkant de vorm van een draak hadden.
Lit.: H.-G. Maak (2001) “Drache und Enterich-Beobachtungen und Überlegungen zu Etymologie und Wortgeschichte der Tierbezeichnung Drache”, in: Zeitschrift für deutsches Altertum 130, 66-75

EWN: draak zn. 'fabeldier' (1240)
ANTEDATERING: drako 'draak' als laatste deel van het toponiem Holedraca [1133; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

draak [fabelachtig monster] {drake 1201-1250} < latijn draco (2e nv. draconis) [slang, bij dichters ook: grote slang, draak] < grieks drakōn (2e nv. drakontos) [slang, in het NT gezegd van de duivel, ook: veldteken]; het woord is verwant met grieks derkomai (aoristus edrakon) [ik kijk, ik straal uit]; daarbij hupodra [van onder de wenkbrauwen uitkijkend, somber, dreigend kijkend]; er lijkt een element van ‘biologeren’ in de betekenis te zitten. De uitdrukking de draak steken met iemand [iem. voor de gek houden] berust op het verhaal van Sint-Joris en de draak. In de Middeleeuwen liep een verklede man als Sint-Joris mee in de processies en stak van tijd tot tijd in een (namaak)draak (vgl. dracaena, draconitisch, dragon1, dragonder, dragonnade).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

draak znw. m., mnl. drāke, mnd. drāke, ohd. trahho (nhd. drache), oe. draca (het on. dreki is uit het oe. of uit het mnd. ontleend) < lat. draco < gr. drákōn ‘draak’.

Uit het optreden van de draak in de oudste heldensagen (zoals die van Siegfried) blijkt, dat het woord vroeg tot de Germanen gekomen moet zijn. O. Höfler, Festsch. F. R. Schröder 1959, 96-102, heeft er op gewezen, dat het woord draco tot de Germanen gekomen is als een militaire term en wel voor de drakenveldtekens der Romeinen. Maar de draak op deze signa werd door de Germanen mythologisch opgevat, d.w.z. de vijand werd gesymboliseerd in het van ouds bekende monster, dat als lindwurm in de heldensagen voorkwam. Met deze vroege overname stemt overeen, dat Siegfried de Cheruskervorst Arminius geweest zal zijn en dat deze juist als fortuinlijk bestrijder van de Romeinse legioenen van Varus in mythische zin als drakendoder werd gezien.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

draak znw., mnl. drāke m. = ohd. trahho (opperdu. traccho; nhd. drache), mnd. drāke, ags. draca (eng. dragon uit fr. dragon, dit van lat. dracônem) m. “draak”, een vroege ontl. uit lat. draco (< gr. drákōn). Het On. heeft dreki m.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

draak. Misschien is lat. draco de Germanen het eerst bekend geworden als de schrikwekkende figuur in het romeinse veldteken (Karsten Germanen 204). De benaming is dan later toegepast op wezens, die de germ. mythologie reeds vóór de romeinse invloed kende. Een vanouds germ. woord voor een dergelijk wezen is bij lintworm genoemd.
On. dreki m. heeft e uit a door een normale on. klankontw. en wijkt dus van de andere oudgerm. woorden niet af.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

draak m., Mnl. drake, gelijk Ohd. trahho (Mhd. trahe, Nhd. drache), Ags. draca, uit Lat. draco, van Gr. drákōn = het scherpziende dier, van den zw. graad van den stam van dérkesthai = zien + Skr. wrt. darç. Als Lat. standaardteeken bekend geworden; Fr. dragon (waaruit Eng. dragon) van Lat. acc. draconem.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Jerk Jerke Friese benaming voor N woerd (= ♂ van (iedere) Eend). Ook gespeld Eark, Erk en Irk [ViF p.186].
ETYMOLOGIE Boersma in ViF 1976 spreekt van een “middelnederlands andrake” (= mannetjes-Eend). MH 1932 noemt dit woord echter niet. Wél bestaat er een zweeds andrake ‘woerd’ en mhd antrech (anutrehho (<anutEend’ ↑ + (t)rahho) en >D Enterich ‘woerd’).
Vervolgens veronderstelt Boersma: *andrake >*anderke >*aerke> earke.

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

draak: lastig, onuitstaanbaar persoon; twistzuchtig mens; engerd. Vaak gaat het om een lelijk iemand. Het woord is niet uitsluitend van toepassing op vrouwen. Zo kan men het ook over een draak van een jongen hebben. Het scheldwoord werd reeds opgetekend in de werken van Potgieter. Eigenlijk is een draak een hagedisachtig, vuurspuwend fabeldier. Zie ook drakenpit*.

Mal mens! Toe! Tantetje-lief! Lamzak! Draak! Stuk chagrijn! (Herman Heijermans, Op hoop van zegen, 1900)
Kit, doe me een plezier en noem juffrouw Wijers geen draak meer. (Cissy van Marxveldt, De H.B.S. tijd van Joop ter Heul, 1919)
‘Wat een draak van een vent,’ zei Dot. (Cissy van Marxveldt, Een zomerzotheid, 1927)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

draak (Latijn draco)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Draak (Den) steken met iemand of iets, iemand voor den gek houden, spotten met iets. Afkomstig van het feit, dat in processies en optochten een zeer gewoon bestanddeel was Sint Joris met den draak, d. w. een man te paard met een lans stekende in een voor hem uitgereden draak, en er ook bij de schuttersfeesten een soort spel werd gehouden of vertooning gegeven van St. Joris met den draak (Oude Tijd 1872, 136). Den draak steken is dan waarschijnl. gelijk te stellen met: sollen, eig. het spelletje van draak steken met iemand doen, hem behandelen als een weerlooze, een speelbal. Den overgang kan men waarnemen in een zin als deze V. IJk, Scheepsb. 261: “Wat modus heden de Franschen in ’t Vlagge voeren houden, is mij onbekent, en meen ook dat hier omtrent geen vasten Regel werd gehouden; maar dat, volgens ’t spreekwoord, zoodanig de Schilder wil, St. Joris den Draak mag steeken.”

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Draak, van ’t Lat. draco, Grieksch drakoon, en dit van: derkomai = scherp zien; het woord w.d.z. het scherpziende dier.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

draak s.nw.
1. Fabelagtige monster, dikw. voorgestel as 'n vuurspuwende slang met horings en pote. 2. Sterrebeeld aan die noordelike hemel. 3. Onuitstaanbare, haatlike persoon.
Uit Ndl. draak (al Mnl. in bet. 1, 1616 in bet. 2, 1622 in bet. 3). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. draak uit Latyn draco, draconis 'slang' uit Grieks drakon, drakontos 'slang', met lg. van drak-, stam van derkesthai 'duidelik sien' en derkomai 'skerpsiende'. Draak het wsk. lett. beteken 'een met die dodelike blik (wat mense laat versteen het)'.
D. Drache (9de eeu), Eng. dragon (ongeveer 1220), Fr. dragon, It. drago, Port. dragão, Sp. dragón.
Vgl. drakonies.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

draak ‘fabelachtig monster’ -> Deens drage ‘fabelachtig monster; vlieger (speelgoed)’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors drake ‘fabelachtig monster; vlieger (speelgoed)’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

draak fabelachtig monster 1240 [Bern.] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

487. Den draak steken met iets,

d.w.z. den gek met iets steken. Deze uitdrukking herinnert aan den bekenden St.-Joris, eigenlijk Georgius, prins van Cappadocië, die omstreeks het midden van de derde eeuw leefde, en een vreeselijken draak, die het land onveilig maakte en de dochter des konings wilde verslinden, met zijn degen doodde. Deze ridder werd in de middeleeuwen de christelijke ridder, die den draak, d i. het heidendom, doorstak; toen ook kreeg hij evenals ieder ridder een wapenschild: een rood kruis op een zilveren veld. Op vele muntstukken uit de 15de en 16de eeuw vinden wij hem afgebeeld met het kruis op zijn wapenrok, te paard of te voet den draak doodende, nu eens met een speer, dan weer met een zwaard. In optochten en processies kwam hij meermalen voor; o.a. in 1550 te Amsterdam, waar hij in eene processie medereed en met zijn lans naar een grooten, groenen draak stak.Eene dergelijke voorstelling vindt men nog op eene schilderij van Derkinderen in het Suasso-museum te Amsterdam. Albrecht Durer zag hem te Antwerpen, terwijl die draak door eene dame, die Sint-Margriet voorstelde, aan een rood lint voortgetrokken werd. Hij mocht in geen optocht ontbreken, waarin hij voor de grap zijn lans zwaaide en er mede stak in een linnen draak, met stroo opgevuld. In de stadsrekeningen van Axel van 1504-1505 leest men o.a. nog: ‘Van dat hij met zijnen peerden voerde op de sle een personaige in de processie ende voort dat hij de greppe vulde met eerde daer men de drake stac’. Thans is de herinnering aan St.-Joris zoo goed als verdwenen, maar, zoo zegt J. ter Gouw, ‘zijn vermakelijk en schertsend draaksteken is nog in de taal bewaard, en als men van iemand spreekt, die maar voor de leus iets zegt, zonder dat het hem ernst is, dan zegt men nog: hij steekt er den draak mee’. Door H. Beckering Vinckers wordt in het Tijdschrift XXXIX, bl. 146 gewezen op een plaats uit ‘de Tafel vanden Kersten ghelove’ van Dirc van Delf (meegedeeld in Tijdschrift XXII, 15), waar sprake is van een nagemaakten draak, dien men voor de processie uit leidde en dien men later sloeg en stak. Deze draak stelde dan niet het heidendom maar den duivel voor, met wien men graag solde en spotte. In het laatst der 16de of in het begin der 17de eeuw komt de uitdr. den draak met iemand steken voor; ze is o.a. te vinden bij V. Ghistele, Terent. Andr. 75: Meendy dat ghi met mi dus den draec moecht steken? En uwen spot houwen?; Eerste Nieu Amoreus Liedtboeck, anno 1605, bl. 100:

 Sy steeckt den draeck met mijn goet ront.
 Dus roep ick wraeck, ick heb oorsaeck,
Tot aller stont.

Later komt zij meermalen voor; o.a. in Brederoo's Moortje, vs. 24; Pers, 568 a; 758 b; Kluchtspel II, 227; Van Effen, Spectator XI, 190; enz. Ook kende men in de 16de eeuw een werkwoord draken (op iemand) geheel in dezelfde beteekenis (zie o.a. Tijdschr. XXIII, 247). Synonieme uitdrukkingen zijn den alf, den gek, den guich met iemand steken. Zie Noord en Zuid III, 153-155 en 511; Ter Gouw, Volksvermaken, 271; Volkskunde XXIII, 78; Navorscher XVIII, 201; Ndl. Wdb. III, 3212.

626. Den gek houden (of hebben) met iemand (of iets),

d.w.z. den spot drijven met iemand of iets (zie o.a. V.d. Water, 77); fri.: de gek mei immen ha; gron. de guchel met iets drijven (Molema 139 a); nhd. den Gecken treiben mit etwas; 17de eeuw: zijn guichelspel met iemand of iets drijven; vgl. iemand voor den gek houden. Deze uitdr. zal ontstaan zijn door contaminatie van sijn(e) spot (sceren, scop, gile) houden of maken met eenen (of om iet) en den gek (den alf, den spot, den draak) met iemand (of iets) steken. Vgl. het Groningsche iemand de gek anscheren, ontstaan door verwarring van ‘iemand den gek aansteken’ en ‘met iemand scheren’ (Molema II a); ook in 't Nd. de Geck anschêren (Eckart, 141). In Zuid-Nederland: met iemand den zot houden; mnl. den sot met enen maken.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut